RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer Parketnr. : 07.400788-03 Uitspraak: 28 augustus 2007 Vonnis in de zaak van: het openbaar ministerie tegen [verdachte] Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus
- De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.C.F. Kooijmans, advocaat te Zwolle. De officier van justitie, mr. H. Timmer, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot: - een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren; - een werkstraf van 240 uur te vervangen door 120 dagen hechtenis. TENLASTELEGGING De verdachte is ten laste gelegd dat: (volgt tenlastelegging) ONTVANKELIJKHEID OPENBAAR MINISTERIE De raadsman heeft ten eerste betoogd dat de regels omtrent het afdoen van een rechtshulpverzoek niet zijn nageleefd. Het openbaar ministerie dient eerst na een rechtsgeldig ingediend rechtshulpverzoek een advies hieromtrent uit te brengen. De raadsman stelt dat het verzoek van 8 januari 2003 niet rechtsgeldig was, zodat het naar aanleiding daarvan uitgebrachte advies niet gedaan had mogen worden. Na het hernieuwd gedaan rechtshulpverzoek van 11 maart 2003 is niet opnieuw een advies uitgebracht. Ook na het hernieuwde rechtsgeldige rechtshulpverzoek van 1 september 2005 is geen nader advies uitgebracht. Ten tweede heeft de raadsman betoogd dat het openbaar ministerie na de op 25 februari 2004 medegedeelde sepotbeslissing niet tot verdere vervolging kon overgaan, nu zich geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan. Naar het oordeel van de rechtbank dient het eerste betoog te worden verworpen, aangezien de door raadsman genoemde tekortkomingen in het rechtshulpverzoek – voor zover te controleren in het dossier – niet van zodanige aard zijn dat daaraan naar geldend recht de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet worden verbonden, met name niet omdat verdachte niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad. Ook het tweede betoog dient naar het oordeel van de rechtbank te worden verworpen. Immers, de aanvullende verklaring van aangeefster en de – zij het summiere – verklaring van getuige [getuige] kunnen worden aangemerkt als nova op grond waarvan het openbaar ministerie naar geldend recht terug kon komen op de eerder genomen sepotbeslissing. BEWIJS Op grond van de in het strafdossier aanwezige bewijsmiddelen, te weten de aangifte van [aangeefster] en de verklaring van verdachte waarin hij bevestigt dat hij in de ten laste gelegde periode inderdaad in het kader van een hereniging met zijn dochter op bezoek is geweest in Oostenrijk maar waarin hij vervolgens met grote stelligheid ontkent dat er van enig ontuchtige handeling sprake is geweest, is de rechtbank van oordeel dat naar objectieve maatstaven bemeten niet kan worden gesproken van toereikend wettig bewijs van hetgeen verdachte is ten laste gelegd. De als mogelijk belastend aan te merken verklaring van getuige [getuige] doet aan het oordeel van de rechtbank niet af, vanwege haar uiterst summiere karakter. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat verdachte aldus van het onder 1 en 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht. BESLISSING Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Aldus gewezen door mr. L.T. Wemes, voorzitter, mrs. J.H. Bosch en J.E. van den Steenhoven-Drion, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.C.W. Emmen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus
- Mr. J.E. van den Steenhoven-Drion voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.