vonnis RECHTBANK UTRECHT Sector handel en kanton Meervoudige handelskamer Zaak-/rolnummer: 319607 / HA ZA 12-219 Vonnis van 7 november 2012 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HOLDING IOB B.V., gevestigd te Hellevoetsluis, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. C.P. van den Berg, tegen de naamloze vennootschap ASR SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Utrecht, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. J.M. van Noort. Partijen zullen hierna IOB en ASR genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 30 mei 2012 waarbij een meervoudige comparitie na antwoord is gelast; - de conclusie van antwoord in reconventie van IOB; - de op 7 september 2012 ter griffie ingekomen nadere productie van ASR; - de op 18 september 2012 ter griffie ingekomen akte houdende aanvulling van gronden van IOB; - het op 18 september 2012 ter griffie ingekomen schriftelijk bezwaar van ASR tegen voormelde akte houdende aanvulling van gronden van IOB; - het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 21 september 2012. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. IOB heeft in opdracht van aannemingsbedrijf [naam] (hierna: [naam]) architecten- en constructeurswerkzaamheden verricht ten behoeve van een bouwproject bestaande uit 19 woningen in Sint-Philipsland. 2.2. De hiervoor onder 2.1. vermelde overeenkomst van opdracht dateert van begin 2003 en daarvan maakt onderdeel uit de Regeling voor de Verhouding tussen Opdrachtgever en Adviserend Ingenieur 2001 (hierna: RVOI). 2.3. Artikel 16 lid 11 van de RVOI luidt, voor zover hier van belang: "De bevoegdheid van de opdrachtgever zich op een tekortkoming van het adviesbureau te beroepen, vervalt indien de opdrachtgever niet binnen bekwame tijd nadat hij de tekortkoming heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, schriftelijk en met redenen omkleed bij het adviesbureau ter zake heeft geprotesteerd (…). Ieder vorderingsrecht ter zake vervalt, indien niet uiterlijk binnen twee jaar na dit protest de rechtsvordering aanhangig is gemaakt." 2.4. Naar aanleiding van een klacht van ir. [A] (hierna: [A]), eigenaar van de woning aan de [adres], heeft [naam] een onderzoek laten uitvoeren. Uit dit onderzoek is gebleken dat IOB bij haar werkzaamheden een constructieberekeningsfout heeft gemaakt: IOB heeft onvoldoende rekening gehouden met de harde wind die vanuit de Oosterschelde op de woningen beukt, waardoor schade in de vorm van scheurvorming in de binnenspouwmuren aan drie woningen is ontstaan. 2.5. IOB heeft ten opzichte van [naam] aansprakelijkheid erkend voor de schade aan de woning aan de [adres]. 2.6. IOB was voor beroepsaansprakelijkheid verzekerd bij ASR. Deze beroepsaansprakelijkheidsverzekering bood dekking voor aansprakelijkheid voortvloeiend uit werkzaamheden die IOB verrichtte in de verzekerde hoedanigheid van ingenieursbureau. Op de polis is clausule 385 van toepassing, die voor zover hier van belang, als volgt luidt: "Wij bieden dekking voor de aansprakelijkheid van u ten opzichte van uw opdrachtgevers op basis van de regeling van de verhouding tussen opdrachtgever en adviserend ingenieur (RVOI 2001) en de dekking is beperkt tot de daarin vastgelegde aansprakelijkheidsregeling. Als voor een bepaald werk de RVOI 2001 niet van toepassing is op uw verhouding ten opzichte van uw opdrachtgever, vergoeden wij de schade alleen als en voor zover dit zou zijn gebeurd wanneer de RVOI 2001 onverkort van toepassing was geweest. Alleen als in geval van schade blijkt dat een beroep op de RVOI 2001 niet mogelijk is omdat dit rechtens als onredelijk bezwarend wordt aangemerkt, behandelen wij de schade zonder rekening te houden met de RVOI 2001." 2.7. IOB heeft de hiervoor onder punt 2.4. vermelde schade bij ASR gemeld. 2.8. Bij faxbericht van 4 maart 2008 heeft [naam] IOB aansprakelijk gesteld voor de schade aan de woning van [A] aan de [adres], waarbij de schade op dat moment werd begroot op € 12.310,00. 2.9. Bij e-mailbericht van 29 mei 2008 heeft [naam] IOB aansprakelijk gesteld voor de schade aan de woning aan de [adres]. Een afschrift van dit e-mailbericht heeft [naam] verzonden aan ASR. 2.10. IOB is door [naam] ook aansprakelijk gesteld voor de schade aan de woning aan de [adres]. 2.11. IOB heeft ten opzichte van [naam] ook aansprakelijkheid erkend voor de schade aan de woningen aan de [adres] en[adres] 2.12. [A] heeft [naam] op 12 december 2008 in een GIW-arbitrageprocedure betrokken. Bij (rectificatie van het) arbitraal vonnis van 4 februari 2011 is [naam] veroordeeld om aan [A] ter zake de schade die verband houdt met de constructiefout van IOB een bedrag van € 26.950,00 te betalen. 2.13. Bij brief van 14 februari 2011 heeft [naam] IOB nogmaals aansprakelijk gesteld voor de schade, waaronder de gevolgschade, van de constructiefout en heeft zij IOB verzocht om de helft van het bedrag dat [naam] aan [A] ingevolge het arbitrale vonnis dient te voldoen, vooruitlopend op de afhandeling door ASR, aan haar te betalen. 2.14. Bij e-mailbericht van 15 februari 2011 heeft de assurantietussenpersoon van IOB, de heer [X] (hierna: [X]), ASR verzocht om de helft van het bedrag van € 26.950,00 aan IOB uit te keren. 2.15. Bij brief van 3 maart 2011 heeft [naam] IOB een begroting betreffende de herstelwerkzaamheden aan de woningen aan de [adres] doen toekomen, waarin het herstel per woning is begroot op € 42.760,00 exclusief BTW. 2.16. [X] heeft de hiervoor onder punt 2.15. vermelde begroting bij e-mailbericht van 3 maart 2011 aan ASR doen toekomen. 2.17. Bij e-mailbericht van 4 maart 2011 heeft ASR het volgende, voor zover hier van belang, aan [X] meegedeeld: "Ik zal de ontvangen stukken doorsturen naar de in 2009 ingeschakelde expert, de heer [D]. Het vreemde is dat wij vanaf het begin door (…) [naam] buiten de deur gehouden zijn. Wij zijn ook geen partij geweest in de arbitrageprocedure (…). Wij zullen dus ook niet zomaar gaan betalen. Ik wacht de beoordeling van de expert af. (…)" 2.18. Bij e-mailbericht van 25 maart 2011 heeft ASR het volgende, voor zover hier van belang, aan [X] meegedeeld: "Ik heb het voorschot van € 13.475 betaalbaar gesteld aan verzekerde. Het bedrag zal binnen een paar dagen op zijn rekening staan. Het eigen risico zal te zijner tijd nog in mindering worden gebracht, als duidelijk is hoe groot de uiteindelijke schade is. Er geldt een eigen risico van 10% met een minimum van € 1000 en een maximum van € 5000. (…)" 2.19. Bij e-mailbericht van 29 maart 2011 heeft [X] ASR verzocht om een reactie op de bij e-mailbericht van 3 maart 2011 toegestuurde begroting van de herstelwerkzaamheden. 2.20. Bij brief van 4 mei 2011 heeft Ing. C. [D], bouwschade-expert van ASR, aan [naam] het volgende, voor zover hier van belang, meegedeeld: “(…) In goede orde ontving ik de aanvullende calculatie van het afbreken en weer monteren van de warande op nr. [adres] (…) Op grond van het bovenstaande stel ik voor de schade te bepalen op € 115.483,91 exclusief BTW. (…)” 2.21. Een rapport van 17 mei 2011 opgesteld door [D] heeft, voor zover hier van belang, de volgende inhoud: "(…) Het project. De 19 woningen zijn verdeeld in (…) en drie aan de voet van de Zuiddijk. Het gaat om de laatstgenoemde drie woningen. (…) Klachten. In juni 2007 bereikte verzekerde klachten van [adres] (…) over trillingen van de begane grondvloer en scheuren in de binnenspouwbladen. (…) In september is de heer [Z] ter plaatse wezen kijken, heeft de berekeningen gecontroleerd waarbij hij een ernstige fout heeft gevonden. Oorzaak. (…) In de aanname van de windbelasting is geen rekening gehouden met deze hoge windbelasting. Het binnenspouwblad bestaat uit 12 cm dikke kalkzandsteenblokken en dat had bij nader inzien 15 cm dik moeten zijn. De scheuren zijn hoofdzakelijk veroorzaakt door het bewegen van de muren bij storm. (…) Vervolg. In juni van 2009 ben ik op verzoek van de wederpartij aanwezig geweest bij het inspecteren van de klachten over scheuren uit (…) de twee identieke vrijstaande huizen, namelijk de nummers [adres] en [adres] De twee identieke woningen vertoonden een gelijksoortig scheurenbeeld als nummer [adres]. (…) Andere verzekeringen. Ik voeg hierbij de afwijzingen van de CAR en AVB verzekeringen van de wederpartij. (…) Beschouwing. De vergissing van verzekerde is duidelijk. Mij lijkt verzekerde aansprakelijk voor de schadelijke gevolgen daarvan. (…)" 2.22. Bij e-mailbericht van 31 mei 2011 heeft [X] bij ASR geïnformeerd naar de stand van zaken. 2.23. Bij e-mailbericht van 31 mei 2011 heeft ASR het volgende, voor zover hier van belang, aan [X] meegedeeld: "Ik heb de eindrapportage van de expert ontvangen. Ik zal er vandaag naar kijken. Gezien de hoogte van de schade zal ik het dossier vervolgens moeten overdragen aan mijn collega, de heer [M]. (…)" 2.24. In de periode tussen eind maart 2011 en eind juli 2011 heeft [naam] de herstelwerkzaamheden aan twee van de drie woningen aan de [adres] uitgevoerd. 2.25. Bij e-mailbericht van 29 juni 2011 heeft ASR het volgende, voor zover hier van belang, aan [X] meegedeeld: "Van de heer [D], de expert, heb ik begrepen dat de overeenkomst tussen verzekerde en Bouwbedrijf [naam] dateert van begin 2003. Verzekerde kon van de overeenkomst geen stukken meer vinden. Graag verneem ik op korte termijn welke voorwaarden verzekerde in deze periode hanteerde. Zijn dit de RVOI 2001 geweest? Of heeft verzekerde in die periode eigen voorwaarden gehanteerd? Graag ontvang ik hiervan dan een kopie. (…)" 2.26. Op het hiervoor onder punt 2.25. vermelde e-mailbericht heeft [X] het volgende geantwoord: "Het betreft een project gestart in 2003. Destijds werden de opdrachten normaliter uitgevoerd conform RVOI." 2.27. Bij brief van 4 augustus 2011 heeft ASR aan [X] meegedeeld dat er voor de schade waarvan [naam] van IOB vergoeding vordert onder verwijzing naar de RVOI geen dekking bestaat onder de polis. Daarnaast verzoekt ASR om terugbetaling van het reeds betaalde voorschot van € 13.475,00. 3. Het geschil 3.1. IOB vordert in conventie bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. een verklaring voor recht dat ASR gehouden is om onder de tussen IOB en ASR gesloten verzekeringsovereenkomst over te gaan tot uitkering van het bedrag waarvoor [naam] IOB aansprakelijk houdt wegens een door IOB gemaakte beroepsfout; II. de veroordeling van ASR om aan IOB te betalen bedrag van € 141.075,47 exclusief BTW, te vermeerderen met wettelijke handelsruimte vanaf 9 september 2011, althans vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de volledige voldoening; III. de veroordeling van ASR om aan IOB te betalen een bedrag van € 4.000,00 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten; IV. de veroordeling van ASR in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente indien niet binnen 14 dagen na vonnisdatum aan de veroordeling is voldaan. 3.2. ASR vordert in reconventie bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de veroordeling van IOB tot (terug)betaling van een bedrag van € 13.475,00, alsmede de veroordeling van IOB in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie. 3.3. De rechtbank zal hierna onder de beoordeling van indien en voor zover nodig ingaan op de standpunten van partijen. 4. De beoordeling in conventie 4.1. Voordat de rechtbank inhoudelijk op het geschil zal ingaan, zal zij eerst beslissen op het bezwaar van ASR tegen de akte houdende aanvulling van gronden van IOB. Volgens ASR gaat het niet om een aanvulling van gronden, maar poogt IOB een gerechtelijke erkentenis ongedaan te maken. In haar conclusie van antwoord in reconventie concludeert IOB dat partijen het er over eens zijn dat het vorderingsrecht van [naam] ten opzichte van IOB op grond van artikel 16 lid 11 RVOI is vervallen, zodat er voor ASR op grond van de polisvoorwaarden geen verplichting meer zou bestaan om de schade aan IOB te vergoeden. Dit is volgens ASR een gerechtelijke erkentenis. ASR is van mening dat, nu IOB zich blijkens haar akte houdende aanvulling van gronden op het standpunt stelt dat voormeld vorderingsrecht niet vervallen is en er gezien het bepaalde in artikel 154 Rv geen sprake kan zijn van herroeping van die erkenning, de akte buiten beschouwing moet blijven. 4.2. De rechtbank overweegt als volgt, waarbij zij vooropstelt dat het bij een gerechtelijke erkentenis ingevolge artikel 154 Rv naar het oordeel van de rechtbank gaat om erkenning van door de ene partij gestelde feiten en niet (ook) om erkenning van de juistheid van juridische kwalificaties van de wederpartij. De stelling van IOB dat partijen het er over eens zijn dat het vorderingsrecht van [naam] ten opzichte van IOB op grond van artikel 16 lid 11 RVOI is vervallen, zodat er voor ASR op grond van de polisvoorwaarden geen verplichting meer zou bestaan om de schade aan IOB te vergoeden, betreft een erkenning door IOB van de juistheid van de juridische waardering van ASR op dat punt. Daarop ziet artikel 154 Rv niet. Dit betekent dat er dus "slechts" sprake is van een wijziging c.q. aanvulling van de grondslag van de vordering van IOB. Nu ASR zich daarover tijdens de meervoudige comparitie na antwoord voldoende heeft kunnen uitlaten, acht de rechtbank ASR niet in haar processuele belangen geschaad en is de wijziging/aanvulling evenmin in strijd met de goede procesorde. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank de vordering van IOB op basis van de gewijzigde, aangevulde grondslag zal behandelen. Overigens leidt de beoordeling van de vordering op basis van de oorspronkelijke grond, zoals rechtbank hieronder overweegt, niet tot een andere uitkomst. 4.3. De rechtbank zal de vordering van IOB allereerst op basis van de aanvulling van gronden beoordelen. IOB stelt zich primair op het standpunt dat de vordering van [naam] op IOB ter zake de door [naam] geleden schade niet op grond van de in artikel 16 lid 11 RVOI genoemde vervaltermijn van twee jaar na het indienen van de klacht is vervallen, zodat ASR tot betaling gehouden is. IOB stelt daartoe dat onomstotelijk vast is komen te staan dat zij bij haar constructieberekeningen een fout heeft gemaakt en dat zij dan ook voor deze fout en de daardoor veroorzaakte schade ten opzichte van [naam] aansprakelijkheid heeft erkend. De werkwijze van IOB en [naam] met betrekking tot de hoogte van de schade is vervolgens geweest dat de omvang van de schade ten aanzien van [A] zou volgen uit de GIW-arbitrageprocedure, terwijl de eigenaren van de woningen aan de [adres] en 5 het resultaat van de procedure wensten af te wachten, waarna in onderling overleg ook de hoogte van hun schade zou worden vastgesteld. IOB is dan ook van mening dat zij zich onder die omstandigheden ten opzichte van [naam] niet (meer) op de RVOI kan beroepen. Omdat IOB dus, anders dan ASR betoogt, ten opzichte van [naam] wel degelijk aansprakelijk is onder de toepasselijkheid van de RVOI, moet ASR tot uitkering overgaan. Subsidiair stelt IOB zich – kort gezegd – op het standpunt dat een beroep van ASR op de vervaltermijn van de RVOI naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 4.4. Het geschil dat partijen verdeeld houdt komt neer op de vraag of sprake is van een gedekt voorval in de zin van de polis. 4.5. Daartoe dient allereerst vast komen te staan dat sprake is van een beroepsfout. Naar het oordeel van de rechtbank heeft IOB voldoende gesteld dat zij een constructiebereke-ningsfout heeft gemaakt, welke fout naar het oordeel van de rechtbank moet worden aangemerkt als een beroepsfout. IOB heeft deze fout immers gemaakt in het kader van haar werkzaamheden als ingenieursbureau. ASR heeft ook niet betwist dat de constructiebereke-ningsfout die IOB heeft gemaakt een beroepsfout is. Integendeel, ook uit het rapport van 17 mei 2011 van de expert van ASR valt op te maken dat de verzekerde van ASR, IOB, volgens de expert een fout heeft gemaakt. De rechtbank gaat er in het navolgende dan ook vanuit dat IOB ten opzichte van [naam] op terechte gronden aansprakelijkheid heeft erkend voor haar constructieberekeningsfout. 4.6. Vervolgens is de vraag aan de orde of deze beroepsfout gedekt is onder de polis, hetgeen beoordeeld moet worden aan de hand van de omschrijving van de dekking in de polis, waar staat "Wij bieden dekking voor de aansprakelijkheid van u ten opzichte van de opdrachtgevers op basis van de regeling van de verhouding tussen opdrachtgever en adviserend ingenieur (RVOI 2001) en de dekking is beperkt tot de daarin vastgelegde aansprakelijkheidsregeling. (…)" (zie ook punt 2.6.). 4.7. De rechtbank is van oordeel dat ASR in de verhouding tot haar verzekerde IOB (achteraf) geen beroep kan doen op de vervaltermijn(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.