RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter Registratienummer: Awb 09/1408, 09/1409, 09/1410, 09/1411 en 09/1412 Uitspraak betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: verzoeker A, verzoeker B, verzoeker C, verzoeker D, allen wonende te Wilsum, verzoekers, Stichting Bomenmeldpunt Kampen, gevestigd te Kampen, verzoekster, en het college van burgemeester en wethouders van Kampen, verweerder, alsmede de gemeente Kampen, derde partij. 1. Procesverloop Bij besluit van 15 juli 2009 heeft verweerder aan de derde partij een kapvergunning verleend ten behoeve van de kap van tien lindebomen aan de Dorpsweg te Wilsum. Verzoekers hebben daartegen allen bezwaar gemaakt op 24 augustus 2009. Bij brieven van resp. 22 augustus 2009 en 24 augustus 2009 is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het verzoek is behandeld ter zitting van 11 september 2009. Verzoeker C is verschenen. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door E, F en G. Verweerder en de derde partij hebben zich laten vertegenwoordigen door ing. W.J.G. Poortman en mr. L.P. van der Roest. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan het bestreden besluit een aantal voorwaarden is verbonden. In voorwaarde 5 is bepaald dat de vergunning pas van kracht wordt met ingang van de dag waarop de bezwarentermijn afloopt en dat indien gedurende de bezwaartermijn een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, de vergunning niet van kracht wordt voordat op het verzoek is beslist. Nu de derde partij te kennen heeft gegeven zo snel mogelijk met de kap te willen beginnen kan verzoekers een spoedeisend belang niet worden ontzegd. Voorzover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure. 2.2. De derde partij heeft op 8 december 2008 vergunning gevraagd voor het vellen van 10 lindes aan de Dorpsweg te Wilsum. De aanvraag is gepubliceerd op 20 januari 2009. Belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijze hieromtrent kenbaar te maken. Verzoekers hebben van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Hierna heeft verweerder het bestreden besluit genomen. 2.3. De voorzieningenrechter heeft allereerst te bepalen of verzoekers als belanghebbende bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt. Ten aanzien van verzoekster. In de statuten van de stichting staat dat zij – voor zover hier van belang - ten doel heeft het voorkomen van onnodige kap van bomen en het kritisch volgen van het gemeentelijk groenbeleid. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster gelet op deze doelstellingen als belanghebbende kan worden aangemerkt. Ten aanzien van de overige verzoekers. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekers A, B en C niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij het bestreden besluit nu zij vanuit hun woning geen zicht hebben op de bomen in kwestie. Verweerder acht verzoeker D wel belanghebbend. Zij heeft (enig) zicht op de bomen. Verzoekers mogen dan vanuit hun woning niet allemaal zicht hebben op de bomen, zulks impliceert naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat zij reeds hierom niet als belanghebbende kunnen worden gekwalificeerd. De voorzieningenrechter overweegt dat de kern van Wilsum zeer beperkt van omvang is en dat alle betrokkenen dusdanig dicht in de nabijheid van de bomen wonen dat – voorlopig oordelend - kan worden gezegd dat de kap van de bomen een sigificante invloed heeft op de directe leefomgeving van verzoekers. 2.4. Ingevolge artikel 4.3.2. van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders houtopstand te (doen) vellen. In artikel 4.3.3. is bepaald dat de vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken. Artikel 4.3.3A van de APV bepaalt dat een kapvergunning kan worden geweigerd in het belang van:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.