RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Economische Politierechter te Zwolle Parketnummer: 07.700097-05 Uitspraak: 29 november 2005 S T R A F V O N N I S in de zaak van het openbaar ministerie tegen: [naam verdachte], gevestigd te [adres verdachte]. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2005. De verdachte is verschenen in de persoon van [naam vertegenwoordiger verdachte], bijgestaan door mr. I.P. de Groot, advocaat te Terneuzen. De officier van justitie, mr. S. Buis, heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte terzake het onder 1 en 2 ten laste gelegde, zijnde zes overtredingen, wordt veroordeeld tot zesmaal een geldboete van € 2000,-- waarvan telkens € 1500,-- voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. TENLASTELEGGING De verdachte is ten laste gelegd dat: (volgt tenlastelegging). BEWIJS met betrekking tot de regelgeving In artikel 3, tweede lid van het Warenwetbesluit Speelgoed is bepaald dat speelgoed en kinderwaren moeten voldoen aan de in bijlage 2 vermelde voorschriften. Op grond van artikel 4 van het Warenwetbesluit speelgoed wordt, indien de CE-markering wordt gebezigd, vermoed dat voldaan is aan het bij artikel 3, tweede lid bepaalde. De minister heeft in artikel 1 van de ‘Aanwijzing normen voor aanduiding van speelgoed’ de normen Veiligheid van speelgoed, CEN EN 71 genoemd als normen waaraan moet zijn voldaan om de CE-markering voor speelgoed te bezigen. Verder is er door de Europese Commissie voor Normalisatie het rapport “Classification of toys – Guidelines” uitgebracht. Het betreft richtlijnen om te bepalen welk speelgoed bestemd is voor kinderen jonger dan 36 maanden en welk speelgoed dat niet is. met betrekking tot de ‘Aanwijzing normen voor aanduiding van speelgoed’ Van de zijde van de verdediging is betoogd dat de van de Minister afkomstige ‘Aanwijzing normen voor aanduiding van speelgoed’ onverbindend is omdat deze Aanwijzing van de niet- algemeen-verbindende “hulp”regels (de normen Veiligheid van speelgoed CEN EN 71), absolute bindende normen maakt, terwijl het voldoen aan deze normen blijkens de EG-richtlijn 88/378 van 3 mei 1988 inzake de veiligheid van speelgoed slechts een bewijsvermoeden dient op te leveren dat voldaan is aan de fundamentele veiligheidsnormen. De economische politierechter verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent het volgende. Door de Aanwijzing van de Minister is bepaald dat de aanduiding CE-markering voor speelgoed uitsluitend mag worden gebezigd indien dat speelgoed vervaardigd is in overeenstemming de normen Veiligheid van speelgoed CEN EN 71. De Aanwijzing heeft slechts betrekking op normen voor het mogen bezigen van een CE-markering. Anders dat de verdediging stelt, laat de ‘Aanwijzing normen voor aanduiding van speelgoed’ ruimte om te bewijzen dat voldaan is aan de fundamentele veiligheidsnormen (geformuleerd in de EG-richtlijn 88/378/EEG van de Raad 3 mei 1988), zij het dat dan geen CE-markering mag worden gevoerd. kennelijk bestemd voor kinderen jonger dan 36 maanden De raadsman van verdachte heeft, kort en zakelijk weergegeven, betoogd dat de in de tenlastelegging genoemde treinsets niet aan het juiste testregime zijn onderworpen, omdat het betreffende speelgoed naar de bedoeling van de fabrikant niet bestemd is voor kinderen jonger dan 36 maanden. De economische politierechter overweegt hieromtrent het volgende. Uit de CEN EN 71-normen inzake veiligheid van speelgoed is niet af te leiden dat de bedoeling van de fabrikant doorslaggevend is voor de bepaling of het speelgoed al dan niet bestemd is voor kinderen jonger dan 36 maanden. De economische politierechter is van oordeel dat zowel uit het rapport “Classification of toys – Guidelines” als uit de bewoordingen van, de bij het Warenwetbesluit Speelgoed behorende, bijlage 2 blijkt dat het om een objectief te bepalen bestemming van het speelgoed gaat. Het feit dat kinderen jonger dan 36 maanden wellicht niet in staat zullen zijn de in de tenlastelegging genoemde treinsets) in elkaar te zetten is niet bepalend voor de vaststelling dat het speelgoed kennelijk bestemd is voor kinderen van 36 maanden en ouder. Gelet op de, uit de onderliggende stukken gebleken, simpele vorm, de grootte van de onderdelen, assemblage en de eenvoudige hanteerbaarheid van het betreffende speelgoed is het, naar het oordeel van de economische politierechter, kennelijk ook bestemd voor kinderen jonger dan 36 maanden. met betrekking tot de testvoorschriften De verdediging heeft aangevoerd dat niet is gebleken dat de door de Keuringsdienst uitgevoerde testen op het speelgoed uitgevoerd zijn volgens de daarvoor geldende voorschriften. De economische politierechter overweegt hieromtrent het volgende. In de zich in het dossier bevindende onderzoeksrapporten van de Voedsel en Waren Autoriteit staat vermeldt dat de normen van EN 71-1 1998 zijn gehanteerd bij de uitgevoerde testen. Daaruit blijkt dat volgens de daarvoor geldende voorschriften is getest. bewezenverklaring De economische politierechter acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat: 1. zij op 24 september 2003 in de gemeente Staphorst op perceel [straatnaam + huisnummer] aldaar speelgoed, te weten
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.