RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer Registratienummer: Awb 09/1660 Uitspraak in het geding tussen: Eiser te woonplaats, gemachtigde (… moeder van eiser) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 16 februari 2009 heeft verweerder de aanvraag om eiseres in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in aanmerking te brengen voor een side-by-side fiets afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 augustus 2009 ongegrond verklaard. Op 22 september 2009 is beroep ingesteld. Er is een verweerschrift ingezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van 16 maart 2010. Eiseres heeft zich doen vertegenwoordigen door haar moeder, (…). Verder is haar vader (…) ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door (naam…) en (naam…). Overwegingen 1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres is vanaf haar geboorte op 6 maart 1988 meervoudig gehandicapt. Zij heeft een verstandelijke beperking, kan slecht zien en is motorisch en lichamelijk beperkt. Op 23 juli 2008 is voor eiseres een aanvraag ingediend voor een side-by-side fiets. Daarbij is aangegeven dat eiseres meer moet bewegen en wel op een veilige manier. Op 16 oktober 2008 is een rapport uitgebracht door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). In het rapport is onder meer aangegeven dat het algemeen gebruikelijk is dat mensen die op het niveau van eiseres functioneren worden gehaald en gebracht door de ouders. In het gezin is een regiotaxipas, een rolstoel en een auto voorhanden, waarmee eiseres naar gewenste bestemmingen vervoerd kan worden. In het kader van de Wmo komen vervoersvoorzieningen met een therapeutisch doel (als afvallen) niet voor vergoeding in aanmerking. Er is geadviseerd de gevraagde voorziening niet te verstrekken. Hierop is het besluit van 16 februari 2009 genomen, dat bij het bestreden besluit op bezwaar van 18 augustus 2009 is gehandhaafd. Verweerder legt aan dit besluit ten grondslag dat er voorzieningen voorhanden zijn die voldoende compensatie bieden voor de beperkingen die eiseres ondervindt bij het zich verplaatsen, bij de deelname aan het maatschappelijk verkeer. Een side-by-side fiets is mogelijk wenselijk maar draagt niet substantieel bij aan voorzieningen die al voorhanden zijn en die op zich voldoende compensatie bieden. 2.1. Namens eiseres is hiertegen in beroep aangevoerd dat verweerder onvoldoende tegemoet komt aan de vervoersbehoefte van eiseres en dat er is geen sprake is van maatwerk. Er bestaat behoefte om kleine en middelgrote afstanden per fiets te kunnen afleggen. De regiotaxi noch de rolstoel is een gelijkwaardige vervanging voor de side-by-side fiets. Door verweerder is onvoldoende voldaan aan de compensatieverplichting in het kader van de Wmo met de verstrekking van een pasje voor de regiotaxi en de rolstoel, die géén vervoersvoorziening is. 2.2. De volgende wet- en regelgeving is van belang. 2.2.1. Artikel 1 van de Wmo bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…) g. maatschappelijke ondersteuning: (…) 5. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem; 6. het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer; (…). 2.2.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Wmo -voor zover hier van belang- treft het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5e en 6e, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Ingevolge het tweede artikellid houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien. 2.2.3. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget. 2.2.4. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Wmo vermeldt de motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem. Ingevolge het tweede artikellid is het in het eerste lid gestelde van overeenkomstige toepassing op een besluit op bezwaar. 2.2.5. De raad van de gemeente Noordoostpolder heeft op grond van artikel 5 van de Wmo de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning (hierna: de Verordening) vastgesteld.) In artikel 4, eerste lid, onder c, van de Verordening is opgenomen dat een voorziening slechts door het college kan worden toegekend indien deze in overwegende mate compensatie biedt voor de beperkingen van het individu. Verder is in artikel 30, eerste lid, van de Verordening aangegeven dat bij de te verstrekken vervoersvoorziening ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van de maatschappelijke participatie uitsluitend rekening wordt gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag. In artikel 31 van de Verordening is tenslotte aangegeven dat de door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te verstrekken rolstoelvoorziening kan bestaan uit een rolstoel. 2.3. De rechtbank overweegt als volgt. 2.3.1. Algemeen Ingevolge vaste jurisprudentie, zoals die onder meer is gepubliceerd in LJN: BG6612, verplicht artikel 4 van de Wmo het college aan de in dat artikel genoemde personen voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Artikel 4 van de Wmo brengt dus mee dat de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van genoemde personen de doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het college gericht moet zijn. Het is – gelet op de artikelen 3 en 5 van de Wmo – in beginsel aan de gemeenteraad en – gelet op artikel 4 van de Wmo – aan het college om te bepalen op welke wijze invulling wordt gegeven aan de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht. De rechter dient de keuze(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.