RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer Parketnr. : 07.630031-09 Uitspraak: 2 juni 2009 Vonnis in de zaak van: het openbaar ministerie tegen (verdachte), geboren op (geboortejaar), wonende te ’(adres), Huis van Bewaring te (xxx) Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.W. van Faassen, advocaat te Zwolle. De officier van justitie, mr. S.T.C. van der Werf, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de voorwerpen zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (dossierpagina 1858) worden onttrokken aan het verkeer. TENLASTELEGGING De verdachte is ten laste gelegd dat: (volgt tenlastelegging) BEWIJS Ten aanzien van de onder 1 en 2 genoemde feiten heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat uit de inhoud van de afgetapte telefoongesprekken noch uit de observaties blijkt dat verdachte betrokken is geweest bij de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. In de telefoongesprekken ging het namelijk slechts over de handel in koelkasten. Van versluierd taalgebruik is in deze telefoongesprekken geen sprake geweest en voor zover deze indruk toch is ontstaan, is dit volgens de raadsman veroorzaakt door de grapjes en ‘spielerei’ tussen verdachte en de medeverdachte. Bovendien zijn de observaties niet duidelijk geweest en dient de omstandigheid dat er geen DNA materiaal van de verdachte is aangetroffen op de door de politie onderschepte enveloppen met (valse) documenten voor verdachte ontlastend te werken. De rechtbank volgt dit verweer niet. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen, met name de inhoud van de in de periode van 2 februari 2009 tot en met 8 februari 2009 afgetapte telefoongesprekken, worden afgeleid dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en (naam) bij de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Gebleken is dat verdachte in de dagen voorafgaand aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, regelmatig telefonisch contact heeft gehad met de medeverdachte (naam) en met een derde persoon (van wie het telkens gebruikte telefoonnummer was geregistreerd op naam van ene (naam)). De rechtbank constateert dat de verschillende deelnemers aan deze telefoongesprekken zich op meerdere momenten bedienden van taalgebruik dat – bezien in samenhang met de later aangetroffen (ver)vals(t)e documenten en de gedane observaties - naar het oordeel van de rechtbank zonder meer als verhullend is aan te merken. Zo werd onder meer gesproken over ‘het ding gooien’, ‘de spullen waarmee ik het ding zou kunnen doen’, ‘ik wacht nog op twee klusjes’ en ‘verpakkingsmateriaal’, welke laatste term gelet op de wijze waarop de (ver)vals(t)e documenten kort daarop (verpakt) zijn aangetroffen een zekere betekenis heeft. Uit het verloop van die telefoongesprekken valt af te leiden dat de deelnemers aan die gesprekken elkaar telkens heel wel begrepen. De verklaring die de verdachte voor het versluierde taalgebruik heeft gegeven, namelijk dat er sprake was van grapjes en ’spielerei’, acht de rechtbank, mede wegens de veelvuldigheid van de contacten en het verloop van de gesprekken als geheel bezien, volstrekt ontoereikend en niet aannemelijk. Uit de bewijsmiddelen, met name uit de daaruit naar voren komende opbouw en het patroon van de telefoongesprekken maar ook de waarnemingen van het observatieteam, kan worden afgeleid dat in beide (feiten 1 en 2) gevallen sprake was van dezelfde modus operandi, namelijk dat medeverdachte (naam) contact had met een opdrachtgever voor het maken van valse documenten, dat (naam) de voor het vervalsen benodigde gegevens aan verdachte verstrekte, dat verdachte vervolgens contact zocht met de derde persoon, dat die persoon het feitelijk vervalsen van de documenten verzorgde en de documenten vervolgens (op de (weg)) aan verdachte gaf, dat verdachte die documenten op zijn beurt (in (de nabijheid van) een kapperzaak) aan (naam) verstrekte en dat (naam) de documenten uiteindelijk per post verstuurde aan de opdrachtgever. In dit verband laat de rechtbank sterk meewegen dat de telefonische contacten direct voorafgaand aan 5 februari 2009 en 9 februari 2009 zijn uitgemond in een ontmoeting tussen verdachte en (naam) en vervolgens ook in het daadwerkelijk aantreffen van (ver)vals(t)e documenten. Bovendien neemt de rechtbank in aanmerking dat in het telefoongesprek op 4 februari 2008 om 18:56 (dossierpagina 523) door verdachte wordt gesproken over een viertal documenten, hetgeen exact overeenkomt met het aantal documenten dat op 5 februari 2009 feitelijk is aangetroffen op het TNT postkantoor te Den Haag (dossierpagina 446). Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de betrokkenheid van verdachte bij de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bewezen. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet onafgebroken de houder is geweest van de auto waarin de valse (giro- en zorg)passen zijn aangetroffen. Bovendien heeft verdachte in de betreffende auto regelmatig andere personen vervoerd. Voorgaande levert volgens de raadsman voldoende twijfel aan de herkomst van de gevonden valse passen op. De verdachte dient daarom van dit feit te worden vrijgesproken. De rechtbank volgt ook dit verweer niet. Uit de verklaring van de eigenaresse van de auto, (naam) (dossierpagina 1614), blijkt dat verdachte de auto sinds november 2008 permanent gebruikte en dat de eigenaresse van de auto de in die auto aangetroffen pasjes nog nooit heeft gezien. De rechtbank ziet geen grond te twijfelen aan de juistheid van die verklaring. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de verdachte, als permanente houder van de auto, de valse giropas en valse zorgpas voorhanden heeft gehad. De stelling van de raadsman van het tegendeel leidt niet tot een ander oordeel. Dit geldt te meer nu de verklaring van verdachte ter zitting, na te zijn bevraagd over welke personen en onder welke omstandigheden hij die in de auto eventueel heeft vervoerd, uitermate vaag is gebleven. De rechtbank heeft bovendien zowel ten aanzien van het onder 1 en 2 als het onder 3 ten laste gelegde in aanmerking genomen, dat in de woning van verdachte een groot aantal (niet valse) gegevensdragers van derden zijn aangetroffen, welke gegevensdragers niet aan verdachte of zijn familieleden toebehoren. Voorts is in de woning van verdachte een groot aantal valse documenten aangetroffen. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat: 1. hij op 5 februari 2009 in de gemeente 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft afgeleverd drie valse reisdocumenten - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij en zijn mededader wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als ware zij echt en onvervalst, immers heeft zijn mededader in een postkantoor, gelegen aan de (weg) te 's-Gravenhage aan een postmedewerker een 3-tal enveloppen voorzien van:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.