RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD sector kanton – locatie Zwolle zaaknr.: 338073 VV 06-79 datum : 8 december 2006 Vonnis in het kort geding van: de stichting WONINGSTICHTING BETER WONEN VECHTDAL, gevestigd en kantoorhoudende te Hardenberg, eiseres, verder te noemen: “verhuurster”, gemachtigde mr. O.C.A. Millaard, advocaat te Zwolle, tegen mevrouw [HUURSTER], wonende te [woonplaats], [adres], gedaagde, verder te noemen: “[huurster]”, gemachtigde mr. C.R. Post, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen. De procedure De kantonrechter heeft kennisgenomen van: - het exploot d.d. 20 november 2006 met aangehechte producties houdende een vordering tot het treffen van een voorziening bij voorraad alsmede het herstelexploot van 21 november 2006 en - de bij faxbrief d.d. 28 november 2006 van de zijde van [huurster] ingezonden producties. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 november 2006 in het gemeentehuis van de gemeente Hardenberg, waarna de situatie ter plaatse omtrent de woning van [huurster] is opgenomen. Verschenen zijn: - namens verhuurster, de heren [N] en [S], bijgestaan door mr. Millaard; - [huurster] alsmede haar dochter met echtgenoot, bijgestaan door mr. Post en - namens de gemeente Hardenberg mevrouw [Y] en de heer [Z], coördinator respectievelijk medewerker van het project “Masterplan Centrum” van de gemeente Hardenberg. Het geschil De vordering van verhuurster strekt ertoe dat de kantonrechter als voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [huurster] zal veroordelen tot ontruiming van het door haar gehuurde woonhuis aan de [adres] te Hardenberg op zo kort mogelijke termijn met al het hare en de haren en met afgifte der sleutels, met machtiging op verhuurster om de ontruiming te doen bewerkstelligen desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie en op kosten van [huurster], met veroordeling van [huurster] in de kosten van de procedure. [huurster] heeft de vordering bestreden en de afwijzing daarvan bepleit. De vaststaande feiten Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast. a. Verhuurster heeft met ingang van 22 november 2001 aan [huurster], thans 83 jaren oud, verhuurd de woning aan de [adres] te Hardenberg. Het betreft de helft van een twee-onder-één-kap-woning. Deze huurovereenkomst is tot stand gekomen doordat [huurster] in verband met sloop van de toen door haar bewoonde woning aan de [adres] diende te ontruimen. In de overeenkomst is verwoord dat [huurster] de keuze heeft om in deze woning te blijven wonen dan wel te zijner tijd een appartement te betrekken in de te realiseren nieuwbouw. b. Het gehuurde maakt deel uit van de woonwijk “Marsch Kruserbrink”, welke wijk valt in het centrumgebied van de gemeente Hardenberg. De gemeente Hardenberg is bezig met een revitalisering / herstructurering van het centrumgebied met als doel de aantrekkelijkheid van het centrum te versterken en meer variëteit aan woningen te creëren. c. Verhuurster heeft het besluit genomen om de aan haar toebehorende huurwoningen in de [straat] te slopen, waartoe behoren de woningen met nrs. [nr] en [nr] d. In het kader van voormelde revitalisering / herstructurering van het centrumgebied heeft de coöperatieve vereniging “De Toren” haar pand met ondergrond aan de [straat] [nr] afgestaan, waar tegenover aan haar is toegezegd dat zij haar nieuwbouw zal mogen realiseren op de grond waarop nu de woningen aan [straat] [nr] en [nr] staan. Deze vereniging is thans tijdelijk elders in Hardenberg gevestigd. e. Verhuurster heeft ten behoeve van de herstructurering van de woonwijk voor haar huurders een “Sociaal plan sloop” opgesteld. In dit plan wordt onder meer behandeld de procedure omtrent de opzegging van de huurovereenkomst en het verkrijgen van alternatieve woonruimte, de eventueel toe te kennen vergoedingen en het beheer van de wijk. f. Bij brief van 20 april 2006 heeft verhuurster de huurovereenkomst met [huurster] opgezegd tegen 24 oktober 2006 wegens dringend eigen gebruik, zulks in verband met het realiseren van de herstructureringsplannen voor de wijk “Marsch Kruserbrink”. Bij brief van 1 juni 2006 is namens [huurster] expliciet meegedeeld dat niet met de opzegging wordt ingestemd. g. Verhuurster heeft na opzegging aan [huurster] andere vervangende woonruimte aangeboden, daaronder begrepen een appartement in een bejaardencomplex in het centrumgebied in de gemeente Hardenberg. Verhuurster heeft eveneens aan [huurster] aangeboden de verhuizing en de inrichting van de vervangende woonruimte op haar kosten te (laten) verzorgen. Verhuurster heeft voorts aangeboden de in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten in de woning aan de [adres] aangebrachte voorzieningen te verplaatsen en aan te brengen in de vervangende woonruimte. h. Op 9 augustus 2006 heeft de gemeente Hardenberg een sloopvergunning afgegeven voor onder meer de woningen aan de [adres]. [huurster] heeft daartegen op 19 september 2006 een bezwaarschrift ingediend. Dat bezwaarschrift zal op 14 december 2006 worden behandeld door de commissie Bezwaarschriften van de gemeente Hardenberg. i. Op 16 juni 2006 is bij de gemeente Hardenberg een aanvraag ingediend voor een bouwvergunning, welke aanvraag onder meer betrekking heeft op het kantoorgebouw “De Toren” aan de [adres]. De behandeling van die aanvraag is stilgelegd wegens de onmogelijkheid van het verrichten van bodemonderzoek op het perceel [adres]. j. Voor de realisatie van het kantoorgebouw “De Toren” op het perceel van de [adres] is een vrijstelling van het bestemmingsplan nodig op grond van artikel 19 Wet Ruimtelijke Ordening. Deze vrijstellingsprocedure is nog niet opgestart. k. Verhuurster heeft op de geweigerde toestemming van [huurster] met de opzegging nog geen beëindigingsvordering bij de kantonrechter gedaan als bedoeld in artikel 7:272 lid 2 BW. l. De woning aan de [adres] is inmiddels ontruimd en dichtgespijkerd. De stellingen van partijen Verhuurster heeft aan haar vordering tot ontruiming ten grondslag gelegd dat zij in overleg en in samenwerking met de gemeente Hardenberg is gekomen tot een plan om het centrumgebied van de gemeente Hardenberg te revitaliseren / herstructureren. In dat kader dienen een aantal woningen gesloopt te worden, waaronder de woning van [huurster]. In de grote puzzel van de ontwikkeling van het centrumgebied zijn een groot aantal partijen betrokken, waaronder de private partij “De Toren”. Die vereniging beschikte over een stuk grond dat absoluut noodzakelijk was voor de herstructurering van de wijk. “De Toren” was slechts bereid te vertrekken indien zij op een ander stuk grond haar kantoorgebouw kon realiseren. Er bleek geen andere oplossing mogelijk dan dat “De Toren” de grond van de percelen [adres] ter beschikking zou worden gesteld. De herstructurering van het centrumgebied is dan ook niet mogelijk met behoud van de huurovereenkomst met [huurster]. Aan [huurster] zijn diverse vervangende woonruimten aangeboden, waarbij verhuurster meerdere andere toezeggingen heeft gedaan. Verhuurster heeft een groot belang bij een ontruiming omdat de herstructurering moet voortgaan met onder meer de sloop van [huurster]s woning. Verhuurster heeft zich aan de herstructurering gebonden. Zij heeft zich steeds redelijk opgesteld en is jegens [huurster] tot veel bereid. Haar belangen moeten dan ook zwaarder wegen dan die van [huurster]. [huurster] heeft gemotiveerd verweer tegen de vordering gevoerd. Zij heeft allereerst aangevoerd dat de zaak niet geschikt is om daarover in kort geding te beslissen. Zij heeft voorts het spoedeisend belang bestreden. [huurster] heeft daarnaast aangevoerd dat de voorgenomen sloop niets te maken heeft de herstructureringsplannen doch slechts in verband staan met de afspraken die verhuurster heeft gemaakt met derden. Uit de overgelegde stukken omtrent de realisatie van de nieuwbouw van “De Toren” blijkt ook niet dat verhuurster een spoedeisend belang heeft. Tevens blijkt dat de woning van [huurster] al in 2002 is aangemerkt als een te slopen woning zonder dat verhuurster nadere stappen heeft ondernomen, zoals een bodemprocedure op de verworpen opzegging van de huurovereenkomst. Verhuurster heeft evenmin aangetoond dat de uitkomst van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De feitelijke omstandigheden zijn ook te complex om op basis daarvan een ontruiming in kort geding te gelasten. Bij aanvang van de huidige huurovereenkomst is [huurster] een keuze toegezegd. De beloofde nieuwbouw is echter tot heden niet gerealiseerd, zodat zij geen keuze heeft. De toezegging in november 2001 dat zij in de woning kan blijven, dient dan ook gestand te worden gedaan. Het eigen, dringende belang van verhuurster bij de realisatie van het kantoorgebouw is onduidelijk. De spoedeisendheid van de vordering en de dringendheid van het gestelde eigen gebruik kunnen dan ook niet worden vastgesteld. Daarbij speelt dat op dit moment niet vast staat dat de noodzakelijke vergunningen en vrijstelling verkregen zullen worden. In ieder geval dient de huurovereenkomst voort te duren zolang niet vaststaat dat het gestelde voornemen feitelijk gerealiseerd kan worden. Indien en voor zover er spoedeisendheid is, geldt dat verhuurster zichzelf in die positie heeft gemanoeuvreerd. Een belangenafweging behoort eveneens in haar voordeel uit te vallen. De beoordeling
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.