RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Sector civiel recht Enkelvoudige familiekamer. Zaaknummer: 102149 FA RK 04 -3313Datum: 20 JUL 2005 BESCHIKKINGin de zaak van: [de man] wonende te [woonplaats 1][woonplaats 1],advocaat mr. S.W.F. Rouwette te Apeldoorn,procureur mr. M.G.I.W. Teunis,verzoeker,hierna als de man aangeduid, en [de vrouw],wonende te [woonplaats 2][woonplaats 2],procureur mr. F.C.M. Koerhuis,belanghebbende,hierna als de vrouw aangeduid. VERLOOP VAN DE PROCEDURE De man heeft op 15 oktober 2004 onder bovenvermeld zaaknummer een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend, dat rechtsgeldig is betekend. De vrouw heeft binnen de daartoe gestelde termijn een verweerschrift ingediend. dat tevens een zelfstandig verzoek inhoudt. Naar aanleiding van dit zelfstandig verzoek heeft de man binnen de daartoe gestelde termijn daartegen een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft kennisgenomen van:- de beschikkingen voorlopige voorzieningen d.d. 18 oktober 2004 en 19 mei 2005;- een brief met bij lagen d.d. 6juni 2005 van de vrouw;- een brief d.d. 7juni 2005 van de vrouw;- een telefaxbericht d.d. 7 juni 2005 van de man. De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren op 16juni 2005, bij welke gelegenheid de beide raadslieden pleitaantekeningen hebben overgelegd, welke in het dossier zijn gevoegd. VASTSTAANDE FEITEN De man en de vrouw zijn op 15 augustus 1996 in de gemeente Oldebroek met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden, hoofdzakelijk inhoudende een uitsluiting van elke gemeenschap. De man en de vrouw bezitten de Nederlandse nationaliteit. BEOORDELING VAN DE ZAAK Scheidingsverzoek De man heeft echtscheiding verzocht op grond van de stelling dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft die stelling erkend. Nu ook overigens aan de wettelijke bepalingen is voldaan, is het verzoek tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar. Echtelijke woning De man heeft het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de tot de inboedel daarvan behorende zaken verzocht. De vrouw heeft dat verzoek niet weersproken, zodat dit zal worden toegewezen. Huwelijksgoederengemeenschap De man heeft verzocht te bepalen dat partijen overgaan tot vermogensrechtelijke afwikkeling van de gevolgen van de ontbinding van het huwelijk met inachtneming van de akte huwelijksvoorwaarden en daaruit voortvloeiend te bepalen dat de vrouw wegens verrekening aan de man dient te voldoen een bedrag van € 100.000,=, vermeerderd met de rente vanaf het moment waarop zij dit bedrag van de rekening van de man heeft onttrokken, te weten 7 september 2004, dan wel een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. De vrouw heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd, doch gelijktijdig verzocht de vermogensrechtelijke afwikkeling tussen partijen met inachtneming van de huwelijksvoorwaarden op nader aan te geven gronden en wijze vast te stellen. Op verzoek van partijen zal de rechtbank de beslissing op dit punt aanhouden en de zaak verwijzen naar een nader te bepalen roldatum als in het dictum vermeld. Uitkering tot levensonderhoud De vrouw heeft een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud gevraagd van € 2.000,= per maand. De man heeft hiertegen verweer gevoerd, primair stellende dat partijen bij akte houdende huwelijksvoorwaarden zijn overeengekomen dat zij bij een eventuele ontbinding van het huwelijk door echtscheiding over en weer geen aanspraak op alimentatie zouden maken. Inmiddels is de man met pensioen zodat toewijzing van een bedrag aan alimentatie in feite ook zou neerkomen op doorbreking van de bepaling dat er tussen partijen geen pensioenverevening zal plaatsvinden, zo heeft de man aangevoerd. In de gegeven omstandigheden zou toewijzing van het verzoek van de vrouw volgens de man in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. Subsidiair heeft de man de behoefte van de vrouw aan alimentatie weersproken. Tenslotte heeft de man gesteld dat zijn draagkracht niet toereikend is om de verzochte bijdrage te voldoen en om een eventuele alimentatie in de tijd te beperken tot maximaal 1 jaar. De vrouw heeft, gelet op artikel 1:400 lid 2 BW een beroep gedaan op de nietigheid van de bewuste bepaling in de akte van huwelijksvoorwaarden en voorts haar stellingen gehandhaafd. De rechtbank overweegt het volgende. Artikel 5 van de huwelijksvoorwaarden, door partijen overeengekomen op 24 juli 1996, luidt: Ten aanzien van het door de echtgenoten tijdens huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen zal bij echtscheiding ofscheiding van tafel en bed tussen hen geen verdeling of verevening ingevolge de wet op de pensioenverevening plaatsvinden. Voorts verklaren partijen te zijn overeengekomen dat in geval hun huwelijk door echtscheiding wordt ontbonden, geen van hen jegens de ander aanspraak zal maken op alimentatie. Aan de vrouw kan worden toegegeven dat het stelsel van de wet, neergelegd in artikel 1:400 tweede lid BWjuncto 1:158 BW, moet leiden tot de conclusie dat een bepaling als vervat in de tweede alinea van artikel 5 van de akte huwelijksvoorwaarden, nietig is. Ook op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad(NJ 1980, 363 enNJ 1996,352) kan de conclusie niet een andere zijn. De bijzondere omstandigheden van het geval kunnen evenwel meebrengen dat een beroep op deze nietigheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtbank neemt in dat verband de volgende omstandigheden in ogenschouw:- partijen hebben voorafgaand aan hun huwelijk circa 7 jaar samengewoond;- ten tijde van het opstellen van de akte huwelijksvoorwaarden was de man 57 jaar en de vrouw 46 jaar;- beide partijen waren voordien reeds eerder gehuwd geweest;- beide partijen hadden kinderen uit die eerdere huwelijken;- de man heeft langjarige — en nog steeds bestaande — alimentatieverplichtingen jegens zijn eerste echtgenote, omtrent welke verplichtingen tussen de man en die vrouw meerdere procedures zijn gevoerd, hetgeen de man als emotioneel belastend heeft ervaren;- de (kandidaat-)notaris die betrokken was bij de tot standkoming van de akte huwelijksvoorwaarden heeft voorafgaand aan de ondertekening schriftelijk laten weten dat “zij niet kon garanderen dat een bepaling over niet vragen van alimentatie door de rechter wordt aanvaard”; partijen hebben niettemin de bewuste bepaling gehandhaafd;- zowel gedurende de samenwoning als tijdens het huwelijk hebben beide partijen — de man tot hij met pensioen ging; de vrouw tot zij vanaf 2000 een WAO-uitkering ontving — (vrijwel) full time gewerkt, zodat aangenomen moet worden dat de huwelijkse situatie als zodanig geen aanmerkelijke invloed heeft gehad op de verdiencapaciteit van de vrouw;- de arbeidsongeschiktheid van de vrouw is ontstaan door RSI, rug- en knieklachten, waarbij niet is gesteld of aannemelijk gemaakt dat deze verband houden met haar zorgtaken voor de man gedurende het huwelijk;- de man is thans 66 jaar oud, de vrouw 55 jaar. Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, brengen de rechtbank tot de conclusie dat partijen destijds kennelijk uitdrukkelijk hebben beoogd uiting te geven aan hun wens om zowel tijdens als na het huwelijk geen financiële afhankelijkheid jegens elkaar te scheppen, alsmede dat de vrouw zich ten tijde van het ondertekenen van de akte huwelijksvoorwaarden volledig bewust was van deze strekking. Juist de concrete ervaringen van de man met de tegengestelde situatie jegens zijn eerste echtgenote maken deze voorwaarde zeer invoelbaar. Mede gezien de verander(en)de maatschappelijke opvattingen over de financiële zelfstandigheid van (ex-)partners, met name ook wanneer - zoals in casu - geen sprake is van zorgverplichtingen jegens (jonge) kinderen, is deze wens ook niet zeer bijzonder of opmerkelijk te noemen. Het geheel overziende is de rechtbank van oordeel dat in de gegeven, bijzondere omstandigheden van het geval een beroep op de nietigheid van artikel 5 van de huwelijksvoorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en daarom terzijde moet worden gesteld.De subsidiaire stellingen en weren behoeven dan ook geen bespreking meer. Het voorgaande betekent dat het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal worden afgewezen. BESLISSING De rechtbank: Spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, op 15 augustus 1996 in de gemeente Oldebroek met elkaar gehuwd; Bepaalt dat de man, als hij de echtelijke woning, gelegen aan de [adres], op de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand nog bewoont, jegens de vrouw bevoegd is die bewoning en het gebruik van de tot die woning en de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na dat tijdstip voort te zetten; Wijst af het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud; Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behoudens voor zover het de echtscheiding betreft; Alvorens verder te beslissen Houdt de beslissing aan en verwijst de zaak voor inlichtingen door de man en vrouw naar de rol van deze kamer van woensdag 17 augustus 2005, voor dagbepaling mondelinge behandeling betreffende de vermogensrechtelijke afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Aldus gegeven door mr. W.N. Everts, rechter, in tegenwoordigheid van R.A. Stam als griffier,en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 JUL 2005
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.