RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/655899-12; 16/441565-11 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 september 2012 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1993] te [geboorteplaats], wonende te [adres], [woonplaats], raadsman mr. B.M.E. Drykoningen, advocaat te Utrecht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 september 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter terechtzitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Parketnummer 16/655899-12 Feit 1: op 30 april 2012 openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1]; Feit 2 primair: op 30 april 2012 openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]; Feit 2 subsidiair: op 30 april 2012 [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling; Feit 3: op 30 april 2012 openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], welk door hem gepleegd geweld (zwaar) lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. Parketnummer 16/441565-11 Feit 1: op 3 oktober 2011 samen met een ander [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling; Feit 2: op 30 oktober 2011 samen met een ander [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling. 3 De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 16/655899-12 partiële vrijspraak gevorderd van het gooien met etenswaar en ten aanzien van feit 3 onder parketnummer 16/655899-12 heeft de officier van justitie partiële vrijspraak gevorderd van het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel dat betrekking heeft op artikel 141 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. 4.2 Het standpunt van de verdediging Parketnummer 16/655899-12 De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten en wijst daarbij op het volgende. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat het een vechtpartij betrof tussen twee meisjes waar verdachte geen aandeel aan heeft gehad. De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman tevens vrijspraak verzocht vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs. De verklaringen van de aangever en de getuige [slachtoffer 1] worden weersproken door de verklaringen van onafhankelijke getuigen. Uit het dossier blijkt niet dat er is gegooid met bierflesjes of een kettingslot en ook de onafhankelijke getuigen noemen dit niet. Verdachte heeft ontkend de auto te hebben vernield. Ook is er geen sprake geweest van bedreiging, omdat er geen angstgevoelens zijn geweest bij de aangever, aldus de raadsman. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman betoogd dat verdachte geen aandeel heeft gehad in het openlijk geweld tegen [slachtoffer 2]. Op de beelden is te zien dat verdachte doorloopt en dat de twee medeverdachten het geweld plegen, aldus de raadsman. Dat verdachte hierna achter [slachtoffer 2] aanrent, doet hier niets aan af. Ten aanzien van [slachtoffer 3] kan volgens de raadsman alleen een duw wettig en overtuigend bewezen worden, want dit is te zien op de beelden. Parketnummer 16/441565-11 De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van beide ten laste gelegde feiten en heeft daartoe aangevoerd dat de aangever niet betrouwbaar is. Voorts zijn naar de mening van de raadsman de getuigen niet betrouwbaar, omdat zij de vrouw en vrienden zijn van aangever en hun verklaringen gekleurd zijn door het langlopende conflict dat tussen hen en de verdachten speelt. De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Parketnummer 16/655899-12 Vrijspraak van feit 1 De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en overweegt daartoe het volgende. Uit de stukken in het dossier blijkt dat [slachtoffer 1] (hierna te noemen: [slachtoffer 1]) in gevecht is geraakt met [A] (hierna te noemen: [A]). [A] heeft verklaard dat zij meerdere malen is geslagen, maar dat zij niet weet hoe vaak zij is geslagen en door wie zij is geslagen. [A] heeft verklaard dat zij met [slachtoffer 1] in gevecht is geraakt en om zich heen heeft getrapt en geslagen toen zij met [slachtoffer 1] op de grond lag. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij twee meisjes heeft zien vechten en dat hij geprobeerd heeft de meisjes uit elkaar te krijgen. Getuige [getuige 1] verklaart niets over trappen die zouden zijn gegeven door de groep jongens die erbij stond. Getuige [slachtoffer 3] (hierna te noemen: [slachtoffer 3]), de vader van [slachtoffer 1], verklaart als enige dat hij heeft gezien dat er drie jongens, onder wie verdachte, zijn dochter trapten. Hij verklaart tevens dat hij de jongens uit de groep niet kent, maar dat zijn dochter achteraf een aantal namen heeft genoemd. De rechtbank overweegt dat zich voor de verklaring van [slachtoffer 3] geen steunbewijs in het dossier bevindt en voorts dat het letsel van [slachtoffer 1], te weten een gekneusde teen en een gekneusde neus, niet passend is bij het trappen tegen het lichaam. Daarnaast merkt de rechtbank op dat [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij de jongens niet kent en dat hij achteraf op basis van de beschrijving van [slachtoffer 1] heeft gehoord wie de jongens waren die [slachtoffer 1] trapten. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat [slachtoffer 1] volgens haar aangifte juist niet heeft gezien door wie zij is geslagen en niets heeft verklaard over trappen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen en zal verdachte van het onder feit 1 tenlastegelegde vrijspreken. Vrijspraak van feit 2 primair en feit 2 subsidiair De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 primair en feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en overweegt daartoe het volgende. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 primair en feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en overweegt daartoe het volgende. Op basis van de stukken in het dossier kan de rechtbank niet vast stellen of er met spullen is gegooid en zo ja, met wat voor spullen er is gegooid. Ook is niet duidelijk of en zo ja, door wie er is getrapt tegen de auto. De rechtbank overweegt daartoe dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] niet ter plaatse maar later in hun verklaring verklaren dat er door verdachte en de medeverdachten is gegooid met bierflesjes en dat er door hen is getrapt tegen de auto, maar dat de verklaringen van onafhankelijke getuigen dit tegenspreken. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] onvoldoende zijn en dat er daarmee onvoldoende overtuigend bewijs is om verdachte te veroordelen voor de openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] of de auto waar zij zich in bevonden. Voorts is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van bedreiging en de rechtbank zal verdachte ook daarvan vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe dat op grond van het hiervoor genoemde de handelingen waaruit de bedreiging zou bestaan niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De rechtbank merkt op dat wel vaststaat dat verdachte heeft geprobeerd achter de auto aan te rennen, maar dat dit niet ten laste is gelegd. Het bewijs ten aanzien van feit 3 De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende. [slachtoffer 2] (hierna te noemen: [slachtoffer 2]) heeft in zijn aangifte verklaard dat hij zich op 30 april 2012 in de wachtkamer van het Antonius Ziekenhuis te Nieuwegein bevond. Er kwamen drie jongens de wachtkamer binnen en [slachtoffer 2] werd gelijk tegen zijn neus getrapt. Uit de medische verklaring betreffende [slachtoffer 2] blijkt dat hij een verbrijzelde neus heeft. De rechtbank heeft op de camerabeelden waargenomen dat drie jongens, waarvan één gekleed in een blauw t-shirt, één gekleed in een zwart vest en één gekleed in een wit vest, de wachtkamer van het ziekenhuis binnen komen lopen en dat twee van de drie jongens, te weten de jongen in het zwart en de jongen in het wit, direct een trap geven in de richting van [slachtoffer 2]. Voorts heeft de rechtbank waargenomen dat twee van de drie jongens slaande bewegingen maken in de richting van [slachtoffer 2]. De rechtbank heeft tevens op de camerabeelden waargenomen dat [slachtoffer 2] weg rent, dat alle drie de jongens achter [slachtoffer 2] aanrennen en dat de jongen in het blauw tijdens het rennen een duw in de rug van [slachtoffer 3] geeft. Verdachte heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar het Antonius Ziekenhuis te Nieuwegein is gegaan. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij daar in de wachtkamer [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] zag zitten en dat hij achter [slachtoffer 2] is aangerend. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij de jongen in het blauw is. Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3 De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn handelen een significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld. Verdachte maakte onderdeel uit van de groep van drie jongens en heeft een duw gegeven aan [slachtoffer 3]. Daarnaast zijn alle drie de jongens achter [slachtoffer 2] aangerend op het moment dat [slachtoffer 2] probeerde te vluchten. Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte zich op geen enkele manier heeft gedistantieerd van het door de medeverdachten gepleegde geweld. Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 3 De rechtbank overweegt dat beide medeverdachten getrapt en geslagen hebben in de richting van [slachtoffer 2] en dat verdachte erbij heeft gestaan, er achteraan is gerend en [slachtoffer 3] een duw heeft gegeven. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat het geweld dat door verdachte is toegepast het letsel bij [slachtoffer 2] heeft veroorzaakt en zal hem daarvan partieel vrijspreken. Parketnummer 16/441565-11 Het bewijs ten aanzien van feit 1 De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende. Aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij op 3 oktober 2011 te Nieuwegein hoorde dat [verdachte] naar hem riep “He ouwe, heb je nu je zin? Je gaat eraan”. Aangever voelde zich hierdoor bedreigd. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij zag en hoorde dat [verdachte] riep “He ouwe, heb je nu je zin? Je gaat eraan”. Het bewijs ten aanzien van feit 2 De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende. Aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij op 30 oktober 2011 te Nieuwegein [verdachte] hoorde roepen “Jullie gaan eraan”. Aangever hoorde dat [medeverdachte 2] zei “nee hoor, jullie niet, want jullie gaan eraan en jullie huis ook”. Aangever voelde zich hierdoor bedreigd. Getuige [getuige 2] zag en hoorde dat [verdachte] riep “Je gaat eraan, jullie gaan eraan, jullie hele huis gaat eraan.” Getuige [getuige 2] zag en hoorde vervolgens dat [medeverdachte 2] riep “ik slaap vannacht weer lekker” en “jullie niet, want jullie gaan eraan.” Getuige [getuige 3] zag de haar bekende [verdachte] en [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2]) staan. Ze hoorde dat [verdachte] en [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2]) riepen “Ik maak jullie af, jullie slapen niet, jullie huis gaat eraan. Ik maak jullie helemaal kapot.” 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Parketnummer 16/655899-12
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.