RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht Parketnummer: 16/655975-12 (ontneming) vonnis van de rechtbank d.d. 10 oktober 2012 in de ontnemingszaak tegen [verdachte] geboren op [1967] te [geboorteplaats] wonende te [woonplaats] thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Wolvenplein raadsman mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht. 1 De procedure. De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: - de vordering van de officier van justitie d.d. 18 september 2012, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt; - het strafdossier onder parketnummer 16/655975-12 waaruit blijkt dat verdachte op 10 oktober 2012 door de rechtbank is veroordeeld ter zake van: Feit 1: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel; Feit 2 en feit 3: telkens: poging diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel; tot de in die uitspraak vermelde straf; - het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, proces-verbaal nr. PL0971 2012140525, pagina 177; - de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting d.d. 26 oktober 2012; - de overige stukken; Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Hij heeft daarbij zijn vordering gewijzigd. Tevens is de verdachte gehoord, bijgestaan door raadsman mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht. 2 De beoordeling 2.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft zijn vordering ter terechtzitting gewijzigd en gevorderd een bedrag te ontnemen van € 10.500,00, bestaande uit € 2.500,00 verkregen voordeel uit de diefstal op 18 oktober 2012 en € 8.000,00 verkregen uit witwassen. 2.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat uit het dossier onvoldoende blijkt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vierde ten laste gelegde feit en verdachte slechts een vergoeding kreeg voor het plegen van het eerste ten laste gelegde feit. Verdachte heeft niet het volledige bedrag van € 2.500,00 verkregen. De verdediging stelt zich subsidiair op het standpunt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel lager dient te worden vastgesteld en wel op een bedrag van € 3.000,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.