RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/655594-12 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 september 2012 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1980] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein. raadsvrouw mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 14 juni 2012 en 10 september 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Op 26 maart 2012 samen met een ander [slachtoffer] heeft beroofd en daarbij die [slachtoffer] heeft geslagen en geschopt. 3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen nu verdachte niet het oogmerk had om de portemonnee van het slachtoffer mee te nemen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Verweren Verklaring verdachte d.d. 27 maart 2012 De verdediging heeft betoogd dat voornoemde verklaring van verdachte niet tot het bewijs gebezigd kan worden nu verdachte ten tijde van het afleggen van deze verklaring in verwarring verkeerde ten gevolge van het nieuws dat zijn moeder in het ziekenhuis was opgenomen. Verdachte kan zich het betreffende verhoor niet herinneren, derhalve moet verdachte hetgeen hij heeft verklaard van de verhorende verbalisant hebben vernomen. Ook ten tijde van het verhoor bij de rechter-commissaris verkeerde verdachte nog in verwarde toestand. De rechtbank constateert dat verdachte: - op 27 maart 2012 bij de politie en kort daarna bij de rechter-commissaris een bekennende verklaring heeft afgelegd. - bij de politie d.d. 2 april 2012 en vervolgens bij de reclassering twee verschillende en andersluidende verklaringen heeft afgelegd; - ter terechtzitting van 14 juni 2012 een – wederom – andersluidende verklaring heeft afgelegd; - eerst ter zitting van 14 juni 2012 heeft aangegeven dat hij ten tijde van zijn verhoor bij de politie d.d. 27 maart 2012 in verwarring verkeerde, dat hij ten tijde van dat verhoor de aangifte van [slachtoffer] deels had gelezen en dat hij zomaar wat dingen had verteld. Verdachte heeft daarvan bij de rechter-commissaris op 28 maart 2012, de diverse behandelingen in het kader van zijn voorlopige hechtenis door zowel de raadkamer in deze rechtbank d.d. 6 april 2012 en 10 mei 2012 en bij het Gerechtshof d.d. 30 mei 2012 en bij zijn aanvullende verhoor bij de politie d.d. 2 april 2012, geen melding gemaakt. Ook heeft verdachte hiervan op geen enkel moment melding gemaakt via zijn raadsvrouw. De rechtbank acht het volstrekt onaannemelijk dat verdachte pas enkele dagen voor de zitting van 14 juni 2012 tot zichzelf is gekomen en daarom niet eerder aan heeft gegeven dat en wat er tijdens het bewuste verhoor bij verdachte speelde en ziet derhalve geen aanleiding om de betreffende verklaring van verdachte uit te sluiten van het bewijs. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank te meer nu de stelling van de verdachte dat verdachte zich niets van het verhoor kan herinneren en zijn stelling dat hij zomaar wat dingen heeft verteld niet met elkaar te rijmen zijn. Daarnaast ontgaat de rechtbank het door de verdediging gestelde verband tussen dit beweerdelijke geheugenverlies en de daaruit getrokken conclusie dat de door verdachte toen afgelegde verklaringen hem door verhorend verbalisant moeten zijn voorgehouden. De rechtbank overweegt voorts dat de verklaring van verdachte op belangrijke onderdelen bevestigd wordt door de aangifte van [slachtoffer], door het aantreffen van de portemonnee van aangever in de auto van verdachte en door het DNA onderzoek. Voorts bevat de verklaring van verdachte zogenoemde daderinformatie, welke informatie vrij gedetailleerd is waar het gaat om hetgeen voorafgaand aan de beroving tussen beide verdachten is besproken. Naar het oordeel van de rechtbankkan deze informatie alleen afkomstig zijn van verdachte zelf. Daarnaast heeft verdachte door in een zo laat stadium zijn verklaring in het tweede verhoor terug te nemen,bewust het risico genomen dat een en ander niet meer te verifiëren is, zoals blijkt uit het aanvullend proces-verbaal van de verhorende verbalisant [verbalisant 1] die aangeeft dat hij, drie maanden na het bewuste verhoor, onvoldoende concrete herinnering heeft met betrekking tot de gang van zaken tijdens het verhoor, maar dat het echter niet de gewoonte is om (delen van) een verklaring van een derde persoon voor te houden en/of te laten lezen. Onrechtmatige staandehouding en aanhouding De raadsvrouw heeft betoogd dat er onvoldoende grond was om de auto van verdachte staande te houden en dat er geen redelijk vermoeden van schuld aanwezig was ten tijde van de staande-/aanhouding van verdachte. Derhalve is de staande-/aanhouding van verdachte onrechtmatig en is er sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a WvSv. De rechtbank overweegt dat verbalisant [verbalisant 2] op 26 maart 2012 omstreeks 00.58 uur een melding krijgt om uit te kijken naar een donkere Peugeot 106 of 107, met daarin twee mannelijke verdachten van een beroving, en rijdende vanuit Wijk bij Duurstede mogelijk in de richting Bunnik. Verbalisant rijdt vanuit Bunnik richting Wijk bij Duurstede en ziet kort daarop een donkere Peugeot 306 met daarin twee mannen rijden, komende uit de richting van Wijk bij Duurstede. Kort daarop wordt de Peugeot met daarin [verdachte] en [medeverdachte] staande gehouden. Beide verdachten hadden wondjes op hun handen en bloeddruppels op hun kleding. Vervolgens krijgen verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] via de meldkamer door dat de twee verdachten die de beroving hadden gepleegd voldeden aan het signalement van de twee mannen die men zojuist staande had gehouden. De rechtbank is van oordeel dat op grond van voornoemde feiten en omstandigheden er wel degelijk sprake was van voldoende gronden en een redelijk vermoeden van schuld om over te gaan tot staandehouding van de betreffende Peugeot en de daaropvolgende aanhouding van beide verdachten. Dat het type van de staandegehouden Peugeot afwijkt van via de meldkamer doorgegeven type Peugeot, doet daar niet aan af, mede gelet op het gegeven dat, volgens verbalisanten, de genoemde uitvoeringen van Peugeot 107 en 306 op elkaar lijken. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. 4.3.2 Bewijsmiddelen De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer PL0950 2012068302. De door de rechtbank in de voetnoten aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Aangever [slachtoffer] verliet op 26 maart 2012 te 00.45 uur zijn café [café] te Wijk bij Duurstede met, onder andere, de dagopbrengst van het café in zijn portemonnee. Terwijl hij in de richting van zijn auto liep zag hij twee mannen aan komen lopen. Eén van de mannen sprak hem aan. De mannen bleven daarbij in zijn richting lopen. Aangever voelde onraad en rende weg, maar kwam ten val. Nadat hij was opgestaan voelde dat hij op zijn hoofd werd geslagen en werd vastgehouden. Het lukte hem niet om los te komen. Hij werd tegen de grond gewerkt terwijl hij geslagen werd. Hij voelde, terwijl hij op de grond lag, dat hij over zijn hele lichaam getrapt en geslagen werd. Hij voelde dat hij werd bevoeld en dat zijn portemonnee uit zijn kontzak werd gehaald. De mannen renden vervolgens weg. Aangever is opgestaan en zag even later de mannen, die hem zojuist hadden beroofd, voor zich lopen en rende achter hen aan. Nadat hij hen even uit het zicht was verloren zag hij, uit de richting waarin de mannen weggelopen waren, een donkerkleurige Peugeot wegrijden zonder verlichting. [slachtoffer] heeft ten gevolge van het slaan en trappen letsel opgelopen aan zijn hoofd, rug, linkerhand en ribben. Op 26 maart 2012 omstreeks 01.15 uur werden beide verdachten, rijdende in een donkere Peugeot, staande gehouden en vervolgens aangehouden. In de auto werden een portemonnee en een notitieblokje aangetroffen. In de portemonnee zaten diverse bescheiden op naam van [slachtoffer] en een geldbedrag van € 725,00. Voornoemde portemonnee en notitieblokje werden door aangever [slachtoffer] herkend als zijnde zijn eigendom. Op de schoenen van beide verdachten zijn bloedsporen aangetroffen en veiliggesteld. Uit de bloedsporen op de buitenkant van de tong (tussen de veters) van de linkerschoen van verdachte [verdachte] (hierna te noemen: [verdachte]) wordt een afgeleid DNA hoofdprofiel vastgesteld, dat “matcht” met het profiel van aangever [slachtoffer], dat wil zeggen: de kans dat dit profiel van een ander dan [slachtoffer] afkomstig is, is kleiner dan 1 op 1 miljard. Uit de bloedsporen op de linkerschoen van medeverdachte [medeverdachte] (hierna te noemen: [medeverdachte]) worden een onvolledig DNA profiel (zijkant grote teen zijde en zijrand zool) en een DNA profiel (zijkant neus grote teen zijde) vastgesteld, die “matchen” met het profiel van aangever [slachtoffer], dat wil zeggen: de kans dat deze profielen van een ander dan [slachtoffer] afkomstig zijn, is kleiner dan 1 op 1 miljard. [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij op 25 maart 2012 naar [medeverdachte] is gegaan. [verdachte] vertelde [medeverdachte] over zijn geldproblemen. Zij spraken over hoe ze aan extra geld konden komen, dat kon [medeverdachte] ook wel gebruiken. [verdachte] stelde voor om naar Wijk bij Duurstede te rijden en een toevallige kroegbaas te beroven. Dat ze de man klappen zouden geven was te begrijpen, aldus [verdachte], want niemand geeft zo maar zijn geld af. Zij waren het hierover eens. Ze zijn naar Wijk bij Duurstede gereden en liepen daar door de straten op zoek naar een kroegbaas. Afgesproken is dat ze hem om een vuurtje zouden vragen. Ze zagen dat in een kroeg [café] of zoiets nog maar één man (de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer], hier na te noemen: [slachtoffer]) aanwezig was. Zij hebben gewacht tot die [slachtoffer] naar buiten kwam lopen. Ze liepen naar [slachtoffer] toe om hem te overvallen en [verdachte] vroeg de man om een vuurtje. Binnen een paar seconden stonden [verdachte], [medeverdachte] en de man op korte afstand van elkaar. [slachtoffer] rook kennelijk onraad. [verdachte] gaf [slachtoffer] met kracht een stomp op zijn gezicht. Vervolgens sloeg [medeverdachte][slachtoffer] met kracht. [verdachte] zag dat [slachtoffer] door hun slagen op de grond viel. Nadat [slachtoffer] door hen geslagen was vroeg [verdachte][slachtoffer] om zijn portemonnee. [verdachte] pakte vervolgens de portemonnee uit de achterbroekzak van [slachtoffer]. Daarna zijn [verdachte] en [medeverdachte] weggerend. [slachtoffer] achtervolgde hen nog. [verdachte] en [medeverdachte] zijn in de auto gestapt en weggereden. [verdachte] zag in de auto dat [medeverdachte] de portemonnee van [slachtoffer] opende en hij hoorde [medeverdachte] zeggen dat er geld in de portemonnee zat. Zij hadden van te voren afgesproken om het geld eerlijk te delen. [verdachte] heeft niet hoeven aandringen om [medeverdachte] mee te krijgen de overval met hem te plegen. [medeverdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij naast [verdachte] liep en dat [verdachte] op die man (de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer]) af liep. [slachtoffer] draaide zich om, wilde weglopen maar gleed uit. [slachtoffer] stond op. Er ontstond een worsteling tussen [verdachte] en [slachtoffer] en er vielen een paar klappen. Hij, [medeverdachte], kwam er bij en had die [slachtoffer] ook nog twee klappen gegeven terwijl die [slachtoffer] op de grond lag. Hij hoorde [slachtoffer] roepen: “Hier heb je mijn geld”. [medeverdachte] en [verdachte], liepen vervolgens samen naar de auto van [verdachte] en zijn ingestapt. [verdachte] reed en liet [medeverdachte] in de auto een portemonnee zien. [medeverdachte], had de portemonnee aangepakt en er in gekeken. Er zaten bankbiljetten in de portemonnee, maar dat vond hij dat niet de moeite waard. Het was voor hem wel duidelijk dat het de portemonnee van [slachtoffer] was. Trappen Gelet op de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer] en gelet op de plaats(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.