RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/656254-12 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 november 2012 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1991] te [geboorteplaats] wonende te [woonplaats], [adres] raadsman mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 9 november 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1 primair: op 6 september 2012 samen met een ander heeft geprobeerd om aan [Aangever 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen; Feit 1 subsidiair: op 6 september 2012 openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen die [Aangever 2]; Feit 2 primair: op 6 september 2012 openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [Aangever 1] en/of [getuige 1] en/of [getuige 2]; Feit 2 subsidiair A: op 6 september 2012 [Aangever 1] en/of [getuige 1] heeft mishandeld; Feit 2 subsidiair B: [Aangever 1] en/of [getuige 1] en/of [getuige 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling. 3 De voorvragen De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, dat de rechtbank bevoegd is, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij ten aanzien van feit 1 met name op de verklaringen van aangever en getuigen en ten aanzien van feit 2 op de verklaringen van aangever en getuigen, de medische verklaring betreffende aangever [Aangever 1] en de verklaring van verdachte. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde. De verdediging heeft er daarbij op gewezen dat de verklaringen in het dossier allemaal zijn te herleiden tot één en dezelfde bron, te weten de verklaring van aangever [Aangever 2]. De getuigen hebben niet uit eigen waarneming verklaard over de betrokkenheid van verdachte. Verdachte moet daarom wegens gebrek aan wettig bewijs worden vrijgesproken van de onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde feiten, aldus de verdediging. De verdediging is voorts van mening dat de rechtbank voor wat betreft het onder feit 2 primair, feit 2 subsidiair A en feit 2 subsidiair B tenlastegelegde niet zonder meer van de juistheid van de verklaringen van aangever [Aangever 1] en de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] mag uitgaan. Verdachte is niet degene geweest die de confrontatie heeft opgezocht. Daarnaast heeft alleen aangever [Aangever 1] verklaard dat verdachte hem had geslagen, terwijl het zicht hem werd belemmerd doordat er met een lamp in zijn gezicht werd geschenen en verder niemand anders heeft gezien dat verdachte degene is geweest die de klappen heeft uitgedeeld. Ook moet er rekening mee worden gehouden dat aangever zelf heeft verklaard dat hij de verdachte met een maglite op zijn hoofd had geslagen. Het blijft op basis van de verklaringen onduidelijk wat er precies is gebeurd en wie bij welke handelingen betrokken is geweest, aldus de verdediging. Op grond hiervan is de verdediging van mening dat de verdachte tevens behoort te worden vrijgesproken van de onder 2 primair, 2 subsidiair A en 2 subsidiair B ten laste gelegde feiten. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak feit 1 primair en feit 1 subsidiair De rechtbank overweegt dat de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] over wat er is gebeurd, zijn gebaseerd op hetgeen aangever [Aangever 2] daarover aan hen heeft verteld. De verklaring van aangever [Aangever 2] dat er een jongen hem de weg versperde en een andere jongen hem een high-kick tegen zijn helm probeerde te geven wordt niet ondersteund door een andere getuige die dit uit eigen waarneming heeft verklaard, dan wel een ander zelfstandig bewijsmiddel. Daar komt bij dat volgens het door aangever [Aangever 2] opgegeven signalement de dader die hem een trap probeerde te geven -en welke persoon volgens het signalement verdachte zou zijn geweest- een witte pet droeg met daarover heen iets van een zwarte capuchon. Dit signalement strookt niet met het door de politie opgemaakte proces-verbaal van bevindingen waaruit volgt dat verdachte toen hij werd aangehouden een zwarte pet met voorop het logo van de Chigago Bulls en een rode klep op had. Gelet op de omstandigheid dat de verklaring van aangever niet uit eigen waarneming door een andere getuige wordt ondersteund, alsmede gelet op voornoemde inconsistentie tussen het door aangever gegeven signalement en het uiterlijk van verdachte ten tijde van zijn aanhouding, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde te kunnen komen. De rechtbank zal verdachte dan ook van deze feiten vrijspreken. Bewezenverklaring feit 2 primair Aangever [Aangever 1] heeft bij de politie verklaard dat hij zich op 6 september 2012 samen met [getuige 2] en [getuige 1] bij de surfvijver in [getuige 4] bevond. Samen met [getuige 2] bevond hij zich in zijn tent. Aangever hoorde dat een man zei dat hij wilde zien wie er in de tent was. Hierop zag hij dat de tent door de man werd open geritst en dat de man in zijn gezicht scheen met de lamp. Aangever probeerde door de opening uit de tent te komen, maar de man stond zo kort op de toegangsopening van de tent dat hij niet langs hem naar buiten kon komen. Aangever had zich langs de man weten te wurmen. De man scheen nog steeds met een lamp in het gezicht van aangever. Daardoor kon aangever hem niet zien. De afstand tussen aangever en de man was op dat moment nog geen dertig centimeter. Aangever hoorde dat er nog een man bij kwam. Aangever voelde dat hij een klap in zijn gezicht kreeg. Direct hierop voelde hij dat hij wederom een klap in zijn gezicht kreeg. De klappen kreeg hij van de man die er als tweede bij kwam. De man met de lamp stond zo dicht op aangever dat hij nooit deze klap kon uitdelen. Op dat moment kwam [getuige 2] ook uit de tent. Aangever zag dat beide mannen [getuige 2] begonnen te duwen. De mannen bleven dreigend overkomen en kwamen steeds weer dichterbij. Aangever had [getuige 1] erbij geroepen. De tengere jongen kwam weer op aangever aflopen. Aangever zag dat de jongen zijn handen tot vuisten had gebald en dat hij in een vechthouding ongeveer één meter voor hem ging staan. De jongen kwam steeds dichter naar aangever toelopen. De rechtbank maakt uit de geneeskundige verklaring van 7 september 2012 op dat de hoektand van aangever [Aangever 1] door de klap zo los was komen te staan dat deze moest worden verwijderd. Getuige [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat zij op 6 september 2012 met [Aangever 1] in zijn tent zat bij de surfvijver te [getuige 4]. Een persoon vroeg of [Aangever 1] de tent uit wilde komen. De persoon die voor de tent stond trok de rits omhoog en maakte de tent open. [Aangever 1] kon niet makkelijk uit de tent komen, omdat die persoon dicht tegen de opening stond. [Aangever 1] duwde de man iets aan de kant, zodat hij de tent uit kon komen. Opeens kwam er een tweede man bij die man. Getuige hoorde dat [Aangever 1] vervolgens twee klappen kreeg. Later hoorde zij van [Aangever 1] dat de magere man hem geslagen had. Getuige was de tent uit gegaan en zag [Aangever 1] tegenover een magere man staan. Die magere man duwde haar een paar keer naar achteren. Zij zag dat de magere man in een gevechthouding tegenover [Aangever 1] stond. Getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat hij op 6 september 2012 met zijn maat [Aangever 1] aan het vissen was bij de surfvijver bij de Groeneveldselaan in [getuige 4]. Hij hoorde zijn maat om hulp schreeuwen en zag twee mannen bij de tent van zijn maat staan. De jongen met het forse postuur kwam strak voor hem staan met een speling van ongeveer vijf centimeter. Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij op de avond van 6 september 2012 met [verdachte] in het stadspark in [getuige 4] alcohol had gedronken en dat zij daarna richting de surfvijver waren gelopen. Daar kwamen zij langs een tent met vissers. [medeverdachte] verklaarde dat zij met die mensen aan de praat raakten en dat zij een woordenwisseling kregen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op de avond van 6 september 2012 samen met medeverdachte [medeverdachte] alcohol had gedronken, dat hij een jointje had gerookt en dat ze samen naar de surfvijver in [getuige 4] waren gelopen. Bij de surfvijver waren ze in contact gekomen met de mensen die in tenten bij de surfvijver zaten. Verdachte verklaarde dat er een agressieve sfeer hing. Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft de rechtbank geen reden om aan de juistheid van de verklaringen van aangever [Aangever 1] en getuigen [getuige 2] en [getuige 1] te twijfelen. De verklaring van aangever wordt ondersteund door de verklaringen van beide getuigen -en vice versa- en op het punt van het slaan door één van de verdachten in zijn gezicht tevens door hetgeen de tandarts in de geneeskundige verklaring heeft vermeld. De rechtbank acht daarom de aan verdachte en zijn medeverdachte onder feit 2 primair ten laste gelegde handelingen wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is van oordeel dat de combinatie van deze handelingen in onderling verband bezien, gekwalificeerd dienen te worden als het plegen van openlijk geweld. De rechtbank acht op basis van de verklaringen bewezen dat zowel verdachte als zijn medeverdachte één of meer van deze handelingen heeft verricht en dat zij daarmee beiden een aandeel hebben gehad in het geheel. De bewezen verklaarde handelingen zijn daarmee aan beiden verdachten toe te rekenen. De rechtbank acht aldus bewezen dat verdachte op 6 september 2012 openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [Aangever 1] en [getuige 2]. Nu op basis van de verklaringen niet kan worden vastgesteld dat (één van) de verdachte(n) een gevechthouding tegenover [getuige 1] heeft aangenomen en de overige ten laste gelegde en bewezen verklaarde handelingen niet tegen [getuige 1] gericht zijn geweest zal de rechtbank verdachte van het plegen van openlijk geweld tegen deze [getuige 1] vrijspreken. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.