RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht Parketnummer: 16/601121-11 [P] Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 maart 2012 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1989] te [geboorteplaats], geen vaste woon- of verblijfplaats, thans gedetineerd in PI Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein, raadsman mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 februari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot inbraak in een supermarkt door met een auto de pui van die winkel te rammen; Feit 2: primair zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan diefstal met braak van een personenauto, dan wel subsidiair zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan heling van deze auto. 3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan. De officier van justitie baseert dit met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde onder meer op de bekennende verklaring van verdachte en het proces-verbaal van aangifte. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie betoogd dat de primair ten laste gelegde diefstal met braak bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de aangever zijn auto op 21 november 2011 om 21.00 uur voor het laatst heeft gezien. Een buurman van aangever heeft in de nacht van 21 november 2011 rond 3.00 uur een auto hard weg horen rijden. Daarop kan gebaseerd worden dat de auto van aangever om dat tijdstip is weggenomen. Gelet op het tijdsverloop tussen de diefstal van de auto en de ramkraak, die rond 3.15 uur is gepleegd, en de afstand van 15,2 kilometer die in die tijd kan zijn afgelegd, moeten verdachte en zijn medeverdachten de diefstal van de auto wel hebben gepleegd. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde is de verdediging van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de primair ten laste gelegde diefstal met braak. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat niet vast staat dat de auto die de buurman heeft horen wegrijden de auto van de aangever is geweest. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte de auto heeft gestolen. De verdediging is van oordeel dat wel bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde opzetheling. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte een bekennende verdachte is als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen , te weten: - de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 27 februari 2012, inhoudende dat hij samen met anderen op 21 november 2011 te Oudleusen heeft geprobeerd om uit de buurtsupermarkt geld en goederen weg te nemen door met een auto de pui van die winkel te rammen ; - het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 1]. 4.3.2 Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde Vrijspraak van het onder 2 primair tenlastegelegde De rechtbank overweegt met betrekking tot de vraag of bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 primair tenlastegelegde het volgende. Vast staat dat verdachte een gestolen auto heeft gebruikt voor het plegen van een ramkraak. Volgens verdachte heeft iemand anders de auto gestolen en aan hem verstrekt om er de ramkraak mee te plegen. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet kan worden afgeleid op welk tijdstip de auto is gestolen. Uit het enkele feit dat de buurman van de aangever op 21 november 2011 om 3.00 uur een auto hard heeft horen wegrijden, volgt niet dat dit het tijdstip is geweest waarop de auto van de aangever is gestolen. Nu verdachte niet door enig ander bewijs in verband wordt gebracht met de diefstal van de auto, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 primair ten laste gelegde feit en zal zij de verdachte daarvan vrijspreken. Bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 2 subsidiair ten laste gelegde opzetheling op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte een bekennende verdachte is als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten: - de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 27 februari 2012, inhoudende dat hij op 21 november 2011 te Oudleusen samen met anderen in een Ford Escort heeft gereden terwijl hij wist dat deze auto was gestolen ; - het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 2]. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde: hij op 21 november 2011 te Oudleusen, gemeente Dalfsen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkelbedrijf ([bedrijf]) weg te nemen geldbedragen en/of goederen van hun gading, toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf] (vestiging [adres]), en zich daarbij de toegang tot dat winkelbedrijf te verschaffen door middel van braak, tezamen en in vereniging met anderen, als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, en een van zijn mededaders met een auto achterwaarts rijdende de pui van die winkel geramd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde: hij op 21 november 2011 te Oudleusen, gemeente Dalfsen, tezamen en in vereniging met anderen, een personenauto van het merk Ford Escort voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen wist(en) dat het een door diefstal verkregen goed betrof. Voorzover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid 5.1 De strafbaarheid van de feiten Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op. Feit 1: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak; Feit 2 subsidiair: medeplegen van opzetheling. 5.2 De strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6 De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelstelmatige daders (hierna: de ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een veelpleger is, dat er sprake is van een hoog recidiverisico en dat hulpverlening in een zeer restrictief kader, gelet op de hulpverleningsgeschiedenis en de bij verdachte geconstateerde problemen, de enige manier lijkt om verdachte op een ander spoor te brengen. Verdachte voldoet aan de voorwaarden voor oplegging van de ISD-maatregel en oplegging van de maatregel wordt ook door de reclassering geadviseerd. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om de vordering van de officier van justitie tot oplegging van de ISD-maatregel af te wijzen. De ISD-maatregel is een uiterst middel en dient pas opgelegd te worden als er geen andere opties meer zijn om het recidiverisico te verminderen. Dat is in deze zaak niet het geval, omdat de optie van klinische behandeling bij een instelling als Groot Batelaar nog openstaat. De verdediging heeft daarom primair verzocht om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daarbij reclasseringstoezicht en klinische behandeling als bijzondere voorwaarden. De verdediging denkt met betrekking tot de duur van die straf aan een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een brute ramkraak bij een supermarkt. Verdachte wist dat de auto waarvan zij bij de ramkraak gebruik maakten gestolen was. Hij heeft geen respect getoond voor andermans eigendom en zijn handelwijze lijkt enkel ingegeven door eigenbelang. Door het plegen van deze feiten is grote schrik en aanzienlijke financiële schade veroorzaakt. Het mag als bekend worden verondersteld dat het plegen van degelijke feiten grote gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt in de samenleving in het algemeen en bij de direct betrokkenen (slachtoffers en omwonenden) in het bijzonder. Tot slot geldt ook voor de eigenaar van de gestolen auto dat hij door het vernielen van zijn auto door verdachte en zijn mededaders is gedupeerd. Verdachte is blijkens het op zijn naam gestelde Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 januari 2012 al veelvuldig wegens strafbare feiten met politie en justitie in aanraking gekomen en tot straffen veroordeeld. Uit het rapport d.d. 3 februari 2012 van psychiater drs. A.C. Vink blijkt dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis, te weten een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit, gecombineerde type en cannabisafhankelijkheid en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, die in diagnostische zin te omschrijven is als zwakbegaafdheid en trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Omdat verdachte ten tijde van het onderzoek ontkende de feiten te hebben gepleegd, kon de vraag of deze stoornis de keuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde heeft beïnvloed, niet beantwoord worden. De psychiater kon om diezelfde reden ook niet de vraag beantwoorden binnen welk juridisch kader hij aanbevelingen doet voor interventies. De psychiater heeft verdachte wel het advies gegeven om in vrijwilligheid een behandeling te volgen bij Groot Batelaar of een soortgelijke instelling. De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 7 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.