RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/655648-12 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 september 2012 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1970] te [geboorteplaats] wonende te [woonplaats], [adres] raadsvrouw mr. B. Yesilgöz, advocaat te Amsterdam. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is laatstelijk inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 31 augustus 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1 primair: aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door hem met een beker/glas in het gezicht te slaan; Feit 1 subsidiair: heeft geprobeerd om aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een beker/glas in het gezicht te slaan; Feit 2: [slachtoffer 2] heeft bedreigd. 3 De voorvragen De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, dat de rechtbank bevoegd is, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen is reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht niet wettig bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en vordert om verdachte van feit 2 vrij te spreken. De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij met name op de verklaring van aangever, op de medische verklaring die ziet op het bij aangever ontstane letsel en op de verklaring van getuige [slachtoffer 2]. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van het onder feit 1 primair tenlastegelegde aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onvoldoende betrouwbaar zijn en dat moet worden uitgegaan van de verklaringen van verdachte en [getuige 1]. Verdachte en [getuige 1] verklaren dat [slachtoffer 1] verdachte een klap in zijn gezicht gaf en dat verdachte [slachtoffer 1] daarop een klap terug gaf. De verdediging heeft aangevoerd dat hiermee sprake is geweest van een noodweersituatie voor verdachte. De verdediging heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. De verdediging heeft subsidiair ten aanzien van feit 1 primair aangevoerd dat het door aangever opgelopen letsel niet gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel. Verdachte dient in dat geval van het onder feit 1 primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, aldus de verdediging. De verdediging heeft voorts ten aanzien van feit 1 primair en feit 1 subsidiair naar voren gebracht dat niet bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer 1] meerdere malen heeft geslagen. Tot slot is de verdediging van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 2 tenlastegelegde, primair omdat er onvoldoende wettig bewijs in het dossier aanwezig is en subsidiair omdat er onvoldoende overtuigend bewijs in het dossier zit. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak feit 2 De rechtbank is - met de officier van justitie en de raadsvrouw - van oordeel dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] onvoldoende wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel. De rechtbank zal verdachte daarom wegens gebrek aan wettig bewijs van het onder 2 ten laste gelegde feit vrijspreken. Bewezenverklaring feit 1 primair Aangever [slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat hij op 13 maart 2012 in de woning van zijn vriendin [slachtoffer 2] in [woonplaats] was. Op het moment dat hij de kamer van zijn vriendin uitliep zag hij [verdachte] (de rechtbank begrijpt dat aangever met “[verdachte]” verdachte bedoelt) staan. [verdachte] stond ongeveer vijftig centimeter bij aangever vandaan. Aangever voelde uit het niets een harde klap in zijn gezicht. Hij voelde dat hij bloed in zijn mond had. Aangever hoorde [verdachte] schelden en tieren en hij zag dat er koffie en een koffiemok op de grond lagen. Aangever maakte hier direct uit op dat hij door [verdachte] met deze koffiemok in zijn gezicht was geslagen. Aangever voelde een hevige pijn aan zijn gezicht en zag dat zijn neus bloedde en dat zijn lip opgezwollen was. Op het politiebureau voelde aangever dat er een stukje tand in zijn lip zat. Aangever heeft voorts verklaard dat hij meteen na de eerste klap voelde dat hij meerdere malen in zijn gezicht werd geslagen. Uit de medische verklaring maakt de rechtbank op dat aangever als gevolg van de klap een snijwond in zijn neus, een snijwond in zijn bovenlip en twee afgebroken tanden heeft opgelopen. Bij de rechter-commissaris verklaarde verdachte dat er nog steeds een litteken zat. De rechter-commissaris heeft tijdens het verhoor ook een licht litteken waargenomen. De rechtbank heeft kennis genomen van de in het proces-verbaal opgenomen foto’s van het letsel van aangever. Getuige [slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat op 13 maart 2012 haar vriend [slachtoffer 1] bij haar thuis was. [slachtoffer 1] deed de kamerdeur open om naar de gang te gaan. Ineens stond [verdachte] in de deuropening. [slachtoffer 2] zag dat [verdachte] vanuit het niets met een koffieglas op het gezicht van [slachtoffer 1] sloeg. [slachtoffer 2] zag dat [verdachte] dit meerdere keren deed. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer 1] een klap heeft gegeven. De rechtbank acht op grond van voornoemd bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 13 maart 2012 aangever in zijn gezicht heeft geslagen en dat aangever daardoor een snijwond in zijn neus, een snijwond in zijn bovenlip en twee afgebroken tanden heeft opgelopen en daaraan een litteken heeft overgehouden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer 1] één keer met zijn vuist had gestompt. De rechtbank acht het onaannemelijk dat het door aangever opgelopen letsel is ontstaan door een enkele klap in zijn gezicht met een vuist. Daarvoor is het letsel te ernstig van aard en bovendien betreft het letsel op meerdere, uit elkaar liggende, plekken in het gezicht. Naar het oordeel van de rechtbank past het door aangever opgelopen letsel bij het meerdere malen slaan met een hard voorwerp. Mede gelet op de verklaring van aangever [slachtoffer 1] en van getuige [slachtoffer 2] acht de rechtbank dan ook bewezen dat verdachte aangever meerdere malen met een beker dan wel een glas in zijn gezicht heeft geslagen. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het door aangever opgelopen letsel kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Voor de duiding hiervan neemt de rechtbank met name de twee afgebroken tanden in aanmerking. De rechtbank acht aldus het onder feit 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.