RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/600308-11 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 september 2012 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1986] te [geboorteplaats], wonende te [adres]. Raadsvrouw mr. M. Grinwis-Veldman, advocaat te Utrecht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is behandeld op de zittingen van 8 juli 2011, 30 september 2011, 11 oktober 2011, 8 december 2011, 27 januari 2012, 20 april 2012 en 12 juni 2012 en vervolgens inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 4, 5, 6, 7 en 13 september 2012, waarbij de officier van justitie, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1 primair: samen met een ander op 27 maart 2011, of in de dagen daaraan voorafgaand - al dan niet met voorbedachten rade – [N], geboren op [2007] heeft gedood door – al dan niet met voorbedachten rade – met kracht geweld op de buik en/of het lichaam van [N] uit te oefenen, ten gevolge waarvan [N] is overleden; feit 1 subsidiair: medeplichtig is aan voornoemd feit, door [medeverdachte] opzettelijk de gelegenheid te geven geweld tegen haar kind, [N], te gebruiken, terwijl zij wist of had moeten weten van dit geweld; feit 1 meer subsidiair samen met een ander op 27 maart 2011, of in de dagen daaraan voorafgaand - al dan niet met voorbedachten rade - haar eigen kind, [N], zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door - al dan niet met voorbedachten rade – met kracht geweld op de buik en/of het lichaam van [N] uit te oefenen, ten gevolge waarvan [N] is overleden; feit 1 meer subsidiair medeplichtig is aan voornoemd feit, door [medeverdachte] opzettelijk de gelegenheid te geven haar kind, [N], zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, terwijl zij wist of had moeten weten van dit geweld; feit 1 meer subsidiair samen met een ander op 27 maart 2011, of in de dagen daaraan voorafgaand - al dan niet met voorbedachten rade – haar eigen kind, [N], heeft mishandeld door - al dan niet met voorbedachten rade – met kracht geweld op de buik en/of het lichaam van [N] uit te oefenen, ten gevolge waarvan [N] is overleden; feit 1 meer subsidiair medeplichtig is aan voornoemd feit, door [medeverdachte] opzettelijk de gelegenheid te geven haar kind, [N], te mishandelen, terwijl zij wist of had moeten weten van dit geweld; feit 1 meer subsidiair: op 27 maart 2011, of in de dagen daaraan voorafgaand, haar eigen kind, [N] de Jong, geboren op [2007], opzettelijk in een hulploze toestand heeft gebracht en/of gelaten, ten gevolge waarvan [N] is overleden feit 1 uiterst subsidiair op 27 maart 2011, of in de dagen daaraan voorafgaand, grovelijk althans aanmerkelijk onvoorzichtig/onachtzaam of nalatig heeft gehandeld door [medeverdachte] in de gelegenheid te stellen [N] te mishandelen, terwijl zij wist of geweten moet hebben dat hij [N] eerder had mishandeld, waardoor het aan haar schuld te wijten is dat [N] is overleden; feit 2: samen met een ander in de periode van 1 januari 2010 tot en met 27 maart 2011 – al dan niet met voorbedachten rade - [N], geboren op [2007], haar eigen kind, heeft mishandeld door deze - al dan niet met voorbedachten rade – (met) kracht te stompen en/of slaan tegen en/of op diverse delen van zijn lichaam en/of hoofd, chemisch/thermisch/mechanisch botsend geweld toe te passen op het gezicht, met kracht bij de nek/hals heeft gepakt en/of geknepen, zuigzoenen op het lichaam heeft gegeven en/of gebeten, tegen een bankstel/meubelstuk heeft gegooid en een elleboog uit de kom heeft getrokken en/of medeplichtig is aan voornoemd feit door [medeverdachte] opzettelijk de gelegenheid te geven haar kind te mishandelen, terwijl zij wist of had moeten weten van dit geweld. 3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht, op nader in het schriftelijke requisitoir beschreven gronden, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Wel acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde daar waar het betreft de medeplichtigheid aan de zware mishandeling, de dood ten gevolge hebbend, van [N] (haar eigen kind) door [medeverdachte]. De officier van justitie acht hetgeen onder feit 1 meer subsidiair meer en anders ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen. Voorts acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 ten laste gelegde, te weten medeplichtigheid aan de mishandeling van [N], haar eigen kind, door [medeverdachte] door het slaan/stompen tegen het lichaam (borst/buik/hoofd), door hem krachtig bij zijn nek te pakken en hem tegen een bankstel te gooien. De officier van justitie acht ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [N] heeft mishandeld. Ook de medeplichtigheid aan de mishandeling van [N] door het drukken met een verhit voorwerp in het gezicht, het geven van zuigzoenen en het uit de kom trekken van een elleboog acht zij niet bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich, op nader in haar pleitnotities beschreven gronden, op het standpunt dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten. De standpunten die de verdediging daartoe naar voren heeft gebracht zullen hieronder worden besproken bij het feit waarop het betreffende standpunt betrekking heeft. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 1 Overlijden [N] Op 27 maart 2011 overleed [N] (hierna te noemen [N]), een jongetje van 3 jaar oud, in het UMC te Utrecht. Door de dienstdoende trauma-artsen, onder wie een kinderarts, kon de oorzaak van het overlijden niet worden vastgesteld, reden waarom geen verklaring van natuurlijk overlijden werd afgegeven. Door de schouwarts werd in het UMC de schouw gedaan. Daarbij werden afwijkende zaken aangetroffen. Volgens de schouwarts betrof dit onverklaard letsel. Door hem werd een verklaring van niet-natuurlijk overlijden afgegeven en werd een gerechtelijke sectie geadviseerd. Op het lichaam van [N] werd op 28 maart 2011 bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) sectie verricht door de patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe. Daarnaast heeft drs. R.A.C. Bilo van het NFI de bevindingen naar aanleiding van de sectie bekeken en beoordeeld. Drs. Bilo is een forensisch arts die gespecialiseerd is in het beoordelen in hoeverre letsels bij kinderen mogelijkerwijs het gevolg zijn van kindermishandeling. Beide deskundigen hebben verslag van hun bevindingen uitgebracht en zijn ter zitting als deskundige gehoord. Oorzaak overlijden [N] De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat uit de bevindingen van beide deskundigen volgt dat bij de sectie van [N] in en aan de buik letsels (diverse blauwe plekken op de (onder)buik, perforaties in de dunne darm, pancreasschade en bloedingen) zijn aangetroffen, welke het gevolg waren van de inwerking van heftig uitwendig mechanisch botsend geweld op de buik. Ten gevolge van voornoemd geweld zijn bloedingen in de dunne darm opgetreden. Deze bloedingen hebben geleid tot verwekingen in de dunne darm, waarna perforaties zijn opgetreden in de delen van dunne darm die verzwakt waren door de aanwezigheid van de inwendige bloedingen. Als gevolg van de perforaties, is de inhoud van de darmen in de buikholte terecht gekomen en is een buikvliesontsteking opgetreden, gevolgd door de ontwikkeling van een bloedvergiftiging. Dit heeft uiteindelijk geleid tot het overlijden van [N] op 27 maart 2011, en [N]s overlijden wordt daardoor volledig verklaard. Oorzaak letsel [N] Voormelde bij [N] aangetroffen letsels zijn volgens reeds genoemde deskundigen het gevolg van de inwerking van heftig uitwendig mechanisch botsend geweld op de buik, zoals bijvoorbeeld door heftig slaan, duwen/drukken, stompen kan worden opgeleverd. Dergelijk letsel komt niet voor bij normale ongevallen in en rond het huis, zoals het vallen met een fiets of het botsen tegen een tafelrand; dergelijke ongevallen leiden niet tot zulk ernstig letsel. Als dergelijk letsel het gevolg van een ongeluk zou zijn, dan zou de oorzaak zeer ernstig geweest moeten zijn, zoals bijvoorbeeld een verkeersongeval of een val van grote hoogte. Uit het uitgebreide onderzoek dat in deze zaak is verricht, is op geen enkele wijze gebleken dat zich in de dagen voorafgaand aan het overlijden van [N] een dergelijk ernstig ongeval of een soortgelijk incident heeft voorgedaan. Niemand heeft hierover verklaard, ook verdachten niet. Om die reden acht de rechtbank het, in aansluiting op genoemde deskundigen, uitgesloten dat de letsels het gevolg zijn geweest van een ongeluk/ongeval in de huiselijke sfeer. De deskundigen sluiten, op basis van hun eigen onderzoek en bevindingen en het verrichte toxicologisch-/, neuropathologisch-/ en microbiologisch onderzoek andere oorzaken (ziekelijke aandoening en/of een medische reden) voor het overlijden en voor het ontstaan van de buikvliesontsteking, nadrukkelijk uit. Een niet-accidentele toedracht (letsel als gevolg van menselijk handelen) achten de deskundigen dan ook zeer veel meer waarschijnlijk dan een accidentele toedracht (val of ongeval). De rechtbank concludeert op grond van voorgaande feiten en omstandigheden dat [N] is overleden ten gevolge van heftig (op de buik uitgeoefend) geweld, toegebracht door menselijk handelen. Tijdsverloop van toebrengen letsel tot het overlijden van [N] Uit de bevindingen van de beide deskundigen blijkt dat er bij [N] waarschijnlijk sprake was van een indirecte perforatie van de darm. Dat betekent dat het uitgeoefende geweld niet meteen tot een perforatie van de darm heeft geleid. De periode tussen het uitgeoefende geweld en het ontstaan van een bloeding in de darmwand kan volgens deskundigen enkele uren tot enkele dagen bedragen. Ook de tijd gelegen tussen de bloeding en het ontstaan van een perforatie in de dunne darm kan enige dagen bedragen. Voorts kan de periode tussen het ontstaan van de perforatie tot aan het moment dat er een zodanige schade in de buik (buikvliesontsteking, lucht in de buik etc.) ontstaat dat dit merkbaar is, ook uren tot dagen bedragen. Dr. Bilo geeft dat aan dat aannemelijk is dat er op het moment dat [N] fors is gaan braken en zijn buik is gaan opzwellen – dat was op 26 maart 2011 -, al sprake was van een perforatie. Op grond van bovenstaande bevindingen concludeert de rechtbank dat het totale tijdsverloop tussen het moment waarop het geweld op [N] werd uitgeoefend, en het moment waarop [N] als gevolg daarvan overleed kan variëren van enkele uren tot enkele dagen en zelfs tot meer dan een week. Ondanks uitvoerig onderzoek en uitvoerige bevraging van deskundigen ter zitting heeft het forensisch onderzoek en het onderzoek ter terechtzitting geen enkele aanwijzing opgeleverd omtrent de identiteit, de sekse of eigenschappen van degene of degenen die voormeld geweld op [N] heeft of hebben uitgeoefend. Uit het dossier volgt wel dat [N] op dinsdag 22 maart 2011 bij verdachten terug in huis is gekomen nadat hij bij een zus van verdachte had gelogeerd. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat er vóór 22 maart 2011 iets is voor gevallen dat het door [N] opgelopen letsel zou kunnen verklaren. De rechtbank acht het derhalve onaannemelijk dat het geweld waaraan [N] uiteindelijk is overleden op hem is uitgeoefend vóór dinsdag 22 maart 2011. Op basis van vorenstaande feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat de periode waarin de geweldshandeling, welke uiteindelijk heeft geleid tot het overlijden van [N], heeft plaatsgevonden, redelijkerwijs beperkt kan worden tot de periode gelegen tussen dinsdag 22 maart 2011 en zaterdagmiddag 26 maart 2011. De rechtbank overweegt voorts dat uit het dossier blijkt dat in genoemde periode [N] overwegend thuis in de woning van verdachte, zijn moeder, verbleef. In die woning verbleven in die periode tevens, al dan niet gedurende de gehele periode of ononderbroken, verdachte [medeverdachte] (de partner van verdachte) en een persoon genaamd [X] (alias “[X]”). Uit de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] blijkt dat zij in de betreffende periode beiden op meerdere momenten niet alleen gezamenlijk maar ook alleen met [N] in de woning zijn geweest. Uit de verklaringen van [X] volgt dat hij in de dagen voorafgaand aan het overlijden van [N] in ieder geval één keer (waarschijnlijk van donderdag op vrijdag) en mogelijk twee keer, in de woning van verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] aanwezig is geweest en heeft geslapen terwijl [N] daar aanwezig was. [X] sliep op dezelfde verdieping als waar de slaapkamer van [N] gelegen was, terwijl de slaapkamer van verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] één verdieping lager was gelegen. [X] heeft verklaard dat hij bij die gelegenheid zelf ook in de slaapkamer van [N] is geweest, terwijl deze daar in bed lag. Verdachte en [medeverdachte] waren daar toen niet bij aanwezig. De rechtbank heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden dat anderen dan de drie hiervoor genoemde personen in genoemde periode in de gelegenheid zouden zijn geweest het uiteindelijk noodlottige letsel aan [N] toe te brengen. Ook het dossier is met name toegespitst op de (mogelijke) rol die [medeverdachte] en verdachte bij het overlijden van [N] zouden hebben gehad. Zij zijn ook formeel als verdachten aangemerkt. Het openbaar ministerie heeft [X] niet als verdachte aangemerkt. Hierdoor - en vermoedelijk ook door diens onvindbaarheid sedert mei 2011- is over zijn achtergrond en eventuele wetenschap van feiten welke de dood van [N] zouden kunnen verklaren slechts in beperkte mate informatie aanwezig. De rechtbank heeft bij haar beoordeling of bewezen kan worden geacht of verdachte het haar primair ten laste gelegde feit heeft begaan niet alleen de bewijsmiddelen tegen verdachte in ogenschouw genomen, maar ook die waaruit mogelijkerwijs de betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte] en genoemde [X] bij het verdachte ten laste gelegde feit zou kunnen blijken. De bewijsmiddelen tegen deze personen zijn ook in hun onderlinge relatie bezien. Als belastend te duiden bewijs tegen de ene verdachte kan immers onder omstandigheden ook bijdragen aan het ontstaan van (redelijke) twijfel omtrent de schuld van een andere verdachte. Dit is temeer aan de orde als er, zoals in casu, geen aanwijzingen zijn dat de verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] en/of [X] zouden hebben samengewerkt of in enigerlei vorm tezamen zijn betrokken bij het geweld dat tot het overlijden van [N] heeft geleid. De rechtbank constateert voorts dat er zich in het dossier geen getuigenverklaringen bevinden, waaruit de betrokkenheid van verdachte bij het haar onder 1 ten laste gelegde feit rechtstreeks zou kunnen blijken. Zoals reeds opgemerkt, heeft ook het forensisch onderzoek niet dergelijk rechtstreeks bewijs opgeleverd. Het door de officier van justitie aangevoerde bewijs berust dan ook zo niet geheel, dan toch nagenoeg uitsluitend, op verklaringen van getuigen omtrent eerdere gedragingen van verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] jegens [N]. Mede gezien de tijdstippen waarop en de omstandigheden waaronder deze getuigenverklaringen zijn afgelegd, heeft de rechtbank deze verklaringen, ook door het horen van de betreffende getuigen ter zitting, zeer zorgvuldig bestudeerd en beoordeeld op onder meer betrouwbaarheid en consistentie. Hetzelfde geldt ten aanzien van bewijsmiddelen waaruit mogelijkerwijs de betrokkenheid van de medeverdachte [medeverdachte] en/of van [X] zou kunnen worden afgeleid. Dat heeft geleid tot de navolgende beschouwing en bevindingen. Bewijsmiddelen en overige informatie betreffende verdachte [verdachte]. a. CIE informatie Uit een door de politie opgemaakt proces-verbaal d.d. 1 april 2011 volgt dat in maart 2011, dus zeer kort na het overlijden van [N], als betrouwbaar aangemerkte CIE-informatie is ontvangen waarin –kort gezegd– werd aangeven dat verdachte [verdachte], kort na het overlijden van [N], in een telefoongesprek met [A] gezegd zou hebben dat zij ([verdachte]) [N] kort voor zijn overlijden in zijn buik had geschopt. De rechtbank overweegt dat de juistheid van deze informatie op geen enkele manier is bevestigd. Dit ondanks het horen van een groot aantal getuigen door de politie en de rechter-commissaris, waarbij hun onder andere werd gevraagd of zij wetenschap hadden van een dergelijk gesprek. Verdachte en [A] hebben ook ter terechtzitting ontkend dat in een telefoongesprek tussen hen een dergelijke mededeling door [verdachte] zou zijn gedaan. Nu niet is komen vast te staan dat de genoemde informatie op waarheid berust, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank zodanige twijfel omtrent het waarheidsgehalte van voornoemde informatie, dat deze niet in voor verdachte belastende zin bruikbaar kan worden geacht. b. Getuigenverklaringen van [B]en [C] Getuige [B] heeft op 30 augustus 2012 bij de rechter-commissaris verklaard dat [verdachte] in een telefoongesprek tegen haar gezegd zou hebben: “Ik heb hem vermoord ja … lekker.”. Hieraan ging een woordenwisseling tussen beide vrouwen vooraf waarbij men elkaar over en weer verwijten maakte met betrekking tot de opvoeding van kinderen en waarbij [B]i [verdachte] had uitgemaakt voor: “vieze vuile moordenaar”. [C], een zus van [B], heeft ter terechtzitting d.d. 4 september 2012 bevestigd dat [verdachte] een dergelijke uitspraak heeft gedaan. De rechtbank acht het, gelet op vorenstaande verklaringen, aannemelijk dat een dergelijke of soortgelijke uitspraak door [verdachte] is gedaan. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op de ruzie tijdens het gesprek en de context waarin een en ander heeft plaatsgevonden, aan de uitspraak van [verdachte] geen (vergaande) conclusies kunnen worden verbonden ten aanzien van de schuld of onschuld van verdachte met betrekking tot het overlijden van [N]. c. Verklaring van medeverdachte [medeverdachte] Medeverdachte [medeverdachte] (hierna te noemen: [medeverdachte]) heeft ter terechtzitting verklaard dat, voordat verdachte op zaterdag 26 maart 2011 de woning verliet, zij boven had geschreeuwd tegen [N]. Nadat zij de woning had verlaten, kwam [N] huilend naar beneden, wees hij naar zijn buik en zei hij “Mama gedaan”. Deze verklaring heeft geen bevestiging uit andere bron gekregen. Evenmin is deze informatie echter uit onafhankelijke bron weersproken. Aangezien niet met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten dat [medeverdachte] deze verklaring slechts heeft afgelegd om zichzelf te ontlasten, is de rechtbank van oordeel dat deze verklaring niet in voor verdachte belastende zin bruikbaar kan worden geacht. d. Eigen verklaringen van verdachte [verdachte] Het is de rechtbank opgevallen dat verdachte tijdens verhoren bij de politie telkens wisselend, en op onderdelen aantoonbaar onjuist, verklaard heeft over de gebeurtenissen in de dagen voorafgaande aan het overlijden van [N]. Zij leek daarbij haar relaas regelmatig aan te passen aan de hand van de haar verstrekte of haar bekend geworden onderzoeksinformatie. Wanneer zij ter terechtzitting met dergelijke inconsistenties werd geconfronteerd, en daardoor in het nauw werd gebracht, beriep zij zich vervolgens telkens op haar zwijgrecht. e. Overige bewijsmiddelen Uit het dossier blijkt dat de verdachte kort voor het overlijden van [N] onder grote druk stond, omdat zij enige dagen later naar de rechtbank moest in verband met een door de Raad voor de Kinderbescherming ingediend verzoek tot (hernieuwde) ondertoezichtstelling van [N]. Ook blijkt dat [verdachte] zich door de zorg voor [N] in haar vrijheid belemmerd voelde. De rechtbank acht bij vonnis van heden bewezen dat verdachte [N] enige dagen voor zijn overlijden heeft mishandeld door hem letsel in het gezicht toe te brengen en voorts dat zij gedurende langere tijd onder meer door het verzinnen van verhalen over de oorzaken van letsel bij [N] zijn mishandeling door de medeverdachte [medeverdachte], haar partner, heeft afgedekt. De rechtbank is op grond van in het bijzonder de hiervoor onder d. en e. genoemde feiten en omstandigheden van oordeel, dat het aan de rechtbank voorgelegde dossier vragen oproept omtrent betrokkenheid van [verdachte] bij de uiteindelijk fatale mishandeling van [N], of wetenschap daarvan. De rechtbank kan deze betrokkenheid echter niet buiten redelijke twijfel vaststellen Bewijsmiddelen tegen medeverdachte [medeverdachte] a. De getuigenverklaring van [X] (bijgenaamd “[X]”) [X] heeft aanvankelijk op 11 mei 2011 en 19 mei 2011 – zakelijk weergegeven - verklaard dat hij de dagen voorafgaand aan het overlijden van [N] gedurende 1 of 2 nachten in de woning waar verdachte en medeverdachte [medeverdachte] woonden, had verbleven. Bij gelegenheid van die verhoren verklaarde hij niets over enig geweld dat door [medeverdachte] op [N] zou zijn uitgeoefend. Op 20 juni 2011, ruim een maand later, meldde hij zich opnieuw bij de politie en verklaarde toen dat hij heeft gezien hoe [medeverdachte] [N] tot driemaal toe zou hebben mishandeld. [medeverdachte] zou, twee tot drie weken voor overlijden van [N], [N] hard in zijn buik gestompt hebben terwijl hij [N] met zijn linkerhand om zijn mondje ruggelings tegen zich aandrukte. Enkele dagen tot een week later zou [medeverdachte] [N] met zijn vuist op zijn hoofd geslagen hebben. Later, de derde keer, zou [medeverdachte] [N] eerst omhoog gegooid hebben en daarna tegen het bankstel. De rechtbank heeft – evenals de verbalisanten die de verhoren afnamen - geconstateerd dat [X] tijdens zijn diverse verhoren warrig was, wisselend en tegenstrijdig verklaarde en niet in staat was data en tijdstippen correct te benoemen. Hij verklaart ook niet over mishandelingen van [N] in de week voorafgaand aan zijn overlijden. Het valt voorts op dat [X] na het afleggen van zijn laatste -voor verdachte belastende- verklaring op 20 juni 2011 spoorloos is verdwenen. Ondanks nationale en internationale signalering en inspanningen van de zijde van het Openbaar Ministerie en de politie is het tot op heden niet gelukt [X] te traceren. Dit laatste brengt met zich dat er tot op heden zowel voor de verdediging als voor de rechtbank en de officier van justitie geen mogelijkheden zijn geweest om, ofwel bij de rechter-commissaris, dan wel ter terechtzitting, de door [X] afgelegde verklaringen op waarheid en/of betrouwbaarheid te toetsen. De rechtbank is op basis van het bovenstaande van oordeel dat de betrouwbaarheid van de thans beschikbare door [X] afgelegde verklaringen dermate onzeker is, dat daaraan geen (vergaande) conclusies ten aanzien van de schuld of onschuld van [medeverdachte] kunnen worden verbonden. b. De getuigenverklaring van [D] Op 24 augustus 2011 krijgt de politie via een medewerker van het Centrum Maliebaan bericht dat een cliënt, [D], in de penitentiaire inrichting van een medegedetineerde, die er van werd verdacht een klein kind om het leven te hebben gebracht, details omtrent het misdrijf heeft gehoord. [D] heeft vervolgens op 16 september 2011 verklaard dat [medeverdachte] in de penitentiaire inrichting in Nieuwegein tegenover hem verklaard zou hebben dat hij, [medeverdachte], [N] uit het niets, per ongeluk een paar stompen had gegeven, waarna [N] een paar dagen later overleden was. [D] heeft later, op 30 november 2011, bij de rechter-commissaris ontkend dat [medeverdachte] zoiets tegen hem gezegd zou hebben. Dit heeft [D] op 5 december 2011 onder ede bij de rechter-commissaris herhaald. Vervolgens is [D] ter terechtzitting op 8 december 2011 op deze laatste twee verklaringen teruggekomen en heeft hij zijn, in eerste instantie, bij de politie afgelegde verklaring herhaald. De rechtbank overweegt dat [D] in een korte periode zeer wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over hetgeen [medeverdachte] tegen hem gezegd zou hebben, over hoe lang hij [medeverdachte] kent, over de stukken die hij wel of niet gezien zou hebben en de informatie die hij daaruit wel of niet zou hebben verkregen. Voorts kan [D] geen enkele specifieke informatie geven over hetgeen er gebeurd zou zijn, zoals waar [N] geslagen zou zijn, hoe vaak e.d. Verder heeft getuige [E], die gelijktijdig met [medeverdachte] en [D] in dezelfde penitentiaire inrichting verbleef, verklaard dat hij samen met [D], voordat [D] zijn - voor [medeverdachte] - belastende verklaring had afgelegd, het dossier of delen daarvan heeft gelezen, waaronder de verklaring van [X]. Ook heeft getuige [E] aangegeven dat [D] hem had verteld dat hij [medeverdachte] niet mocht en voor de grap zou vertellen dat [medeverdachte] tegenover hem bekend had. [D] heeft verder desgevraagd aangegeven dat hij ten tijde van zijn eerste melding bij de politie bezig was met het bewerkstelligen van een overplaatsing naar een andere penitentiaire inrichting. De verdediging heeft geopperd dat hierin ook een motief zou kunnen liggen voor [D] om valselijk belastend te verklaren over [medeverdachte]. Een in deze zaak afgelegde verklaring tegen [medeverdachte] zou [D] in dat verband immers extra goodwill bij justitie kunnen opleveren en aldus de door hem gewenste overplaatsing dichterbij kunnen brengen. Tijdens zijn verhoor ter terechtzitting heeft [D] deze twijfel omtrent de zuiverheid van zijn motieven naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen wegnemen. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de betrouwbaarheid van de door [D] afgelegde verklaringen dermate onzeker is, dat daaraan geen (vergaande) conclusies ten aanzien van de schuld of onschuld van [medeverdachte] kunnen worden verbonden. c. De getuigenverklaring van [F] [F] heeft op 4 november 2011 verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] in de penitentiaire inrichting in Nieuwegein (P.I.) tegenover hem heeft verklaard dat hij, [medeverdachte], het kind (hierna te noemen: [N]) had geslagen. Bij de rechter-commissaris op 30 november 2011 verklaarde getuige vervolgens -zakelijk weergegeven- het navolgende. [medeverdachte] heeft tegenover mij verklaard dat [N] niet wilde slapen. Zijn moeder (verdachte [verdachte]) was al een paar keer naar hem toe geweest. [medeverdachte] is vervolgens naar [N] toegegaan. [N] lag in bed en hij heeft toen zijn hand op de mond van [N] gelegd, zodat hij op zou houden met huilen, Hij heeft hem toen twee of drie stompen in zijn buik gegeven. Hij zei dat het niet zijn bedoeling was dat het kind zou overlijden. Vier dagen later is [N] overleden. Een aantal dagen voordat hij [N] had geslagen, zou [N] ziek zijn geweest. Zijn moeder was enkele dagen voor het slaan nog met [N] naar de dokter geweest. De ochtend na het slaan was [N] niet lekker. De moeder dacht dat [N] nog griep had en had daarom gewacht om naar de dokter te gaan. [N] was vier dagen lang aanhankelijk geweest, was niet lekker en speelde niet. Op de terechtzitting van 8 december 2011 weigerde [F] een verklaring af te leggen omdat hij het niet eens was met het feit dat hij was overgeplaatst naar een gesloten inrichting. Ten tijde van de zitting d.d. 20 april 2012 was [F] inmiddels vrijgekomen in het kader van een voorwaardelijke invrijheidsstelling en bevestigde hij zijn eerder bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring. [F] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij, [F], binnen de P.I. bij een groepje hoorde dat er van overtuigd was dat [medeverdachte] verantwoordelijk was voor de dood van [N], dit speelde een week voordat hij het gesprek met [medeverdachte] had. Dit groepje wilde [medeverdachte] flink aanpakken. De rechtbank overweegt dat uit het vorenstaande afgeleid kan worden dat [F] kennelijk enig belang had bij het afleggen van een verklaring omtrent [medeverdachte] en dat [F] kennelijk negatieve gevoelens en/of bedoelingen had ten aanzien van [medeverdachte], nog voordat [F] zijn, voor [medeverdachte] zeer belastende, verklaring, aflegde. De rechtbank constateert daarnaast dat de gedetailleerde verklaring van [F] op een aantal punten wordt weersproken en/of niet wordt bevestigd. Zo volgt uit het dossier niet dat [N] tot op de zaterdag (26 maart 2011) voor zijn overlijden ziek zou zijn geweest of anderszins bijzonder of afwijkend gedrag vertoonde. Integendeel, uit getuigenverklaringen blijkt dat [N] speelde, buiten voetbalde, patat at en snoepte. Het bezoek aan de huisarts op de vrijdag (25 maart 2011) voor zijn overlijden betrof alleen de plek op zijn wang en de huisarts zijn geen bijzonderheden omtrent het gedrag van [N] opgevallen. Hetgeen [F] heeft gezegd over de dagen voorafgaand aan het moment dat er geslagen of gestompt zou zijn, kan niet juist zijn. Uit het dossier blijkt dat [N] in de periode van 17 tot en met 22 maart 2011 bij de zus van verdachte verbleef en toen niet ziek was. [medeverdachte] heeft in die dagen geen contact gehad met [N]. Ook blijkt uit het medische dossier dat verdachte in die periode niet met [N] bij de dokter is geweest. Voorts heeft de rechtbank geconstateerd dat er in de periode voorafgaande aan de eerste verklaring van [F] zowel binnen als buiten de P.I. veel werd gesproken over de onderhavige zaak en dat daarbij de wildste geruchten de ronde deden. Op basis van getuigenverklaringen acht de rechtbank daarbij tevens aannemelijk dat (delen van) het dossier van [medeverdachte] in het bezit van derden was/waren en/of door derden, ook binnen de P.I., was/waren ingezien, waaronder mogelijk ook de reeds eerder door [X] afgelegde verklaring tegen [medeverdachte], welke verklaring op enkele punten overeenkomsten vertoont met de door [F] afgelegde verklaring. Ook bevond zich in dat dossier medische informatie omtrent (de oorzaken van) het letsel van [N]. Derhalve kan niet worden gezegd dat [F] de in zijn verklaring gegeven beschrijving omtrent de toedracht van het overlijden van [N], welke op zich zou kunnen passen bij de (forensisch-) medische bevindingen, slechts kan hebben vernomen van [medeverdachte] zelf. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat ook de betrouwbaarheid van de door [F] afgelegde verklaringen dermate onzeker is, dat daaraan geen (vergaande) conclusies ten aanzien van de schuld of onschuld van [medeverdachte] kunnen worden verbonden. d. Overige bewijsmiddelen Het dossier bevat meerdere verklaringen dat medeverdachte [medeverdachte] verdachte mishandelde. De rechtbank acht bij vonnis van heden ook tevens bewezen dat [medeverdachte] [N] vanaf het moment dat hij bij verdachte introk zodanig hardhandig bejegende dat dit tot letsel bij [N] leidde en mitsdien als mishandeling moet worden gekwalificeerd. De rechtbank constateert echter tevens dat (behalve [X]) niemand van de zeer vele gehoorde getuigen, en ook verdachte zelf niet, heeft verklaard dat zij ooit hebben waargenomen dat verdachte [N] zou hebben geslagen of geschopt. De beschreven gewelddadige handelingen van [medeverdachte] in het verleden ten aanzien van [N] en verdachte roepen zonder twijfel ernstige bedenkingen op, maar zijn, nu voldoende betrouwbaar ander bewijs terzake ontbreekt, op zichzelf onvoldoende redengevend voor het bewijs dat [medeverdachte] ook de hem onder 1 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Bewijsmiddelen en overige informatie betreffende [X] (alias “[X]”) Uit de verklaringen van verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] volgt dat [X] regelmatig in hun woning verbleef en daar ook bleef slapen. Dit was ook het geval in de dagen voorafgaand aan het overlijden van [N]. Uit de reeds hiervoor genoemde verklaringen van [X] volgt dat hij in de dagen voorafgaand aan het overlijden van [N] in ieder geval één keer (waarschijnlijk van donderdag op vrijdag) en mogelijk twee keer, in de woning van verdachten aanwezig is geweest en heeft geslapen terwijl [N] daar aanwezig was. [X] sliep op dezelfde verdieping als waar de slaapkamer van [N] gelegen was, terwijl de slaapkamer van verdachte en haar medeverdachte één verdieping lager was gelegen. [X] is blijkens zijn eigen verklaring van 19 mei 2011 bij die gelegenheid zelf ook in de slaapkamer van [N] geweest om hem een kusje te geven, terwijl deze daar in bed lag. Verdachte en [medeverdachte] zouden niet daarbij zijn geweest. Hoewel uit de verklaringen van verdachte, haar medeverdachte [medeverdachte] en [X] niet kan worden afgeleid dat [X] los van voorgaande ontmoeting in de slaapkamer op enig moment alleen met [N] in de woning aanwezig is geweest en verdachten op het moment, of de momenten, dat [X] in die periode in hun woning verbleef, niets bijzonders hebben gezien, gehoord of opgemerkt voor wat betreft [N], is de rechtbank van oordeel dat op basis van het aan de rechtbank voorgelegde dossier (enige) betrokkenheid van [X] bij de uiteindelijk fatale mishandeling van [N], of wetenschap daarvan, niet volledig kan worden uitgesloten. Eindoordeel De rechtbank overweegt dat het op basis van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal aannemelijk is dat verdachte en/of haar medeverdachte [medeverdachte] [N] in de dagen voorafgaand aan zijn overlijden heeft of hebben mishandeld waarbij aan [N] het uiteindelijke fatale letsel werd toegebracht, dan wel dat één van hen of beiden wetenschap had(den) van de mishandeling van [N] door de ander. Ook kan niet uitgesloten worden dat [X] verantwoordelijk kan zijn voor het toebrengen van het fatale letsel. De rechtbank overweegt terzake echter tevens dat de kans reëel moet worden geacht dat slechts één persoon het letsel aan [N] heeft toegebracht en dat deze persoon dat ook gedaan kan hebben zonder dat daar een ander of anderen bij waren. Uit de bewijsmiddelen in het dossier volgt dat de andere in de woning aanwezige personen, mede ook gezien de aard en het beloop van het letsel, niet van het toebrengen van het letsel op de hoogte hoeven te zijn geweest. De rechtbank herhaalt in dit verband nog eens dat uit het onderzoek is gebleken dat zowel verdachte als [medeverdachte], op één of meer momenten in de periode van 22 tot en met 26 maart 2011 (de periode waarin het letsel hoogstwaarschijnlijk is toegebracht), alleen met [N] in de woning zijn geweest en dat [X] in ieder geval op één moment buiten aanwezigheid van verdachte en [medeverdachte] bij [N] in zijn slaapkamer is geweest. Zoals uit het hiervoor overwogene blijkt heeft het uitvoerige forensisch-medisch onderzoek geen aanwijzingen opgeleverd omtrent de persoon die het letsel aan [N] heeft toegebracht. Er zijn ook geen getuigenverklaringen waaruit de directe betrokkenheid van verdachte, [medeverdachte] of [X] bij de dood van [N] zou kunnen worden afgeleid. De getuigenverklaringen die wel voorliggen acht de rechtbank onvoldoende betrouwbaar om de veroordeling van verdachte te kunnen dragen. Dit laatste te meer nu uit het dossier ook niet direct als ongeloofwaardig of als irrelevant te duiden aanwijzingen naar voren komen dat het mogelijk niet verdachte, maar [medeverdachte] is geweest, die de ten laste gelegde geweldshandelingen jegens [N] heeft gepleegd terwijl ook de betrokkenheid van [X] niet volledig uitgesloten kan worden. Ook daarom is de rechtbank van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat het verdachte is geweest die het geweld op [N] heeft uitgeoefend waaraan hij is overleden en/of dat verdachte hier wetenschap van had. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde, te weten (het medeplegen van) de moord, danwel de doodslag, op [N] en alle verdere onder feit 1 subsidiair, feit 1 meer subsidiair en feit 1 uiterst subsidiair ten laste gelegde varianten daarvan. De rechtbank realiseert zich terdege dat dit vonnis in de samenleving en bij de nabestaanden van [N] in het bijzonder, gevoelens van onrechtvaardigheid, verontwaardiging en onbegrip kan en zal oproepen. De vraag wie (mede)verantwoordelijk is of zijn voor de dood van [N] blijft immers onbeantwoord en de dader of daders worden niet bestraft. Ook de rechtbank vindt dit een uitermate onbevredigende uitkomst. De gewelddadige dood van een klein en jong kind als [N] is een afschuwelijk feit dat vraagt om opheldering. Wie (mede)verantwoordelijk is voor de harde slagen of schoppen in de buik en daarmee (mede)verantwoordelijk is voor het overlijden van [N] is echter ondanks uitvoerig onderzoek niet duidelijk geworden. Voor iedereen die bij deze zaak betrokken is, vormt dat een moeilijk of niet te accepteren uitkomst, temeer omdat het aannemelijk lijkt dat de schuldige uit een kring van slechts drie personen afkomstig moet zijn, te weten verdachte, haar medeverdachte [medeverdachte] en genoemde [X]. Het is moeilijk te geloven dat niet minimaal één van hen de ware toedracht zou kennen. Naar het oordeel van de rechtbank is het echter geen aanvaarbaar alternatief om, ondanks dat niet buiten redelijke twijfel de individuele betrokkenheid van verdachte (en/of van de andere genoemde personen) bij het overlijden van [N] kan worden aangetoond, toch tot een veroordeling van een of meerdere van hen te komen. Daardoor zou immers niet zozeer worden gerealiseerd dat aan [N] recht wordt gedaan, maar zou veeleer de geenszins denkbeeldige kans worden aanvaard dat nieuw onrecht (in de vorm van veroordeling van een aan dit feit onschuldig persoon) aan het [N] aangedane onrecht zou worden toegevoegd. Dit acht de rechtbank de rechtstaat en het rechtssysteem onwaardig. Feit 2 Bevindingen deskundigen Op het lichaam van [N] werd sectie verricht door de NFI-arts en -patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe en zij is daar ter zitting als deskundige over gehoord. Daarnaast heeft drs. R.A.C. Bilo van het NFI de bevindingen naar aanleiding van de sectie bekeken en beoordeeld. Drs. Bilo heeft voorts een aanvullend rapport uitgebracht, betreffende eerdere geconstateerde letsels bij [N] en is daarover ook ter zitting als deskundige gehoord. Bij de sectie op het lichaam van [N] werden, naast de onder feit 1 genoemde letsels, onderhuidse bloeduitstortingen (blauwe plekken) aangetroffen aan de linker oorschelp, rechter oorlel en aan de kaakrand/hals links. Verder was er letsel aan de linkerwang tot aan de bovenlip en linkermondhoek letsel. Voorts werden onderhuidse bloeduitstortingen en/of littekens en/of huidbeschadigingen op diverse plaatsen in de mond, achter het linkeroor, op de schedel, aan het voorhoofd, in de hals, aan de bovenkant en rechterzijkant van de borstkas, aan de rechterarm, aan de rechterknie en het linker- en rechteronderbeen geconstateerd. De patholoog merkt op dat de aard en distributie van de letsels bij [N] zeer suspect zijn voor doorgemaakte kindermishandeling. A. Overwegingen betreffende de aan verdachte tenlaste gelegde mishandeling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.