RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/441170-11 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 september 2012 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1954] te [geboorteplaats], wonende te [adres], [woonplaats]. Raadsman mr. G. van den Brink, advocaat te Utrecht. 1. Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 7 september 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2. De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 januari 2004 tot en met 20 april 2011 bijstandsfraude heeft gepleegd door opzettelijk na te laten de instantie waarvan hij een uitkering kreeg in kennis te stellen van vermogen waarover zij beschikte. 3. De voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4. De beoordeling van het bewijs 4.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode vanaf 20 april 2007 tot en met 20 april 2011 schuldig heeft gemaakt aan hetgeen in de tenlastelegging is verwoord. Ten aanzien van de periode heeft de officier van justitie aansluiting gezocht bij de datum waarop de moeder van medeverdachte [medeverdachte 1] is overleden. Vanaf dat moment had verdachte, samen met haar medeverdachte, de volledige beschikking over de banktegoeden, ondergebracht in Luxemburg bij de [bedrijf 1], van de ouders van medeverdachte. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep rechtvaardigt het gegeven dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening bestaande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover betrokkene kon beschikken. Derhalve had verdachte het vermogen dat op de bankrekeningen van de [bedrijf 1] stond, op moeten geven aan de uitkeringsinstantie. 4.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het aan verdachte ten laste gelegde feit. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte nimmer opzettelijk heeft nagelaten de nodige gegevens te verstrekken. Verdachte was enkel mederekeninghouder van de rekeningen van medeverdachte en van de ouders van medeverdachte. Het vermogen op deze rekeningen was niet van verdachte, zoals ook volgt uit het testament van de schoonmoeder van verdachte. Om die reden heeft verdachte nooit enig vermoeden gehad dat deze rekeningnummers dienden te worden opgegeven. Daarbij heeft verdachte nooit enig voordeel genoten van het vermogen op deze bankrekeningen en altijd op bijstandsniveau geleefd. 4.3. Het oordeel van de rechtbank De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich in de periode van 20 april 2007 tot en met 20 april 2011 schuldig heeft gemaakt aan bijstandsfraude. Hierbij heeft de officier van justitie zich hoofdzakelijk gebaseerd op het feit dat verdachte, al dan niet samen met haar medeverdachte [medeverdachte 1], gemachtigd was over het vermogen op Luxemburgse bankrekeningen te beschikken. Door de verdediging is vrijspraak bepleit door het ontbreken van het opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, bij verdachte. Het vermogen op de betreffende bankrekeningen behoorde toe aan de schoonouders van verdachte. Verdachte beschikte daar niet over en heeft daarvan nimmer gebruik gemaakt. Het geld was immers niet van haar. De rechtbank ziet zich zodoende voor de vraag gesteld of verdachte opzettelijk heeft nagelaten (het vermogen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.