RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer Registratienummer: Awb 07/2053 en 08/215 Uitspraak in de gedingen tussen: (eiser), wonende te (woonplaats) , gemachtigde mr. E.M. Rengelink, advocaat te Amsterdam, en de Almeerse Scholen Groep (rechtsopvolger van de Bestuurscommissie Openbaar Onderwijs Almere), verweerder, gemachtigde: mw.mr. B. Zippelius, werkzaam bij CAPRA te ’s-Hertogenbosch. 1. Procesverloop Bij brief van 15 december 2006 heeft verweerder aan eiser het voornemen meegedeeld hem vanwege ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag op te leggen met ingang van de eerst mogelijke datum en met bevel tot onmiddellijke tenuitvoerlegging hiervan. Voorts heeft verweerder het voornemen uitgesproken om de geleende en ontvreem-de bedragen van eiser terug te vorderen. Op 12 januari 2007 heeft eiser tijdens een die dag gehouden hoorzitting hierop zijn ziens-wijze gegeven. Bij besluit van 20 februari 2007 heeft verweerder aan eiser met ingang van 23 februari 2007 de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd en tevens besloten de geleende en ontvreemde bedragen van eiser terug te vorderen. Bij besluit van 10 april 2007 heeft ver-weerder het terugvorderingsbedrag vastgesteld op € 116.444,24. Op 29 maart 2007 en 22 mei 2007 zijn namens eiser tegen deze besluiten bezwaarschriften ingediend. Op 20 juni 2007 heeft de externe bezwarencommissie (verder: de commissie) een hoorzitting gehouden. Bij besluit van 15 oktober 2007 heeft verweerder deels in afwijking van de door de com- missie gegeven motivering van het advies, de bezwaren tegen het disciplinaire ontslag onge-grond verklaard. Namens eiser is tegen dit besluit op 23 november 2007 beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer Awb 07/2053. Op 28 januari 2008 heeft de gemachtigde van eiser dit beroep van aanvullende gronden voorzien. Op 16 mei 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Bij besluit van 17 december 2007 heeft verweerder met gedeeltelijke overname van het door de commissie gegeven advies, de bezwaren tegen het besluit van 10 april 2007, gedeeltelijk gegrond verklaard en het terug te vorderen bedrag gesteld op € 16.795,-. Namens eiser is tegen dit besluit op 25 januari 2008 beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer Awb 08/215. Op 16 oktober 2008 heeft verweerder in deze procedure een verweerschrift ingediend. De beroepen zijn op 12 maart 2009 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder is verschenen bij gemachtigden mw.mr. B.J. Zippelius,voornoemd. (...), rector, en (...), hoofd Personeel en Financiën. 2. Overwegingen De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 2.1. Eiser is sedert 1992 werkzaam bij verweerder in de functie van Hoofd Financiële Administratie bij de Openbare Scholengemeenschap “ De Meergronden” (verder: de Meergronden). In deze functie was eiser de eindverantwoordelijk leidinggevende voor de financiële administratie van de Meergronden. Eiser was in zijn functie belast met de totstandkoming van de financiële tussen- en eindrapportages waaronder de jaarstukken. Eiser gaf voorts leiding aan een aantal medewerkers die op de financiële administratie werkten. Laatstgenoemden waren belast met eenvoudige werkzaamheden zoals de administratieve verwerking van financiële gegevens. Van 2005 tot halverwege 2006 heeft eiser als senior administrateur gewerkt. Met ingang van 29 augustus 2006 is via het externe bureau Deloitte een administrateur a.i. op de Meergronden begonnen. Deze administrateur constateerde dat er (nog steeds) ongeregistreerde geldstromen op de Meergronden aanwezig waren. In verband daarmee heeft verweerder Hofmann Bedrijfsrecherche ingeschakeld om een onderzoek te verrichten naar een zwartgeldcircuit op De Meergronden in de periode 1999 tot en met oktober 2006. Bij besluit van 10 oktober 2006 is eiser in kennis gesteld van het besluit hem te schorsen en de toegang tot alle gebouwen van de Meergronden te ontzeggen. 2.2. Op basis van de onderzoeksresultaten is verweerder tot de conclusie gekomen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan diverse vormen van ernstig plichtsverzuim, te weten (samengevat): -het onderhouden van een zwartgeldcircuit onder meer door middel van het handhaven en gebruiken van tenminste twee bankrekeningen die hij buiten de officiële administratie van de school heeft gehouden, een en ander buiten medeweten van zijn superieuren; -het op onvoldoende wijze registreren en bijhouden van de administratie die betrekking heeft gehad op de verhuur van de zalen in de periode 1999-2006 en het vernietigen van delen van deze administratie; -het aanwenden van financiële middelen van De Meergronden ten behoeve van het tijdelijk aanvullen van de rekeningen van de Stichting Tanzania TPC, zonder dat eiser daarover terugkoppeling heeft gepleegd met de schoolleiding c.q. de rector; -het gebruiken van een pinpas van een van de rekeningen van de school, met daaraan verbonden het gebruik van de naam van de school, in de seksclub (…) te (…); -het aanwenden van genoemde pinpas tijdens de bezoeken aan deze club ten behoeve van het witwassen van zwart geld dan wel mogelijkerwijs van gelden uit criminele activiteiten ver-kregen, althans het aanvaarden van de kwade kans dat op deze wijze de naam van de school wordt verbonden aan zwartgeld- dan wel criminele praktijken; -het verstrekken van renteloze leningen aan medewerkers van de school, zonder terugkoppe-ling met de schoolleiding en zonder deugdelijke vastlegging van de lening of de voorwaar-den waaronder de lening is verstrekt; -het aanzetten van bouwbedrijf (..), c.q. een medewerker van deze firma, tot het sturen van een valse factuur ten bedrage van € 11.905,74 aan De Meergronden voor werkzaamheden die niet zijn verricht, met het oogmerk daarmee een door het bouwbedrijf (…) aan de woning van eiser verrichte verbouwing gedeeltelijk te betalen; -het misbruiken van de genoemde factuur voor de betaling door De Meergronden van een gedeelte van een aan deze woning verrichte verbouwing; -het bij meerdere gelegenheden tussen 10 oktober en 8 november 2006 zich toegang ver-schaffen tot de werkruimten, waarin eiser voorheen werkzaam is geweest op De Meergron-den en bij die gelegenheden het openmaken c.q. openbreken van bureauladen en het zich toe-eigenen van gelden uit de administratie die hem niet toebehoren en waarvoor hij geen toe-stemming had. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals in de vorige rubriek beschreven. 2.3. De commissie heeft verweerder geadviseerd om de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag te handhaven en het ingediende bezwaar ongegrond te verklaren met dien verstande dat twee onderdelen van het bestreden besluit, namelijk dat betreffende het in stand houden van het zwartgeldcircuit door middel van het onder meer handhaven en gebruiken van ten minste twee bankrekeningen die buiten de officiële administratie van de school zijn gehouden en dat betreffende het handelen dat door het gebruik van de verborgen camera is vastgelegd, uit de grondslag van het besluit worden verwijderd. 2.4. Bij besluit van 15 oktober 2007 heeft verweerder gesteld dat de veronderstelling dat het strafontslag uitsluitend gegrond zou zijn op de camerabeelden, niet juist is. Omdat het feitencomplex niet betwist wordt, speelt het beeldmateriaal bij de vaststelling van de relevante feiten geen rol. Subsidiair is verweerder van mening dat camerabeelden wel degelijk toelaatbaar zijn bij de besluitvorming. Verweerder heeft daarbij overwogen dat voldaan is aan het kenbaarheidsvereiste nu in casu de voorzitter van het College van bestuur aan de voorzitter van de MR op 1 november 2006 heeft meegedeeld dat er een verborgen camera was geplaatst. Voorts betwist verweerder dat eiser toestemming had om op 23 ok-tober 2006 op de De Meergronden aanwezig te zijn. Dat het geldbedrag zou zijn aangewend om een openstaande vordering van een conciërge te voldoen, bestrijdt verweerder ook. Op geen enkele manier is verweerder gebleken dat er sprake was van een openstaande vor-dering vanwege werkzaamheden van deze conciërge ten behoeve van de Volksuniversiteit. Bovendien blijkt uit de verdachte feiten en omstandigheden op 23 oktober 2006 dat er nim-mer sprake was van oprechte bedoelingen bij eiser en de conciërge. Dit blijkt reeds hieruit dat de gedragingen van eiser plaatsvonden na schooltijd en dat eiser een gesloten bureaula met een truc opende, waarbij eiser tegen deze conciërge heeft gezegd “ dat hij van niets wist”. Daarnaast is verweerder van oordeel dat eiser niet staande kan houden dan hij na ommekomst van een periode van vijf jaar nog steeds in de veronderstelling was dat hij doende was om het zwartgeldcircuit af te bouwen. Tenslotte is verweerder het niet eens met de overweging van de commissie dat het feit dat eiser de twee bankrekeningen in 2006 (nog) niet had opgeheven en deze nog lange tijd heeft gebruikt niet als plichtsverzuim is aan te merken, omdat het eiser in 2001 niet voldoende duidelijke zou zijn gemaakt binnen welke termijn dit diende te gebeuren. 2.5. Namens eiser is – samengevat – aangevoerd dat de camera is geplaatst in strijd met artikel 139f van het Wetboek van Strafrecht nu er niet is voldaan aan het kenbaarheids-vereiste.Verder is er in 2001 een bijeenkomst geweest over afbouw van het zwartgeldcircuit. Er is echter geen expliciete tijdslimiet afgesproken en eiser heeft alleen opdrachten van de school uitgevoerd terzake de uitbetalingen van zwart geld. Alle handelingen van eiser moeten gezien worden in het licht van de op school bestaande cultuur. Ten aanzien van de terugvordering acht eiser de feiten en omstandigheden die hieraan ten grondslag zijn gelegd niet in overeenstemming met de waarheid. De rechtbank overweegt als volgt. 2.6 Op grond van de gedingstukken staat vast dat halverwege de jaren negentig er twee rekeningen zijn geopend ten behoeve van inkomsten die werden verkregen uit het verhuren van schoolruimtes. De rekening met het nummer (…) met de tenaamstelling “Meergronden Zaalverhuur”was ondergebracht bij de Postbank. De tweede rekening met nummer (…) is omstreeks 1997 door eiser geopend bij de Rabobank onder de naam “Meergronden activiteitenrekening”. Vast staat dat eiser de schoolleiding niet op de hoogte heeft gebracht van het openen van deze rekening (Rapport Hoffmann bladzijde 69). Vervolgens blijkt uit de gedingstukken dat er eind 2001 een overleg heeft plaatsgevonden tussen het bestuur, de controller en de rectoren van de openbare VO-scholen in Almere. Bij dit overleg is er gesproken over de wijze waarop de diverse geldstromen geregeld konden en moesten worden. Tijdens dit overleg is besloten alle Stichtingen – inclusief de bijbehorende rekeningen – op te heffen. Voorts zijn tijdens dit overleg de zwarte betalingen voor neven-activiteiten van schoolmedewerkers aan de orde geweest. Alle deelnemers aan dit overleg – waartoe ook eiser behoorde hebben besloten om dit zogenaamde zwartgeldcircuit af te bouwen. Dit betekent dat er werd besloten om vanaf dat moment de fiscus te betrekken bij betalingen die werden gedaan voor nevenactiviteiten en allerhande klussen. 2.7. Per 1 september 2006 is eiser overgeplaatst. Eerst toen is gebleken dat er twee bankafre-keningen werden aangehouden die geheel buiten de boekhouding waren gehouden, terwijl dagafschriften van deze rekeningen, op enkele afschriften na, ontbraken. Uit achterhaalde gegevens is vervolgens gebleken dat er vanaf 1999 tot medio 2006 een totaal bedrag van omstreeks één ton (in euro’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.