beschikking RECHTBANK UTRECHT Sector Familie & Toezicht zaaknummer / rekestnummer: 302537 / FA RK 11-1347 Beschikking van 7 maart 2012 in de zaak van [de vrouw], wonende te [woonplaats], verzoekster, hierna te noemen “de vrouw” advocaat mr. D. Regts tegen [de man], wonende te [woonplaats], verweerder, hierna te noemen “de man” advocaat mr. E.H. de Jonge- Wiemans. 1. Verdere verloop van de procedure 1.1. Op 30 maart 2011 heeft de rechtbank een eerdere beschikking gegeven tussen partijen. Voor het verloop van de procedure tot die datum wordt verwezen naar die beschikking. 1.2. De rechtbank heeft kennisgenomen van de nadien ingekomen stukken, te weten: ? de akte na afsplitsing (geduid “vermogensopstelling”) met bijbehorende producties aan de zijde van de vrouw (ingekomen bij de rechtbank op 28 juni 2011) ? het formulier Effectief Verdelen aan de zijde van de vrouw (ingekomen bij de rechtbank op 27 juli 2011) ? antwoordakte na verdeling met bijbehorende producties aan de zijde van de man (ingekomen bij de rechtbank op 5 september 2011) ? de notitie ter voorbereiding op de mondelinge behandeling met bijbehorende producties aan de zijde van de vrouw (ingekomen bij de rechtbank op 31 januari 2012) ? de nadere akte van verdeling met bijbehorende producties aan de zijde van de man (ingekomen bij de rechtbank op 24 februari 2012). 1.3. De behandeling van de zaak is voortgezet ter terechtzitting met gesloten deuren van 1 maart 2012. 2. Vaststaande feiten 2.1. Hiervoor verwijst de rechtbank naar de op 30 maart 2011 gegeven beschikking. De echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 15 april 2011. 3. Beoordeling van het verzochte 3.1. Tussen partijen is nog in geschil de afwikkeling van de financiële gevolgen van de ontbinding van hun huwelijk. De omvang van het geschil 3.2. Ter terechtzitting van 1 maart 2012 is met partijen besproken wat precies de omvang van hun geschil is nu uit de processtukken is gebleken dat de door elk van partijen ingenomen stellingen niet volledig aansloten op hun geformuleerde petita. Partijen hebben over en weer aangegeven er geen bezwaar tegen de hebben als zij elk hun verzoek aan de rechtbank aanvullen overeenkomstig hun ingenomen stellingen. De vrouw heeft haar verzoek aangevuld aldus, dat zij de rechtbank tevens verzoekt de man te veroordelen tot betaling van € 33.578,00 aan haar ter zake aan haar toekomende vergoedingsrechten. De man heeft zijn verzoek aan de rechtbank aangevuld aldus dat hij de rechtbank aanvullend verzoekt de vrouw te veroordelen tot betaling van € 129.281,00 aan hem ter zake aan hem toekomende vergoedingsrechten. 3.3. De rechtbank ziet, gezien de stellingen van partijen zoals deze volgen uit de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting, geen redenen om deze gewijzigde verzoeken in deze stand van het geding te weigeren en zal deze aanvullende verzoeken bij de beoordeling van de onderhavige zaak betrekken. Het toepasselijke recht 3.4. Ter terechtzitting van 1 maart 2012 is tevens met partijen besproken welk recht zij aan hun verzoeken ten grondslag leggen, aangezien dit de rechtbank uit de stellingen van partijen onvoldoende duidelijk is geworden. De rechtbank overweegt daarbij als volgt. 3.5. De vrouw heeft zich vanaf het begin van deze procedure op het standpunt gesteld dat onder andere de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats], als ook een deel van de tuin van het huis dat recentelijk volgens de vrouw is verkocht, tot de gemeenschap van winst en verlies behoort die partijen in hun akte van huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen. De vrouw stelt dit al in haar verzoekschrift tot echtscheiding onder nummer 7 en heeft deze stelling ook later in haar akte na afsplitsing ingenomen (vide pagina 1 van haar akte waar de vrouw deze vermogensbestanddelen opneemt onder de zin “Vermogen behorend tot de gemeenschap van winst en verlies:”). In haar notitie ten behoeve van de mondelinge behandeling van 1 maart wordt de stelling van de vrouw op dit punt wat onduidelijk, maar ook dan blijft zij zich op het standpunt stellen dat de waarde van deze woning in de gemeenschap is gevallen. De vrouw beroept zich daarbij op artikel 1:124 lid 2 BW. 3.6. De man stelt zich op het standpunt – kort gezegd – dat deze woning en de verkochte tuin zijn privé-eigendom zijn. De man doet daarbij – voor zover nodig – een beroep op artikel 1:124 lid 2 BW. 3.7. De rechtbank constateert dat partijen beiden artikel 1:124 lid 2 BW aan hun verzoeken op dit punt ten grondslag hebben gelegd. Dit artikel(lid) is gedurende de duur van het huwelijk van partijen gewijzigd en wel met ingang van 1 januari 1992. De stellingen van de vrouw hebben bij de rechtbank de vraag doen rijzen of de vrouw zich wellicht beroept op het recht van voor 1 januari 1992 nu dit (oude) recht de stellingen van de vrouw mogelijk zouden kunnen dragen. Om partijen niet voor een verrassingsbeslissing te stellen en om hen de gelegenheid te bieden om ten volle hun rechtsgang bij de rechtbank te kunnen benutten, heeft de rechtbank ter terechtzitting van 1 maart 2012 partijen in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. Mede om ook daarmee duidelijkheid voor de rechtbank te krijgen over de omvang van het geding. Immers voor zover partijen bij de beoordeling van de onderhavige zaak bewust zouden wensen uit te gaan van het recht van na 1 januari 1992, welk recht op dit punt inmiddels per 1 januari 2012 opnieuw gewijzigd is, dan zou de rechtbank zich ten aanzien daarvan lijdelijk dienen op te stellen en die wens van partijen respecteren nu het aan partijen is om de omvang van hun geding te bepalen. Partijen dienen de omvang van hun geschil echter wel duidelijk te maken aan de rechtbank zodat deze op de door partijen gestelde (feitelijke) grondslag kan beslissen. 3.8. In reactie op deze door de rechtbank voorgelegde vraag heeft de (advocaat van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.