vonnis RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 125287 / HA ZA 06-1257 Vonnis van 6 juni 2007 in de zaak van de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK NV, gevestigd te Amsterdam, eiseres, procureur mr. E.A.M. Claassen, advocaat mr. R.P.M. Janse van Mantgem te Amsterdam, tegen [gedaagde], wonende te [plaats], gedaagde, procureur mr. R.K.E. Buysrogge, advocaat mr. G.R. van der Plas te Katwijk aan Zee. Partijen zullen hierna Abn Amro en [gedaagde] genoemd worden.
- De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 20 december 2006 - de brief van mr Van der Plas van 22 januari 2007 - het proces-verbaal van comparitie van 15 maart
- 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald.
- De feiten 2.
- Door een client van Abn Amro, de heer [A], is op 22 maart 2005 een TIN-code aangevraagd. De brief met daarin de TIN-code is vervolgens door Abn Amro centraal via de TPG verstuurd naar het huisadres van [A]. [A] heeft meegedeeld dat hij deze brief nooit heeft ontvangen. 2.
- Van de rekening van de heer [A] bij de Abn Amro zijn daarop in de maanden april en mei 2005 diverse bedragen tot een totaalbedrag van EUR 39.000,- afgeschreven. Dit bedrag is overgeboekt naar de rekening van [gedaagde]. De heer [A] had geen opdracht gegeven tot overboeking van deze bedragen naar het rekeningnummer van gedaagde. 2.
- Zowel de heer [A] als Abn Amro hebben aangifte gedaan bij de politie Duin- en Bollenstreek/Team Noordwijk van fraude/oplichting. 2.
- Abn Amro heeft het bedrag van EUR 39.000,- aan de heer [A] betaald. De heer [A] heeft daarop zijn vordering op [gedaagde] middels een akte van cessie aan Abn Amro overgedragen. 2.
- Bij brief van 15 februari 2006 heeft Abn Amro [gedaagde] gesommeerd tot algehele betaling over te gaan voor 25 februari
- [gedaagde] heeft niet betaald.
- Het geschil 3.
- Abn Amro vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 41.982,44, vermeerderd met rente en kosten. 3.
- [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
- De beoordeling 4.
- [gedaagde] erkent, dat op zijn bankrekening in de maanden april en mei 2005 diverse bedragen tot een totaalbedrag van EUR 39.000,- zijn overgemaakt en dat deze bedragen afkomstig waren van een bankrekening ten name van de heer [A]. 4.
- [gedaagde] voert aan, dat hij door een schoolgenoot, een zekere [B] uit [plaats], onder bedreiging is gedwongen om zijn bankpasje met pincode aan die [B] af te geven, dat hij dan ook niet de beschikking kreeg over de op zijn bankrekening gestorte bedragen, maar dat die bedragen steeds door [B] en/of anderen met de pinpas van [gedaagde] in contanten zijn opgenomen. 4.
- [gedaagde] voert aan, dat niet [A] onverschuldigd heeft betaald maar degene die de beschikking had over de TIN-code van [A]. Voorts stelt [gedaagde], dat niet aan hem betaald is, maar dat is betaald aan [B]. 4.
- Beide verweren falen. De vraag of [A] heeft betaald en of [gedaagde] heeft ontvangen wordt beantwoord aan de hand van objectieve maatstaven. Van betaling en ontvangst kan derhalve ook sprake zijn als [A] zich niet realiseerde dat hij betaalde (b.v. omdat een ander zijn TIN-code gebruikte) of als [gedaagde] zich niet realiseerde dat hij ontving. Nu het geld op de bankrekening van [gedaagde] is bijgeschreven heeft [gedaagde] het geld wel degelijk ontvangen. Dat –zoals [gedaagde] stelt- het geld door [B] met behulp van de pinpas van [gedaagde] vervolgens van de bankrekening van [gedaagde] is opgenomen, doet aan de daaraan voorafgaande ontvangst op de bankrekening van [gedaagde] niet af. 4.
- Terzijde wil de rechtbank nog het volgende opmerken: Als –zoals [gedaagde] stelt- [B] hem gedwongen heeft zijn bankpasje met pincode af te geven en zijn pincode aan [B] op te geven, dan had het toch op zijn minst voor de hand gelegen, dat [gedaagde] zijn pinpasje bij de bank had laten blokkeren. Door dat na te laten heeft [gedaagde] het aan zichzelf te wijten dat hij thans door de bank wordt aangesproken. 4.
- Nu overigens geen verweer is gevoerd kan de vordering integraal worden toegewezen. 4.
- [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Abn Amro worden begroot op: - dagvaarding EUR 71,32 - vast recht 925,00 - salaris procureur 1.788,00 (2,0 punten × tarief EUR 894,00) Totaal EUR 2.784,32
- De beslissing De rechtbank 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan Abn Amro te betalen een bedrag van EUR 41.982,44 (éénenveertig duizendnegenhonderdtweeëntachtig euro en vierenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 maart 2005 tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Abn Amro tot op heden begroot op EUR 2.784,32, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.W.F. Houthoff en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2007.