RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/655377-12 en vordering tenuitvoerlegging 21/002360-11 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 mei 2012 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1967] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres]. raadsman mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 mei 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in een auto heeft ingebroken en daaruit goederen heeft gestolen en dat hij een winkeldiefstal heeft gepleegd. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de aangiftes, de verhoren van de getuigen, de processen-verbaal van bevindingen en het forensisch onderzoek. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van beide ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot de onder 1 tenlastegelegde auto-inbraak voert de raadsman aan dat zijn cliënt een valide verklaring heeft voor het bezit van een deel van de goederen die uit de auto afkomstig zijn, namelijk dat hij de goederen in de buurt van de auto heeft gevonden in een plastic tas. De tas heeft hij weggegooid omdat deze nat was. Deze gang van zaken is des te overtuigender omdat verdachte slechts een deel van de vermiste goederen bij zich droeg, terwijl de overige uit de auto weggenomen voorwerpen, waaronder een TomTom, niet in de omgeving van de auto zijn aangetroffen, althans daar is geen onderzoek naar gedaan. Weliswaar is 10 dagen later in de surveillanceauto waarin verdachte is vervoerd de TomTom gevonden die kennelijk van de auto-inbraak afkomstig was, maar het is niet bewijsbaar dat deze door verdachte daar is achtergelaten. De op de plaats delict aangetroffen fiets met glas op de bagagedrager was niet van verdachte. De in zijn kleding aangetroffen glasdeeltjes kunnen via de goederen uit de plastic zak daarop terecht zijn gekomen. Overigens geeft verdachte aan dat de handschoenen, waarin glasdeeltjes zijn aangetroffen, niet aan hem toebehoren. Met betrekking tot de onder 2 tenlastegelegde winkeldiefstal wordt aangevoerd dat verdachte niet de intentie had de goederen zonder betaling mee te nemen. Dit is per ongeluk gebeurd omdat hij apart boodschappen voor zichzelf en voor een vriend wilde afrekenen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt het volgende vast: Ten aanzien van feit 1: Op 5 februari 2012 om 02.14 uur kwam er een melding dat op dat moment werd ingebroken in een Opel Zafira die stond op de Carnegiedreef te Utrecht, ter hoogte van de Gambiadreef. Een getuige had zicht op de Opel Zafira van een hem bekende eigenaar. Er stonden geen andere auto’s in de buurt. Hij hoorde ineens een doffe klap en glasgerinkel en zag een persoon staan aan de bijrijderzijde van deze auto. De manspersoon was alleen. De getuige zag dat er vervolgens iemand op een fiets langskwam en dat de persoon die bij de auto stond van de auto wegliep en in het donker onder de flat ging staan. Nadat de fietser voorbij was, liep de persoon weer naar de Opel Zafira. De getuige belde de politie terwijl de persoon nog steeds bij de auto stond. Een minuut later waren de verbalisanten ter plaatse. Zij zagen een man over de Carnegiedreef lopen. De man liep op 10 meter afstand van de Opel Zafira. Behalve deze man zagen zij niemand op straat lopen. De man hield een fiets in zijn hand en had een rugzak om. De man, verdachte [verdachte], werd door verbalisanten staande gehouden. Desgevraagd toonde verdachte de inhoud van zijn rugtas, waarin onder meer een zwart stuk plastic met het logo van TomTom-navigatie en een TomTomhouder zat. Verbalisant Derksen zag dat het raam van het bijrijdersportier van de Opel Zafira was ingeslagen. In de opengebroken auto werd eenzelfde stuk plastic met TomTom-logo aangetroffen. De inhoud van de rugtas – onder meer TomTom-snoer, een TomTom-houder, een Nokia-oplader, een blauwe aansteker, een portemonneetje, schoonmaakdoekjes en snoepjes- is in beslag genomen. Een iets later ter plaatse gekomen verbalisant hoorde verdachte zeggen dat de fiets tegen de muur van hem is. Deze verbalisant zag een stuk glas op de bagagedrager van de fiets liggen. Dit glas is in beslag genomen. Op de grond, naast verdachte en de fiets, lag een roodkleurige schroevendraaier. Op de stoep tussen de Opel Zafira en de plaats van staande houding lag een schroevendraaier met een geel handvat. De jas van verdachte en de handschoenen uit zijn jaszak zijn in beslag genomen. Verbalisanten zagen dat in de jaszak van verdachte glassplinters zaten. Op 5 februari 2012 deed [benadeelde] aangifte van diefstal van goederen uit haar auto, de Opel Zafira. Zij zag dat een portierruit kapot was. Zij miste uit de auto een TomTom, een oplaadsnoer van een TomTom, een oplaadsnoer van een Nokia telefoon, een oplader van een Iphone, oordopjes voor een Iphone, een houder voor de TomTom, een thermosbeker met kleingeld, een pak schoonmaakdoekjes, een blauwe aansteker, een portemonneetje met bloemetjes en oranje snoepjes. Zij herkende de goederen die onder de verdachte in beslag waren genomen en aan haar werden getoond als haar eigendommen, afkomstig uit haar auto: het TomTom-snoer, de TomTom-houder, de Nokia-oplader, de blauwe aansteker, het portemonneetje, de schoonmaakdoekjes en de oranje snoepjes. Het NFI heeft de glasdeeltjes die zijn aangetroffen op/in de jas en de handschoenen van verdachte en de glasdeeltjes afkomstig van de fiets (tezamen aangeduid als ‘vreemd glas’) vergeleken met glas afkomstig van de vernielde ruit van de auto (aangeduid als ‘referentieglas’). In het onderzoek naar de glasdeeltjes zijn door het NFI twee hypotheses opgesteld en getoetst. Gebleken is dat de hypothese dat het vreemd glas afkomstig is van het referentieglas veel waarschijnlijker is dan de hypothese dat het vreemd glas afkomstig is van willekeurige andere ruiten of glazen objecten. Bewijsoverweging: De rechtbank is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, als hierboven vermeld. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. De verklaringen van verdachte – over een mogelijk alternatief scenario – acht de rechtbank niet aannemelijk, temeer nu deze verklaringen van verdachte op essentiële onderdelen inconsistent zijn en zij geen steun vinden in de hiervoor genoemde bewijsmiddelen. In het bijzonder neemt de rechtbank daarbij het volgende in aanmerking. Verdachte is om 02.15 uur ’s nachts – één minuut na de melding van de auto-inbraak – vlakbij de Opel Zafira aangetroffen. Een ooggetuige heeft verklaard dat hij – kort nadat hij glasgerinkel hoorde – één persoon bij de auto heeft gezien en dat hij daarna direct de politie heeft gebeld. Verbalisanten zien, eenmaal ter plaatse, verdachte met een fiets lopen. Verder zien zij niemand op straat. Op de fiets – waarvan verdachte eerst zegt dat deze aan hem toebehoort maar daar later op terugkomt en zelfs verklaart dat hij in het geheel niet met een fiets liep – wordt een glasscherf aangetroffen. Ook in de kleding van verdachte worden glasdeeltjes aangetroffen. Verdachte heeft daarvoor geen aannemelijke verklaring kunnen geven. De glasdeeltjes tonen overeenkomsten met het glas van de gebroken autoruit van de Opel Zafira van aangeefster. Met betrekking tot de bij verdachte aangetroffen goederen heeft verdachte wisselend verklaard. Over de snoepjes verklaarde hij dat deze van hem waren en dat hij deze op de Kanaalstraat had gekregen, terwijl aangeefster deze snoepjes en andere onder verdachte in beslag genomen voorwerpen herkent als voorwerpen die aan haar toebehoren en die uit haar auto zijn weggenomen. Pas in zijn tweede verklaring tegenover de politie geeft verdachte aan dat hij de goederen in zijn rugzak had gevonden in een plastic zak. Gelet op de korte tijdspanne tussen de melding van de auto-inbraak en het aantreffen van verdachte op de plaats delict acht de rechtbank dit niet aannemelijk. Ook verklaart verdachte in een later verhoor tegenover de politie dat hij twee manspersonen op straat heeft zien lopen, terwijl hij ter terechtzitting verklaart dat hij niemand op straat heeft gezien. Nu noch de ooggetuige noch verbalisanten meer dan één persoon in de omgeving van de auto hebben zien lopen, acht de rechtbank evenmin aannemelijk dat een ander dan verdachte – zijnde die persoon – goederen uit de Opel Zafira heeft weggenomen. Op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, acht de rechtbank het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 2: Op 22 februari 2012 zag een beveiligingsmedewerker via de camerabeelden dat verdachte in de Plus supermarkt aan de Voorstraat in Utrecht enkele goederen onder zijn jas stopte. Nadat verdachte voor andere goederen bij de kassa had betaald, heeft de beveiliger verdachte aangesproken. Verdachte bleek een pak koffiebroodjes en een rol aluminiumfolie in zijn jas te hebben die hij niet had afgerekend. Namens de Plus in de Voorstraat is aangifte gedaan van de diefstal. Op camerabeelden, afkomstig van de winkel, is te zien dat verdachte met een winkelmandje loopt en handelingen verricht die erop kunnen duiden dat hij vermoedelijk iets onder zijn jas stopt, waarna hij zijn jas aan de rechterkant goed trekt. Voorts is zichtbaar dat de verdachte ter hoogte van de kassa staat en handelingen verricht welke erop kunnen duiden dat hij iets afrekent. Daarna is te zien dat verdachte met versnelde pas bij de kassa vandaan komt lopen, waarna hem door een beveiliger de weg wordt geblokkeerd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij boodschappen onder zijn oksel heeft gestopt en deze niet heeft afgerekend. Bewijsoverweging: Verdachte heeft verklaard dat hij de boodschappen voor zichzelf en die voor zijn vriend gescheiden wilde houden en boodschappen onder zijn oksel heeft gestopt om zijn handen vrij te houden. Hij is daarna vergeten de verstopte boodschappen af te rekenen. Hij ontkent dat hij de bedoeling had om te stelen. De rechtbank acht deze verklaring onaannemelijk: het ging om een gering aantal goederen, dat ook in een winkelmandje goed gescheiden is te houden. Daarnaast is het bewaren van boodschappen onder de oksel niet gebruikelijk en is het slecht voorstelbaar dat door het op deze moeizame wijze vasthouden van boodschappen vergeten wordt deze ter betaling aan te bieden. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.