ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ5171
vonnis RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 141479 / HA ZA 08-143 Vonnis van 29 april 2009 in de zaak van 1. [eiser sub 1], wonende te [woonplaats], 2. [eiser sub 2], wonende te [woonplaats], eisers, advocaat mr. R.E.J.P.M. Rutten, tegen 1. de stichting STICHTING BUREAU JEUGDZORG FLEVOLAND, gevestigd te Lelystad, gedaagde, advocaat mr. C.W.J. Okkerse, 2. de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, zetelend te Utrecht, gedaagde, advocaat mr. M.F.H.M. van Haastert, 3. de stichting STICHTING JEUGDHULPVERLENING FLEVOLAND, zetelend te Almere, gedaagde, advocaat mr. W.P. Maris.
Partijen zullen hierna [eiser sub 2] c.s. en Stichting Bureau Jeugdzorg Flevoland c.s. genoemd worden.
2.2. Op 14 juli 2006 is mevrouw [eiser sub 1] door deze rechtbank benoemd tot tijdelijk voogdes over beide kinderen.
2.3. Op 5 december 2006 heeft Stichting Bureau Jeugdzorg Flevoland een indicatiebesluit tot pleegzorg afgegeven. Dit indicatiebesluit is bij besluit van 3 augustus 2007 ingetrokken omdat het indicatiebesluit een misslag betrof. [eiser sub 2] c.s. heeft tegen het intrekkingbesluit geen bezwaar of beroep ingesteld.
2.4. Bij brief van 10 januari 2007 heeft de Voorziening voor Pleegzorg Flevoland de zijdens [eiser sub 2] c.s. gedane aanvraag voor pleegvergoeding afgewezen. Tegen dit besluit heeft [eiser sub 2] c.s. bezwaar gemaakt. Bij brief van 5 april 2007 heeft de Voorziening voor Pleegzorg aan [eiser sub 2] c.s. meegedeeld het eerdere besluit te handhaven. [eiser sub 2] c.s. heeft hiertegen geen beroep ingesteld.
4.2. De rechtbank overweegt - in de lijn met het verweer van Stichting Bureau Jeugdzorg Flevoland c.s. - als volgt.
In de Wet op de jeugdzorg (Wjz) wordt de aanspraak op, de toegang tot en de bekostiging van de jeugdzorg geregeld. Artikel 4 lid 1 Wjz bepaalt, dat Gedeputeerde staten er zorg voor dragen dat in de provincie één bureau jeugdzorg werkzaam is. In Flevoland is dat de Stichting Bureau Jeugdzorg Flevoland (gedaagde sub 1). In artikel 5 lid 1 Wjz is bepaald dat het bureau jeugdzorg (onder meer) tot taak heeft te bezien of een cliënt zorg nodig heeft. Het vaststellen van de jeugdzorg waarop ingevolge de Wjz aanspraak bestaat vindt plaats in een indicatiebesluit dat door bureau jeugdzorg wordt genomen. Volgens artikel 7 lid 1 Wjz ligt aan een indicatiebesluit een aanvraag van een cliënt ten grondslag. In artikel 7 lid 6 Wjz is geregeld dat het bureau jeugdzorg in afwijking van het eerste lid een besluit kan nemen zonder een aanvraag daartoe, doch van één van de in dat lid genoemde (uitzonderings)gevallen is hier geen sprake. Een indicatiebesluit is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
In het geval het bureau jeugdzorg positief op de aanvraag beslist en besluit dat bepaalde zorg geïndiceerd is, kan de cliënt bij een zorgaanbieder terecht voor het verkrijgen van die zorg. Een zorgaanbieder is een rechtspersoon of een natuurlijk persoon (een beroepsbeoefenaar ingeschreven in het BIG-register) die (jeugd)zorg verleent waarop ingevolgde de Wjz aanspraak bestaat (artikel 18 Wjz). De Stichting Jeugdhulpverlening Flevoland (gedaagde sub 3) is zo’n zorgaanbieder. Deze biedt pleegzorg middels de Voorziening voor Pleegzorg Flevoland, dat onderdeel van de Stichting Jeugdhulpverlening Flevoland uitmaakt. Volgens artikel 22 lid 1 Wjz draagt een zorgaanbieder die pleegzorg biedt er zorg voor dat de verzorging en opvoeding van een jeugdige door een pleegouder geschiedt op basis van een pleegcontract tussen hem en de pleegouder.
Volgens artikel 22 lid 2 Wjz wordt bij ministeriële regeling eisen gesteld met betrekking tot pleegouders. Een pleegouder is blijkens de definitie van artikel 1 onder x Wjz: “degene die in het kader van jeugdzorg een jeugdige die niet zijn kind of stiefkind is, als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt”. Volgens art 23 lid 1 Wjz verstrekt een zorgaanbieder die pleegzorg biedt aan een pleegouder waarmee hij een pleegcontract heeft gesloten een subsidie (pleegvergoeding) voor de verzorging en opvoeding van de jeugdige. Een besluit van de zorgaanbieder over de toekenning van subsidie in de vorm van een pleegvergoeding is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Krachtens de Regeling pleegzorg (Regeling van 22 december 2004, Stcrt. 253) wordt een (tijdelijk) voogd niet als pleegouder aangemerkt, tenzij de voogd reeds pleegouder was op basis van een pleegcontract ( Raad van State 27 december 2006, LJN: AZ 5168).
4.3. De taken en bevoegdheden van de raad voor de kinderbescherming zijn onder meer geregeld in titel 13, afdeling 3 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (artikel 1:238 BW e.v.). Op grond van artikel 1:242 BW vormen alle gevallen waarin maatregelen met betrekking tot het gezag over minderjarigen overwogen dienen te worden een grond van raadsbemoeienis. Volgens artikel 2 Regeling pleegzorg dienen een pleegouder en alle personen van 12 jaar en ouder die als inwonende op het adres van de pleegouder staan ingeschreven, te beschikken over een verklaring van geen bezwaar die voor de aanvang van de opvoeding en verzorging van een pleegkind is afgegeven door de raad voor de kinderbescherming, waaruit blijkt dat er geen sprake is van bezwarende feiten en omstandigheden voor het verzorgen en opvoeden van een pleegkind.
4.4. Op grond van het vorenstaande bestaat er recht op pleegvergoeding als:
4.5. Aan de aanspraak op de door [eiser sub 2] c.s. gevorderde pleegvergoeding gaan derhalve twee besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht vooraf, namelijk die zoals hiervoor omschreven in sub 4.4 punt 2 en punt 3. Tegen het door Stichting Bureau Jeugdzorg Flevoland (gedaagde sub 1) op 3 augustus 2007 genomen besluit (zie hiervoor sub 2.3), heeft [eiser sub 2] c.s. geen bezwaar of beroep ingesteld, zodat de rechtbank op grond van de leer van de formele rechtskracht van de rechtmatigheid van dit besluit moet uitgaan. Dit geldt ook voor het sub 2.4 omschreven besluit van de Voorziening voor Pleegzorg Flevoland als onderdeel van Stichting Jeugdhulpverlening Flevoland (gedaagde sub 3). Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die tot een uitzondering nopen op de leer van de formele rechtskracht. Dit brengt mee dat de vorderingen tegen de gedaagden sub 1 en 3 in beginsel moeten worden afgewezen.
4.6. Voor wat betreft de vordering tegen de raad voor de kinderbescherming, heeft het volgende te gelden. Zoals uit het hiervoor sub 4.3 overwogene blijkt, zijn de taken en bevoegdheden van de raad voor de kinderbescherming ten aanzien van de pleegzorg beperkt. De raad voor de kinderbescherming dient uitsluitend op verzoek van de Voorziening voor pleegzorg te beslissen over het afgeven van verklaringen van geen bezwaar van potentiële pleegouders. In dit geval is niet om het afgeven van een verklaring van geen bezwaar gevraagd. Derhalve valt niet in te zien welk verwijt de raad voor de kinderbescherming in dit verband kan worden gemaakt.
4.7. [eiser sub 2] c.s. stelt verder dat het handelen van Stichting Bureau Jeugdzorg Flevoland c.s. gekwalificeerd dient te worden als een ernstige tekortkoming in de zorgverplichting die voortvloeit uit artikel 8 EVRM en artikel 27 IVRK. Deze stelling heeft [eiser sub 2] c.s. evenwel op geen enkele manier onderbouwd, zodat ook deze stelling niet kan leiden tot toewijzing van de vorderingen.
4.8. [eiser sub 2] c.s. verwijt Stichting Bureau Jeugdzorg Flevoland c.s. voorts nog, dat zij op de hoogte zijnde van de situatie rond de kleinkinderen van [eiser sub 2] c.s., haar (eerder) had moeten wijzen op de mogelijkheid voor het verkrijgen van subsidie voor pleegzorg en derhalve onrechtmatig hebben gehandeld. Wat er verder ook zij van het doen of nalaten van gedaagden op dit punt, met dit verwijt ziet [eiser sub 2] c.s. er aan voorbij dat voor pleegzorg uitsluitend pleegouders in aanmerking komen. [eiser sub 2] c.s. komt hiervoor als tijdelijk voogd op grond van de Regeling pleegzorg niet in aanmerking (zie hiervoor sub 4.2, laatste alinea). In dit verband is voorts van belang dat [eiser sub 2] (eiseres sub 1) bij gelegenheid van het verzoek tot benoeming tot tijdelijk voogd bijstand had van een advocaat.
4.9. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen tegen alle gedaagden moeten worden afgewezen.
4.10. [eiser sub 2] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stichting Bureau Jeugdzorg Flevoland c.s. wordt voor elk van de gedaagden begroot op:
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Hulst en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2009.