RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/656093-12 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 oktober 2012 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1984] te distrikt [geboorteplaats] (Suriname) wonende te [woonplaats] gedetineerd in PI Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein raadsvrouw mr. A.M.R. van Ginneken, advocaat te Utrecht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 oktober 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1 primair: heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] van het leven te beroven dan wel heeft geprobeerd om aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen; Feit 1 subsidiair: die [slachtoffer 1] heeft mishandeld; Feit 2: [slachtoffer 2] heeft mishandeld; Feit 3 primair: aan [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht; Feit 3 subsidiair: die [slachtoffer 3] heeft mishandeld, waardoor die [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. 3 De voorvragen De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, dat de rechtbank bevoegd is, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte van het onder feit 1 primair tenlastegelegde vrij te spreken. Zij acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan. De officier van justitie heeft betoogd dat de handelingen die aan verdachte zowel onder feit 1 primair als feit 1 subsidiair zijn tenlastegelegd bewezen kunnen worden verklaard. De officier van justitie is van mening dat door de verstandelijke beperkingen van verdachte niet met zekerheid vastgesteld kan worden dat verdachte door op die manier te handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood of op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard, maar dat verdachte wel de opzet heeft gehad om aangever [slachtoffer 1] te mishandelen. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij met name op de aangifte, op de verklaringen van getuigen en op de verklaring van verdachte. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd om verdachte van het onder feit 3 primair tenlastegelegde vrij te spreken. Zij acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan. De officier van justitie heeft betoogd dat aangever [slachtoffer 3] niet weet of het door hem opgelopen letsel blijvend van aard is. Nu ook verder in het dossier geen bewijs voorhanden is dat het letsel blijvend is kan het door aangever opgelopen letsel niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. De officier van justitie acht daarom bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte aangever [slachtoffer 1] heeft getrapt en gestompt, maar dat verdachte daarmee nooit de intentie heeft gehad om aangever te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Bewijs dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever is niet in het dossier aanwezig. De verdediging heeft daarom verzocht om verdachte van feit 1 primair vrij te spreken. De verdediging is voorts van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het aan verdachte onder 3 primair ten laste gelegde feit. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat het door aangever [slachtoffer 3] opgelopen letsel gelet op de inhoud van het dossier niet aangemerkt kan worden als zwaar lichamelijk letsel, alsmede dat op basis van die inhoud van het dossier niet bewezen kan worden dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. De verdediging heeft daarom verzocht om verdachte van feit 3 primair vrij te spreken. De verdediging is van mening dat de rechtbank op basis van de inhoud van het dossier wel tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte onder 1 subsidiair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak feit 3 primair: De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat hetgeen op basis van de inhoud van het dossier bekend is over het door aangever [slachtoffer 3] opgelopen letsel, onvoldoende is om dit letsel te kunnen kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer 3] met zijn handelen zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. De rechtbank zal verdachte van het onder 3 primair ten laste gelegde feit vrijspreken. De rechtbank overweegt omtrent de bewezenverklaring van de aan verdachte onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten als volgt. De rechtbank zal de feiten bespreken in de volgorde waarin de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Bewezenverklaring feit 2: Aangeefster [slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat zij op 26 juli 2012 met haar vriendinnen [getuige 2] en [getuige 3] op het strand van de Haarrijnse Plas in Vleuten was. Er kwam een Surinaamse jongen (de rechtbank begrijpt dat aangeefster hiermee de verdachte bedoelt) bij hen zitten. De Surinaamse jongen bleef op hen inpraten en hij werd steeds vervelender. Aangeefster zag dat de Surinaamse jongen opstond en dat hij probeerde om [getuige 2] te betasten. Aangeefster is opgestaan en heeft er wat van gezegd. Direct daarop voelde aangeefster in één keer een harde klap op haar linkerbovenbeen. Zij kreeg van haar vriendinnen te horen dat de Surinaamse jongen haar had getrapt. Door de trap van de Surinaamse jongen had aangeefster een grote rode plek op haar linkerbovenbeen. De rechtbank heeft kennis genomen van de in het dossier opgenomen foto van het linkerbovenbeen van aangeefster. Getuige [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat de negroïde jongen een trap tegen het been van [slachtoffer 2] gaf. Getuige [slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat [verdachte] één van de vrouwen een schop gaf tegen haar bovenbeen. Getuige [getuige 5] heeft bij de politie verklaard dat hij de politie had gewaarschuwd dat de negroïde jongen wegfietste, waarop de politie achter hem is aangegaan. Deze negroïde jongen had een meisje een trap tegen haar been gegeven. Verbalisant [verbalisant] relateert in het door haar opgemaakte proces-verbaal van bevindingen dat toen zij ter plaatse was een man wees naar een negroïde man op een fiets en dat de man riep dat de politie die man moest hebben. Verbalisant zag dat het een negroïde man betrof met een witte korte broek aan en een zonnebril op zijn gezicht. De politie is achter de man aangereden. Tijdens de achtervolging hoorde verbalisant dat de negroïde man, waar zij achteraan zat, kon worden aangehouden ter zake diverse mishandelingen. Verbalisant hield vervolgens verdachte [verdachte] aan. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 26 juli 2012 op het strand van de Haarrijnse Plas was. Verdachte verklaarde dat hij dronken was en dat hij zich kon herinneren dat hij vervelend was geweest. Verdachte verklaarde dat het best waar kon zijn dat hij het meisje had geschopt. De rechtbank acht op grond van voornoemd bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 26 juli 2012 in Vleuten [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar tegen haar been te schoppen. Bewezenverklaring feit 1 primair: Aangever [slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat hij op 26 juli 2012 op het strand bij de Haarrijnse Plas in Vleuten was met een vriend en de hem bekende [verdachte]. Aangever zag dat [verdachte] het meisje trapte. Aangever was naar [verdachte] toegelopen en had hem met zijn scheenbeen op zijn achterhoofd getrapt. Vervolgens sloeg [verdachte] aangever met een vuist op zijn rechteroog en schopte [verdachte] aangever in zijn linkerzij. Aangever werd helemaal duizelig en raakte het bewustzijn kwijt. Hij had van [getuige 6] gehoord dat [verdachte] hem nog had getrapt toen hij op de grond lag. Uit de medische verklaring maakt de rechtbank op dat aangever als gevolg van de klap en de schoppen een blauw oog, twee gebroken ribben en een forse kneuzing rond het gebied bij zijn ribben had opgelopen. Getuige [slachtoffer 3] heeft bij de politie verklaard dat [verdachte][slachtoffer 1] hard met zijn vuist op zijn slaap en op zijn ribben sloeg en dat [verdachte][slachtoffer 1] ook schopte. Op een gegeven moment sloeg of schopte [verdachte][slachtoffer 1] op de grond. [verdachte] schopte twee of drie keer op het hoofd van [slachtoffer 1] toen [slachtoffer 1] op de grond lag. Bij de eerste schop had [slachtoffer 1] zijn ogen nog open, bij de tweede schop had hij zijn ogen dicht. Getuige [getuige 3] heeft bij de politie verklaard dat er heen en weer werd geslagen tussen de negroïde man (de rechtbank begrijpt de verdachte) en de man met de paardenstaart (de rechtbank begrijpt aangever) en dat er ook was geschopt. Getuige zag dat de man met de paardenstaart op de grond viel en dat de negroïde man tegen het hoofd van de man schopte toen hij op de grond lag. Getuige [getuige 5] heeft bij de politie verklaard dat de negroïde jongen (de rechtbank begrijpt de verdachte) en de blanke jongen (de rechtbank begrijpt aangever) met elkaar begonnen te vechten en dat de blanke jongen op de grond viel. Getuige zag dat de negroïde jongen nog een trap gaf tegen het lichaam van de blanke jongen, ergens bij zijn hoofd of nek. Getuige heeft verklaard dat hij de politie had gewaarschuwd dat de negroïde jongen wegfietste, waarop de politie achter hem is aangegaan. Verbalisant [verbalisant] relateert in het door haar opgemaakte proces-verbaal van bevindingen dat toen zij ter plaatse was een man wees naar een negroïde man op een fiets en dat de man riep dat de politie die man moest hebben. Verbalisant zag dat het een negroïde man betrof met een witte korte broek aan en een zonnebril op zijn gezicht. De politie is achter de man aangereden. Tijdens de achtervolging hoorde verbalisant dat de negroïde man, waar zij achteraan zat, kon worden aangehouden ter zake diverse mishandelingen. Verbalisant hield vervolgens verdachte [verdachte] aan. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 26 juli 2012 op het strand van de Haarrijnse Plas was. Verdachte verklaarde dat hij dronken was en dat hij zich kon herinneren dat hij tekeer was gegaan. Verdachte verklaarde dat hij de aangifte en de verklaringen van de getuigen op hun waarheid moest geloven. Verdachte bekende ter zitting schuld. De rechtbank acht op grond van voornoemd bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 26 juli 2012 in Vleuten [slachtoffer 1] heeft gestompt op zijn oog en geschopt in zijn zij en dat verdachte [slachtoffer 1] meermalen heeft geschopt op zijn hoofd, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag. De rechtbank overweegt dat verdachte het slachtoffer zo hard heeft geschopt dat het slachtoffer twee gebroken ribben en een forse kneuzing daaraan heeft overgehouden. Verdachte heeft ook geschopt tegen het hoofd van het slachtoffer. Het hoofd is een zeer kwetsbaar deel van het lichaam is. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van fors geweld op het hoofd ertoe kan leiden dat een persoon zwaar lichamelijk letsel oploopt. De redenering van de officier van justitie dat verdachte door zijn verstandelijke beperkingen niet zou hebben geweten dat dit kon gebeuren dan wel dat door de verstandelijke beperkingen van verdachte niet kan worden vastgesteld dat verdachte met zijn handelen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever volgt de rechtbank in dit geval niet. Dat bij verdachte sprake is van verstandelijke beperkingen van dien aard is immers op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat door het schoppen van verdachte tegen het hoofd van het slachtoffer, terwijl het slachtoffer op de grond lag niet anders kan worden geoordeeld dan dat het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel opleverde en dat verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht aldus de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht geen bewijs in het dossier voorhanden om bewezen te kunnen verklaren dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. De rechtbank zal verdachte daarom van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag vrijspreken. Bewezenverklaring feit 3 subsidiair: Aangever [slachtoffer 3] heeft bij de politie verklaard dat hij op 26 juli 2012 met [slachtoffer 1], [verdachte] en [X] naar de Haarrijnse Plas in Vleuten was gegaan. Op een gegeven moment schopte [verdachte] op het hoofd van [slachtoffer 1] toen [slachtoffer 1] op de grond lag. Toen aangever zag dat [slachtoffer 1] zijn ogen dicht deed vond hij dat hij moest helpen. Aangever tikte [verdachte] zachtjes aan om contact te krijgen. [verdachte] draaide zich om en sloeg aangever. Aangever voelde de klap op zijn keel komen. Hij voelde druk over zijn hele keel. Zijn keel voelde als een grote brok. Uit de medische verklaring maakt de rechtbank op dat aangever als gevolg van de klap drukpijn had over het verloop van de luchtpijp en dat er onder de huid lucht te voelen was (knisperen). Aangever was drie dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 26 juli 2012 op het strand van de Haarrijnse Plas was. Verdachte verklaarde dat hij dronken was en dat hij zich kon herinneren dat hij tekeer was gegaan. Verdachte verklaarde dat hij de aangifte en de verklaringen van de getuigen op hun waarheid moest geloven. De rechtbank acht op grond van voornoemd bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 26 juli 2012 in Vleuten [slachtoffer 3] opzettelijk heeft mishandeld door hem tegen zijn keel/luchtpijp te slaan, waardoor die [slachtoffer 3] letsel aan zijn luchtpijp en pijn heeft ondervonden. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.