RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht Parketnummers: 16/600030-11; 16/430979-08 (vordering tenuitvoerlegging); 16/425616-09 (vordering tenuitvoerlegging); 16425419-09 (vordering tenuitvoerlegging); 16/425418-09 (vordering tenuitvoerlegging); 16/601227-09 (vordering tenuitvoerlegging) [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 maart 2012 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1990] te [geboorteplaats], wonende aan het [adres] te [woonplaats], thans uit andere hoofde gedetineerd in het Huis van Bewaring wolvenplein te Utrecht. Raadsman mr. P.F. Emmelot, advocaat te Utrecht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 18 april 2011 en 8 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter terechtzitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermelde parketnummers. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte,door roekeloos of erg onvoorzichtig te rijden, zonder rijbewijs en met meer dan de maximaal toegestane hoeveelheid alcohol in zijn bloed, een ongeval heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] werd gedood. Subsidiair is het verwijt: een auto besturen met een te hoog bloedalcoholgehalte, rijden zonder rijbewijs en de veiligheid van het verkeer in gevaar brengen. 3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde kan komen. Verdachte stelt dat hij 35 km/uur heeft gereden. Misschien heeft de verdachte meer dan 35 km/uur gereden, maar zeker geen 60 km per uur, verdachte heeft in ieder geval niet harder gereden dan de toegestane snelheid van 60 km/uur. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de exacte snelheid van de Volkswagen niet vastgesteld kan worden, nu de diverse onderzoeken verschillende uitkomsten laten zien en onvolledig zijn. Voorts is de afstand tussen het punt waarop verdachte is gekeerd en de plaats van het ongeval (50 tot maximaal 100 meter) te kort om een hoge snelheid te bereiken. In de tweede versnelling is het niet mogelijk hard te rijden. De processen-verbaal B en C verschillen wat betreft de snelheid bij 4000 toeren en houden niets in over de afstand die nodig is om die maximale snelheid te bereiken. De getuigen verklaren niet over een heel hoog toerental. Dat de airbags niet in werking zijn getreden en er geen sporen zijn op de autogordels wijst op een geringe vertraging. Er zijn getuigen die niets verklaren over een hoge snelheid. Op basis van het dossier en de getuigenverklaringen kan niet uitgesloten worden dat verdachte wel met groot licht heeft gereden, immers kan het lampje van het groot licht ook na het ongeval gebroken zijn. Voorts is de exacte plaats van de botsing niet vastgesteld en kan daardoor niets met alle verkregen gegevens gedaan worden. In dit verband wijst de raadsman op een mail van 9 januari 2011 van [A] aan verbalisanten van de verkeerspolitie. Ook de onvoorzichtige gedragingen, zoals vereist voor bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde, kunnen niet bewezen worden. Dit was totaal niet voorzienbaar. Overtreding van de artikelen 8 en 107 Wegenverkeerswet kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Vaststaande feiten en omstandigheden De rechtbank is bij haar beoordeling uitgegaan van de volgende, door wettige bewijsmiddelen onderbouwde, feiten en omstandigheden: Verdachte heeft verklaard dat hij op 8 januari 2011 op een personeelsfeest in De Klaveet in Achterveld is geweest, samen met [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt dat verdachte hier het latere slachtoffer [slachtoffer] bedoelt) en [getuige 1] en [getuige 2] (de rechtbank begrijpt dat verdachte hier [getuige 2] bedoelt). Door verschillende mensen wordt die avond gedronken, verdachte heeft 2 bier en 2 whisky gedronken. Als men later die nacht wegrijdt ontstaat er onenigheid als [slachtoffer] zelf gaat rijden. Verdachte, die geen rijbewijs heeft, rijdt in de auto van [slachtoffer] terug naar de Klaveet om hulp te halen. Hij rijdt vervolgens weer terug om [slachtoffer] en Shahdan te zoeken. Hij vindt ze niet, rijdt verder, keert op een bepaald punt en rijdt terug. Onderweg komt hij [getuige 1] tegen, verdachte rijdt verder naar [slachtoffer] en [getuige 2]. De weg is aardedonker en er was geen straatverlichting. Op een gegeven moment ziet hij [slachtoffer]. Op het moment dat hij [slachtoffer] ziet remt hij vol met de voetrem en de handrem. Er volgt een botsing tussen de auto en [slachtoffer]. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de politie op 9 januari 2011 om ongeveer 00.41 uur een melding krijgt van een aanrijding met letsel bij de Klaveet te Achterveld. Ter plaatse treft men op de Asschatterweg te Achterveld een blauwe Volkswagen Golf (hierna mede aan te duiden als: de Volkswagen) met schade aan de linkervoorzijde. Naast de auto ligt in de berm een man met ernstig aangezichtsletsel. Het slachtoffer, [slachtoffer], is op 9 januari 2011 in het ziekenhuis aan zijn verwondingen overleden. Een van de ter plaatse aanwezigen zei dat hij de bestuurder was. De verdachte gaf op te zijn genaamd [verdachte]. Op 9 januari 2011 te 1.40/1.41 uur is bij verdachte een ademalcoholgehalte vastgesteld van 160 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Verdachte heeft dus gereden terwijl hij niet in het bezit was van een rijbewijs en hij heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 8 lid 3 en lid 4 van de Wegenverkeerswet 1994, op grond waarvan het wettelijk niet toegestaan is om te rijden met ademalcoholgehalte van meer dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. 4.3.2 Bewijsoverwegingen De centrale vraag voor de rechtbank is of het aan het verkeersgedrag van verdachte te wijten is dat het ongeval heeft plaatsgevonden en zo ja, welke mate van schuld verdachte daaraan heeft. De rechtbank let daarbij op het volgende. Omstandigheden Ter plaatse van het ongeval bestaat de Asschatterweg uit een rechte rijbaan met één rijstrook van ongeveer 2,5 meter breed, met aan weerszijden een fietssuggestiestrook van ongeveer 1,35 meter breed. Het ongeval vond plaats bij nacht. Ter plaatse van het ongeval was geen straatverlichting aanwezig. Ongeveer 400 meter voorbij de plaats van het ongeval en ongeveer 100 meter voor de plaats van het ongeval stond een lantaarnpaal. Voetgangers/weggebruikers Uit de verklaring van verdachte volgt dat hij er van op de hoogte was dat zich op de weg waarover hij reed, zich in ieder geval één of meer voetgangers konden bevinden. Gevoerde verlichting Uit onderzoek aan de verlichting van de Volkswagen Golf is gebleken dat het lampje van het groot licht links een zogenaamde koude breuk vertoonde, hetgeen betekent dat de gloeidraad gebroken is terwijl deze niet heet was, dus terwijl het licht niet brandde. Ter plaatse is geconstateerd dat na het ongeval de dimverlichting van de auto brandde. De spiraal van het dimlicht uit de linkerkoplamp was gebroken, met vervorming die kan optreden bij doorsmelten in hete toestand . De rechtbank acht, gelet op het vorenstaande, de verklaring van verdachte dat hij ten tijde van het ongeval groot licht voerde, niet aannemelijk. De verdediging heeft aangevoerd dat de spiraal van het lampje van het groot licht mogelijk na het ongeval op enig moment gebroken is. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman nu niet gesteld of gebleken is dat de Volkswagen na het ongeval een zodanige schok heeft ondergaan dat daardoor de gloedraad van het lampje is gebroken. Zicht Uit onderzoek is gebleken dat, indien bij de Volkswagen alleen dimlicht gevoerd wordt, het zicht ’s nachts ter plaatse van het ongeval zodanig is dat een voetganger vanaf minder dan 34 meter zichtbaar is. Snelheid Op het wegdek nabij de plaats van het ongeval zijn lakdeeltjes aangetroffen. De visuele kenmerken en de chemische samenstelling van de vier verflagen van het aangetroffen lakdeeltje en de lak van de Volkswagen zijn niet van elkaar te onderscheiden. De breukranden van een gevonden lakdeeltje pasten in de breukranden van ontbrekende lak op de Volkswagen. De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat de aangetroffen lakdeeltjes afkomstig zijn van de Volkswagen. De verbalisanten hebben de ervaring opgedaan dat aangetroffen lakdelen op een plaats voorbij het botspunt worden aangetroffen (tenzij de wind gevoelsmatig kracht heeft, wat niet zo was).Het is waarschijnlijker dat de lakdeeltjes na het ongeval op deze plaats neer zijn gekomen, dan dat deze werden getransporteerd door aanwezigen op de plaats van het ongeval, want: het aangetroffen lakdeeltje was heel en vlak, als er overheen gelopen/gereden was zou er een afdruk van de oneffen ondergrond moeten zijn. De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat het botspunt gelegen was op, dan wel -bezien vanuit de rijrichting van verdachte- voor de plaats waar de lakdelen zijn aangetroffen De verdachte heeft voorts verklaard dat hij vol is gaan remmen met hand- en voetrem toen hij het slachtoffer zag en dat hij al remde voor het moment van de botsing. Het voertuig is na het ongeval en voor het onderzoek van de verkeerspolitie (omstreeks 1.15 uur) niet verplaatst. Uit het voortgaande trekt de rechtbank de conclusie dat voor de berekening van de snelheid op het punt van de botsing kan worden uitgegaan van een remweg die (tenminste) de afstand bedraagt van de lakdeeltjes tot de plaats waar het linkervoorwiel van de Volkswagen na de botsing tot stilstand is gekomen bedraagt. Op grond van de verklaring van de verdachte kan voorts er voorts van worden uitgegaan dat hij reeds op het botspunt vol met hand- en voetrem remde, zodat bij die berekening geen rekening behoeft te worden gehouden met de reactietijd van verdachte of zijn voertuig. Uitgaande van die afstand en rekening houdend met de gemeten maximale remvertraging van de Volkswagen (indien er geremd wordt met de voetrem en de handrem), bedroeg de snelheid van de Volkswagen op het moment van de botsing minimaal 70,9 km/u en maximaal 72 km/u. De rechtbank constateert dat voormelde bevindingen overwegend aansluiten bij de verklaringen zoals deze door diverse getuigen zijn afgelegd over de snelheid waarmee verdachte volgens diverse getuigen ongeveer gereden zou hebben: - [getuige 1] heeft - zakelijk weergegeven – verklaard: Ik zag dat die jongen met volle snelheid wegreed. Ik denk dat de jongen wel 80 km/u reed. - [getuige 2] heeft - zakelijk weergegeven – verklaard: Ik zag dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt dat getuige hier verdachte [verdachte] bedoeld) in de auto ons tegemoet kwam rijden. Ik zag dat hij niet stopte, maar gewoon doorreed. Ik weet niet hoe snel hij reed, maar volgens mij ging het best hard. Als ik het moet schatten, lag de snelheid tussen de 50 km/u en de 80 km/u. - [getuige 3] heeft - zakelijk weergegeven – verklaard: Ik hoorde een auto over de Asschatterweg aan komen rijden uit de richting van Achterveld. Ik kreeg door het geluid het idee dat de auto er aardig de vaart in had. - [getuige 4] heeft - zakelijk weergegeven – verklaard: Kort daarop hoorde ik een hoog toerental van een auto en ik kon aan het geluid horen dat er een voertuig met flinke vaart naderde. Ik hoorde geluid van rechts van de Asschatterweg. Ik keek tussen de bomen door en ik kon redelijk goed een aantal koplampen zien naderen . Ik zag dat de auto vrij hard ging, ik schat zo’n 60 tot 80 km/u.. De rechtbank gaat er, gelet op het vorenstaande, vanuit dat de snelheid van de Volkswagen op het moment van de botsing ongeveer 70 km/u bedroeg. Anders dan de verdediging wil, is deze snelheid mogelijk in de tweede versnelling. De raadsman heeft aangevoerd dat de afstand vanaf het punt waarop verdachte de Volkswagen gekeerd zou hebben tot de plaats van het ongeval, op basis van de verklaringen van getuigen [getuige 2] en [getuige 1], 50 tot maximaal 100 meter bedraagt en te kort is om een snelheid van 70 km/u of meer te bereiken. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de GPS coördinaten, afkomstig uit het navigatiesysteem dat ten tijde van het ongeval in de Volkswagen aanwezig was en aanstond, blijkt de Volkswagen zich de laatste 15 seconden voor de botsing heeft verplaatst over een afstand van ca 200-240 meter. Het betoog van de raadsman dat het feit dat de airbags niet in werking traden en de autogordels geen sporen vertonen leidt niet tot een ander oordeel: van de autogordels kon niet worden vastgesteld of deze gebruikt waren en van de airbags wordt gesteld dat een hoge vertraging nodig is om deze te activeren en de Golf daaraan door de aanrijding niet “onderhevig was” hetgeen de rechtbank aldus begrijpt dat daarvoor een extern inwerkende vertraging vereist is. De verwijzing naar de mail van [A] treft evenmin doel, reeds omdat dit een zeer voorlopig consult betrof, waarbij de verklaring van de verdachte en de nadere gegevens over de lakdeeltjes niet meegenomen konden worden. Conclusie De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat verdachte op 9 januari 2011 te Achterveld, als bestuurder van een personenauto rijdende over de Asschatterweg zich schuldig heeft gemaakt aan een aan zijn schuld te wijten ongeval, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden. Verdachte heeft immers, terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde en niet in het bezit was van een rijbewijs, in een voor hem onbekende personenauto gereden op een voor hem onbekende smalle en donkere weg met een snelheid van ongeveer 70 km/u, terwijl het verdachte bekend was dat zich op de weg één of meerdere voetgangers konden bevinden. Verdachte voerde op dat moment alleen dimlicht, waarbij hij minder dan 34 meter zicht had (op voetgangers). Verdachte heeft met een hogere snelheid gereden dan, gelet op voornoemde situatie en omstandigheden, verantwoord was. Verdachte had immers zijn snelheid aan deze omstandigheden dienen aan te passen. Verdachte heeft daardoor het slachtoffer niet tijdig opgemerkt en is op hem ingereden. De verklaring van de verdachte dat het slachtoffer, vanaf de rechterzijde van de weg komend, voor zijn auto gesprongen is, wordt door geen enkel bewijsmiddel ondersteund en is, gelet op het raakpunt (linker voorzijde van de auto) en gelet op de plaats waar de aanrijding plaatsvond (uiterste linkerzijde van de weg) niet aannemelijk. Overigens zou, naar het oordeel van de rechtbank, een bekwaam en nuchter chauffeur, rijdend met aangepaste snelheid en met groot licht, het voertuig binnen de zichtafstand tot stilstand hebben kunnen brengen, of tot zodanige snelheid kunnen terugbrengen dat een aanrijding niet deze ernstige gevolgen had gehad. Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte door zo te handelen schuldig is aan het verkeersongeval, waarbij het handelen van verdachte als zeer onvoorzichtig en onoplettend aangemerkt wordt. De rechtbank is van oordeel dat het bovenstaande niet tot het oordeel leidt dat van roekeloosheid aan de zijde van verdachte sprake is geweest. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 09 januari 2011 te Achterveld, gemeente Leusden, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Asschatterweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig en onoplettend, terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank als bedoeld in artikel 8 van de wegenverkeerswet 1994 en terwijl aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994, geen rijbewijs was afgegeven voor het besturen van voornoemd motorrijtuig, - te rijden met een hogere snelheid dan gezien de situatie en omstandigheden ter plaatse verantwoord was en - het door hem bestuurde motorrijtuig niet tot stilstand te (kunnen) brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en (vervolgens) - in botsing te komen met de voetganger [slachtoffer], waardoor genoemde [slachtoffer] werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde of vierde lid van de Wegenverkeerswet 1994; De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid 5.1 De strafbaarheid van het feit Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op. Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl degene die schuldig is aan dit feit, verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 lid 3 van deze wet; 5.2 De strafbaarheid van verdachte Over de geestesvermogens van verdachte is gerapporteerd door drs. J. Neeleman (psychiater) d.d. 19 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.