RECHTBANK UTRECHT Sector handel en kanton zaaknummer: 322992/FT-RK 12.425 uitspraakdatum: 16 juli 2012 uitspraak op grond van artikel 288 van de Faillissementswet (“afwijzing toepassing schuldsanering”) enkelvoudige kamer [verzoeker], wonende [adres], [woonplaats], hierna: verzoeker. Verzoeker heeft op 13 april 2012 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 18 juni
- De behandeling van het verzoekschrift is ter terechtzitting geschorst teneinde de echtgenote van verzoeker gelegenheid te geven om eveneens een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling te doen. De echtgenote van verzoeker heeft bij brief van 29 juni 2012 te kennen gegeven geen verzoek te zullen indienen. De behandeling van het verzoekschrift is voortgezet op 9 juli
- Hierbij zijn verschenen: - de verzoeker; - zijn echtgenote, mevrouw [X]; - mr. M. Menzing, schuldhulpverlener; - mevrouw M. Sellak, schuldhulpverlener. Uit de aan de rechtbank ter beschikking gestelde stukken blijkt het volgende. Verzoeker heeft een totale schuldenlast heeft van € 141.199,
- Het grootste deel van deze schuldenlast bestaat uit vorderingen van de belastingdienst ter grootte van € 84.976,
- Deze vorderingen hebben onder andere betrekking op niet afgedragen inkomstenbelasting, omzetbelasting en bijdragen zorgverzekeringswet over de jaren 2005 tot en met 2009, alsmede uit teruggevorderde zorgtoeslag en kindertoeslag over
- Verzoeker heeft diverse ondernemingen gedreven, tot 1 januari 2010 in de vorm van eenmanszaak en daarna als vennoot van de vennootschap onder firma ‘Schoonmaak & Glazenwasserij Nobel V.O.F.’. Deze laatste onderneming is opgeheven met ingang van 1 november
- De rechtbank overweegt als volgt. Volgens artikel 288 lid 1 sub b van de Faillissementswet wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling - onder meer - slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de verzoeker ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de vijf jaren voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift werd ingediend, te goeder trouw is geweest. Schulden die zijn ontstaan als gevolg van het niet nakomen van aangifteverplichtingen of afdrachtverplichtingen van (omzet)belasting zijn in beginsel niet als te goeder trouw aan te merken. Nu de schuldenlast van verzoeker voor meer dan 60% bestaat uit dergelijke schulden weegt deze overweging zwaarder. Hierbij komt dat verzoeker ter zitting heeft verklaard niet op zijn belastingschulden te hebben afgelost. Over de jaren 2007 tot en met 2009 heeft verzoeker als privé-opnamen respectievelijk € 37.713,00, € 47.885,00 en € 57.131,00 opgenomen uit zijn eenmanszaak. Nu hierover geen of te weinig inkomstenbelasting is afgedragen, zijn deze opnamen grotendeels te beschouwen als netto-inkomen. De hoogte hiervan geeft geen aanleiding te veronderstellen dat verzoeker niet had kunnen aflossen op zijn belastingschulden. Verzoeker heeft niets anders gesteld waaruit zou blijken waarom (met name) deze schulden onbetaald zijn gelaten. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belastingschulden niet te goeder trouw onbetaald zijn gelaten binnen de in artikel 288 lid 1 sub b genoemde termijn van vijf jaar. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient derhalve te worden afgewezen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek af. Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Dijksterhuis en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2012.