ECLI:NL:RBUTR:2012:BX0653
vonnis RECHTBANK UTRECHT Sector handel en kanton Handelskamer zaaknummer / rolnummer: 311543 / HA ZA 11-1571 Vonnis van 25 april 2012 in de zaak van CORINE ALETTA SCHREUDER in hoedanigheid van curator in het faillissement van Leeftrends Utrecht The Wall B.V. (hierna te noemen: Leeftrends Utrecht), wonende te Utrecht, eiseres, advocaat mr. A.L. Dorland te Utrecht, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LEEFTRENDS BEHEER B.V., gevestigd te Amersfoort, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WEFAB HOLDING B.V., gevestigd te Amersfoort, 3. [gedaagde sub 3], wonende te [woonplaats], gedaagden, advocaat mr. E.E.A. Dijxhoorn te Amersfoort.
Eiseres zal hierna de curator worden genoemd. Gedaagden zullen afzonderlijk worden aangeduid als Leeftrends Beheer, Wefab en [gedaagde sub 3] en gezamenlijk als gedaagden.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2.2. Leeftrends Utrecht is opgericht op 22 augustus 2008 door Leeftrends Beheer, van welke vennootschap Wefab bestuurder en enig aandeelhouder is. [gedaagde sub 3] is enig aandeelhouder en bestuurder van Wefab. Het geplaatste kapitaal ten tijde van de oprichting bedroeg € 50.000,-.
2.3. Leeftrends Utrecht exploiteerde een woonwinkel in meubelen, woonaccessoires en aanverwante artikelen. Een van de andere dochtervennootschappen van Leeftrends Beheer, Leeftrends Houten B.V. (hierna: Leeftrends Houten), exploiteerde een woonwinkel in Houten.
2.4. Op 20 augustus 2008 is door Leeftrends Beheer (toen nog genaamd: Wefab Almere-Stad B.V.) op de rekening van Leeftrends Utrecht een bedrag van € 50.000,- voldaan met de omschrijving “aandelenkapitaal”.
2.5. De bankverklaring van de Rabobank te Almere d.d. 21 augustus 2008 vermeldt dat de door Leeftrends Utrecht aangehouden bankrekening per die datum een creditsaldo had van € 50.000,-.
2.6. Op 2 september 2008 is door Leeftrends Utrecht een bedrag van € 49.000,- overgemaakt aan Leeftrends Houten. Deze betaling vond plaats onder de noemer “interne overboeking Leeftrends Houten”.
2.7. Een rekening-courantoverzicht opgesteld door Leeftrends Utrecht betreffende de rekening-courantverhouding tussen Leeftrends Utrecht en Leeftrends Houten vermeldt aan de debetzijde een post van € 49.000,- per 1 januari 2009 met als omschrijving “interne ob leeftrends houten” en aan de creditzijde, over de periode 4 augustus 2009 tot en met 31 december 2009, zevenennegentig posten voor een totaalbedrag van € 12.189,- met diverse omschrijvingen (o.a. “praxis” en “gamma”).
2.8. Door de curator zijn diverse conservatoire beslagen gelegd ten laste van gedaagden.
3.2. Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Ter comparitie heeft de curator hieraan toegevoegd dat een schriftelijke overeenkomst van geldlening ontbreekt, zodat uit niets blijkt dat de betaling door Leeftrends Utrecht aan Leeftrends Houten een geldlening was. En als het al een geldlening was, dan is deze niet op zakelijke voorwaarden gesloten, aldus, nog steeds, de curator.
4.2. Hiertegenover stellen gedaagden dat het bedrag dat met de volstorting is gemoeid (€ 50.000,-) wel degelijk ten tijde van haar oprichting aan Leeftrends Utrecht ter beschikking heeft gestaan, zodat het standpunt van de curator dat geen volstorting als bedoeld in artikel 2:191 BW heeft plaatsgevonden, dient te worden verworpen. Gedaagden voeren daartoe aan dat het geld door Leeftrends Utrecht is uitgeleend aan haar zustervennootschap omdat die behoefte had aan liquide middelen, terwijl Leeftrends Utrecht zelf op dat moment geen geld nodig had vanwege het feit dat de nieuwbouw, waarin zij haar woonwinkel zou exploiteren, vertraging had opgelopen. Door het uitlenen van voornoemd bedrag ontstond een even grote vordering van Leeftrends Utrecht op Leeftrends Houten. Een en ander blijkt uit het overgelegde rekening-courant overzicht. De daarin genoemde bedragen aan de creditzijde zijn kosten, die Leeftrends Houten een jaar later heeft voorgeschoten ten behoeve van de inrichting van Leeftrends Utrecht, aldus gedaagden.
4.3. In beginsel geldt dat indien het op de aandelen gestorte geld is uitgeleend aan Leeftrends Houten, zulks de rechtsgeldigheid van de storting niet aantast, ook niet als dit direct na de volstorting is gebeurd. Dit zou anders zijn indien de kapitaalstorting als schijnhandeling zou zijn te kwalificeren, bijvoorbeeld indien reeds voorafgaand aan de storting en oprichting de bedoeling was om de kapitaalstorting door te sluizen zonder reëel vooruitzicht op terugbetaling. Dat van een dergelijke schijnhandeling sprake is, volgt in ieder geval niet uit de enkele stelling van de curator dat de eventueel overeengekomen geldlening niet op zakelijke voorwaarden is gesloten (wat daarmee ook wordt bedoeld).
Ook overigens is niet gebleken dat reeds voorafgaand aan de storting en oprichting de bedoeling was om de kapitaalstorting door te sluizen zonder reëel vooruitzicht op terugbetaling. Het tegendeel is eerder aannemelijk, gegeven dat gedaagden voor de financiering van zustermaatschappij Leeftrends Houten een genoegzaam aannemelijke zakelijke ratio hebben genoemd, terwijl Leeftrends Houten kennelijk – blijkens het rekening-courantoverzicht – ter gelegenheid van het operationeel opstarten van Leeftrends Utrecht, een aanvang heeft gemaakt met terugbetaling van deze financiering door middel van het betalen van diverse aan Leeftrends Utrecht toe te rekenen kosten, en verrekening daarvan in rekening-courant. Nu genoegzaam is aangetoond dat aan de betaling door Leeftrends Utrecht aan Leeftrends Houten een reële overeenkomst van geldlening ten grondslag ligt, aan welke conclusie niet afdoet dat deze overeenkomst niet is neergelegd in een ander schriftelijk stuk dan het rekening-courantoverzicht, is de slotsom dat de aandelen in Leeftrends Utrecht bij haar oprichting door Leeftrends Beheer zijn volgestort. De vorderingen zullen derhalve worden afgewezen.
4.4. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op:
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Frieling, mr. G.A. Bos en mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2012.