ECLI:NL:RBUTR:2012:BW0837
vonnis RECHTBANK UTRECHT Sector handel en kanton Handelskamer zaaknummer / rolnummer: 320683 / KG ZA 12-139 Vonnis in kort geding van 4 april 2012 in de zaak van [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. C.J. Dreef, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ALCREDIS FINANCE B.V., gevestigd te Vianen, gedaagde, advocaat mr. G. Mulder en mr. H.H. Tan.
Partijen zullen hierna [eiser] en Alcredis genoemd worden.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2.2. Op 2 februari 2012 heeft [eiser] een Audi A4 met kenteken [kenteken], hierna ook genoemd: “het voertuig”, gekocht van de heer en mevrouw [betrokkene 1]. Met ingang van 3 februari 2012 is deze Audi A4 bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer geregistreerd op naam van [eiser].
2.3. Op 10 februari 2012 heeft de voorzieningrechter te Utrecht aan Alcredis op grond van artikel 496 Rv verlof verleend om de aan haar verpande zaken onder zich te doen nemen, dan wel daarop executoriaal beslag tot verkrijging van afgifte te leggen.
2.4. Op 13 februari 2012 heeft een door Alcredis ingeschakelde deurwaarder het voertuig op grond van het in 2.3 genoemde verlof onder zich genomen.
3.2. Alcredis voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] met veroordeling van [eiser] in de kosten van dit geding.
3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4.2. De voorzieningenrechter zal (eerst) ambtshalve beoordelen of het beslag op de juiste wijze is gelegd. De pandhouder die een zaak op grond van artikel 496 Rv tot afgifte wil beslaan, kan geconfronteerd worden met de omstandigheid dat de zaak in de feitelijke macht van een derde is. Zo ook Alcredis, nu [eiser] in deze als derde is te beschouwen aangezien hij niet de pandgever is. In dat geval staan er twee wegen open. Ten eerste krachtens artikel 499 Rv de weg van “direct beslag” onder de derde. Ten tweede krachtens artikel 500 Rv de weg van het derdenbeslag, dat vervolgens op de wijze van artikel 475 Rv e.v. dient te worden gelegd. Alcredis heeft de weg van artikel 499 Rv gevolgd. Deze weg staat open indien de derde geen bezwaar tegen de afgifte heeft.
Daarvan kan blijken doordat de beslaglegger over schriftelijke toestemming beschikt of in het proces-verbaal van executie tot afgifte een verklaring van die strekking is opgenomen. In casu is ten aanzien van [eiser] geen dergelijk geschrift of proces-verbaal overgelegd, noch is op andere wijze gebleken dat de afgifte buiten zijn bezwaar plaatsvond. Aldus is niet vast komen te staan dat [eiser] géén bezwaar tegen de afgifte heeft gemaakt. In dat geval staat de weg van artikel 499 Rv slechts open indien het onthouden van de toestemming tot afgifte niet te goeder trouw is geschied. Dit is het geval indien [eiser] het voertuig zonder recht of titel onder zich hield. Alcredis betwist weliswaar dat [eiser] eigenaar van het voertuig is, maar zij heeft ter zitting gesteld dat [eiser] het voertuig ten titel van bruikleen onder zich hield.
Aldus staat (ook voor Alcredis) vast dat [eiser] het voertuig op grond van een geldige rechtstitel onder zich had. De voorzieningenrechter komt dan ook tot de conclusie dat Alcredis ten onrechte de weg van artikel 499 Rv heeft gevolgd. De geëigende weg tot verkrijging van afgifte is in onderhavig geval (dus) de weg van artikel 500 Rv. Alcredis, althans de door haar ingeschakelde deurwaarder, had de op grond van artikel 499 Rv ingezette beslaglegging dan ook dienen te vervolgen met inachtneming van alle formaliteiten die door artikel 475 Rv worden voorgeschreven (vergelijk artikel 461d Rv), waardoor [eiser] zou zijn genoopt verklaring te doen omtrent hetgeen hij ten behoeve van de [betrokkene]-vennootschappen onder zich heeft.
De feitelijke afgifte van het voertuig zou aldus hebben afgehangen van die verklaring en, bij onenigheid omtrent de juistheid van die verklaring (of bij het ontbreken van een verklaring), van de uitkomst van een door Alcredis te entameren geding ex artikel 477a Rv. Er is echter niet gebleken dat aan deze formaliteiten is voldaan. Het voorgaande lijdt uitzondering indien Alcredis in het verlofrekest uitdrukkelijk machtiging heeft gevraagd (en verkregen) om het pand tot zich te nemen met handhaving van de aanspraken die de derde ten aanzien daarvan mocht pretenderen. Hiervan is echter geen sprake. Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het beslag (op) onrechtmatig(e wijze) is (gelegd), zodat het dient te worden opgeheven.
De vordering van [eiser] tot afgifte van de voertuigen wordt dan ook toegewezen.
Dwangsom 4.3. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de door [eiser] gevorderde dwangsom te beperken op de wijze als in het dictum bepaald.
Voorschot schadevergoeding 4.4. [eiser] stelt dat hij door het onrechtmatig gelegde beslag schade heeft geleden, die zou bestaan uit de kosten van juridische bijstand (voor zover die de kostenveroordeling te boven gaan) en vervangend vervoer, en vordert een voorschot op een eventueel (in een bodemprocedure) toe te kennen schadevergoeding. [eiser] heeft echter verzuimd deze schade te onderbouwen. Ook is onvoldoende aannemelijk geworden dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van het door haar gevorderde voorschot. Met betrekking tot de kosten van juridische bijstand, geldt daarbij bovendien dat deze worden geacht te zijn begrepen in de forfaitaire kostenveroordeling (ook indien de werkelijke kosten dit forfaitaire bedrag te boven gaan). Deze vordering van [eiser] wordt dan ook afgewezen.
Uitvoerbaarheid op de minuut en op alle dagen en uren 4.5. De gevorderde uitvoerbaar verklaring op de minuut zal worden afgewezen, nu [eiser], voor wie terstond na deze uitspraak een grosse beschikbaar zal zijn, daarbij geen belang heeft. Dit vonnis zal – anders dan gevorderd – niet uitvoerbaar worden verklaard op alle dagen en uren, nu de noodzaak daarvan niet is gebleken.
Proceskosten 4.6. Alcredis zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2012.?