ECLI:NL:RBZLY:2010:BL1755
RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD sector kanton - locatie Zwolle zaaknummer : 453718 CV EXPL 09-3165 datum : 2 februari 2010 Vonnis in de zaak van: de besloten vennootschap [EISENDE PARTIJ] h.o.d.n. [EISENDE PARTIJ], gevestigd te [vestigingsplaats], verder te noemen [eisende partij], eiseres, gemachtigde AGC Gerechtsdeurwaarders & Incasso, tegen [GEDAAGDE PARTIJ], wonende te [woonplaats], verder te noemen [gedaagde partij], gedaagde, gemachtigde mr. E. Schriemer.
De procedure De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
Het geschil [eisende partij] vordert van [gedaagde partij] betaling van € 3.052,48 bestaande uit de hoofd-som, rente en incassokosten en de veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten. [gedaagde partij] heeft geconcludeerd tot afwijzing van deze vordering, met veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten.
De beoordeling 1.
Tussen partijen staat het volgende vast. [gedaagde partij] heeft via het internet een brochure met daarin een inschrijfformulier van [ei-sende partij] voor de cursus Makelaardij-Taxateur Onroerende Zaken aangevraagd en verkre-gen. [gedaagde partij] heeft het inschrijfformulier ingevuld en per post op 4 december 2007 aan [eisende partij] geretourneerd. Bij brief van 10 december 2007 heeft [eisende partij] de ont-vangst van het inschrijfformulier bevestigd en bij brief van 20 december 2007 heeft [eisende partij] aan [gedaagde partij] de deelname aan voornoemde opleiding bevestigd. De lessen zijn begonnen op 7 januari 2008. Voorts is aan [gedaagde partij] lesmateriaal toegezonden. Ook staat vast dat [gedaagde partij] de lessen niet heeft gevolgd. Door middel van een e-mail, gedateerd 2 februari 2008 heeft [gedaagde partij] aan [eisende partij] bericht genood-zaakt te zijn met de opleiding te stoppen. Door middel van haar e-mail van 4 februari 2008 heeft [eisende partij] hierop afwijzend gereageerd.
Op het standpunt van [gedaagde partij] zal, voor zover nodig, hierna worden ingegaan.
3.
De kantonrechter is met beide partijen van oordeel dat op de onderhavige, via internet en post tot stand gekomen studieovereenkomst de bepalingen genoemd in Titel 1, Afdeling 9A van boek 7 BW (overeenkomsten op afstand tot --in dit geval-- het verrichten van diensten) van toepassing zijn. In artikel 46c lid 1 BW (juncto artikel 46i, lid 1 BW) is onder meer be-paald, dat tijdig voordat de overeenkomst wordt gesloten op duidelijke en begrijpelijke wijze aan de wederpartij gegevens moeten worden verstrekt betreffende het al dan niet van toepas-sing zijn van de mogelijkheid van ontbinding overeenkomstig de artikelen 46d lid 1 en 46e.
5.
Hieruit volgt dat [gedaagde partij] het cursus- en boekengeld niet is verschuldigd zodat de primaire vordering moet worden afgewezen.
Artikel 7:46i lid 5 BW bepaalt (onder meer) dat artikel 46d niet van toepassing is op de overeenkomst op afstand tot het verrichten van diensten waarvan de nakoming met instem-ming van de wederpartij is begonnen voordat de in artikel 46d lid 1, eerste en derde volzin, bedoelde termijn is verstreken, maar dat geldt alleen indien de wederpartij op de termijn van zeven dagen is geattendeerd. Zie ook Groene Serie, aantekening 5 op artikel 7:46i BW. De stelling van [eisende partij] dat de lessen op 2 februari 2008 reeds waren begonnen is op zichzelf juist, maar om deze reden niet relevant.
6.
De stelling van [eisende partij] dat [gedaagde partij] in elk geval een bedrag dient te betalen gelijk aan de waarde van de reeds verrichte prestatie (begroot op € 340,00) moet eveneens worden verworpen. Uit artikel 7:46d lid 2 BW juncto 7:46i lid 1 BW volgt dat in geval van ontbinding aan de afnemer van de dienst geen vergoeding in rekening wordt gebracht. Wel is [gedaagde partij] gehouden het lesmateriaal op eigen kosten te retourneren.
7.
De kantonrechter komt tot de slotsom dat ook de subsidiaire vordering van [eisende partij] dient te worden afgewezen. De overige verweren van [gedaagde partij] behoeven daarom geen bespreking.
8.
Gezien het bovenstaande dient [eisende partij] als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van [gedaagde partij] te worden veroordeeld, zoals hieronder zal worden aangegeven.
De beslissing De kantonrechter:
Aldus gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare te-rechtzitting van 2 februari 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.