RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/995006-12 [P] vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 12 juni 2012 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1989] te [geboorteplaats] wonende aan de [adres] te [woonplaats] raadsman mr. C.W.W. Plaat, advocaat te Utrecht 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 mei 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: feit 1: op of omstreeks 2 december 2011 in IJsselstein opzettelijk ongeveer 277 kilogram, althans een grote hoeveelheid, professioneel vuurwerk en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bestemd voor particulier gebruik, heeft opgeslagen en/of voorhanden gehad; feit 2: op of omstreeks 2 december 2012 in IJsselstein opzettelijk ongeveer 277 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid, vuurwerk en/of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad terwijl dit vuurwerk niet was voorzien van de vereiste vermelding en/of afbeelding van de soort van het artikel waaruit blijkt wat de te verwachten effecten tijdens het functioneren waren en/of de naam en/of handelsnaam en/of handelsmerk en/of plaats van vestiging van de fabrikant en/of de categorie waartoe het artikel behoorde; feit 3: op of omstreeks 2 december 2011 in IJsselstein opzettelijk ongeveer 277 kilogram vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voorhanden heeft gehad in een ruimte van de suikerwerkfabriek [bedrijf 1], althans buiten een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is verleend of melding is gedaan krachtens artikel 2.2.4 van het Vuurwerkbesluit. 3 De voorvragen De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde tot een bewezenverklaring kan komen. Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde is de verdediging van mening dat de verdachte niet bewust de grenzen van het aanvaardbare heeft overschreden. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt omtrent de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten het volgende . Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 2 december 2011 bij de [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) in IJsselstein dozen met professioneel vuurwerk, als in de tenlastelegging genoemd, in ontvangst heeft genomen en dat hij deze in de fabriek heeft opgeslagen. Door het observatieteam van de politie is gezien dat op 2 december 2011 diverse dozen vanuit een Mercedes bus het pand van [bedrijf 1] werden ingedragen. In het bedrijfspand van [bedrijf 1] werd verdachte aangetroffen nabij een aantal dozen met illegaal vuurwerk . Het vuurwerk dat in het bedrijfspand van [bedrijf 1] werd aangetroffen is onderzocht. Het bleek te gaan om: - 50 stuks knalvuurwerk met lont, te weten nitraatklappers; - 2 flowerbeds; - 1 Chinese rol T809; - 1 liniaal R502; - 36 mortierbommen. Het transportgewicht betrof in totaal 277 kilogram. Het onderzochte vuurwerk voldoet niet aan de omschrijving van consumentenvuurwerk. Voormeld vuurwerk was niet voorzien van: - een vermelding of afbeelding van het te verwachten effect met betrekking tot het onderzocht vuurwerk; - de handelsnaam/fabrikant/importeur . De rechtbank acht op grond hiervan bewezen dat verdachte op 2 december 2011 in IJsselstein 277 kilogram professioneel vuurwerk voorhanden heeft gehad, welk vuurwerk niet was voorzien van een vermelding of afbeelding met betrekking tot het te verwachten effect en evenmin van de gegevens van de fabrikant. Bewijsoverwegingen Uit het feit dat het vuurwerk is aangetroffen in een loods van een suikerwerkfabriek, de verdachte de levering heeft laten plaatsvinden na sluitingstijd, zodat er niemand meer zou zijn, alsmede uit de verklaring van de verdachte dat niemand in de loods komt en in de loods alleen oude machines, oude kasten en spullen voor beurzen staan , leidt de rechtbank af dat het om een ruimte gaat die niet bestemd is voor de opslag van vuurwerk. Evident is dat voor een suikerwerkfabriek (in beginsel) geen omgevingsvergunning is afgegeven of een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.2.4 van het Vuurwerkbesluit. Nu voorts ook niet is gesteld of gebleken is dat dat voor de onderhavige ruimte het geval was, stelt de rechtbank vast dat verdachte het vuurwerk voorhanden heeft gehad buiten een daarvoor geschikte inrichting. De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde dan ook bewezen. Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat verdachte ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde niet bewust de grenzen van het aanvaardbare heeft overschreden, overweegt de rechtbank dat er bij de onderhavige feiten bij de invulling van de opzet uitgegaan dient te worden van kleurloos opzet. De opzet hoeft zodoende niet gericht te zijn op het naleven van de van toepassing zijnde wettelijke verplichtingen. Samenloop De rechtbank constateert dat hetgeen onder 1, 2 en 3 bewezen wordt geacht betrekking heeft op dezelfde partij vuurwerk, die is aangetroffen in het bedrijfspand waar de verdachte werkzaam is. Daarbij is niet alleen sprake van gelijktijdigheid van handelen, ook wat betreft de strekking van het te beschermen rechtsbelang komt hetgeen onder 1, 2 en 3 bewezen wordt geacht overeen. De eerste drie leden van artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit beogen immers alle, dat handhavend kan worden opgetreden tegen degenen die professioneel vuurwerk (of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik) in strijd met het besluit hebben bestemd voor gebruik door particulieren. De rechtbank acht dan ook artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing en concludeert tot eendaadse samenloop. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.