RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD sector kanton – locatie Lelystad zaaknr.: 454750 CV 09-7819 datum : 9 juni 2010 Vonnis in de zaak van: de besloten vennootschap [EISENDE PARTIJ] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eisende partij in conventie, verwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie, hierna te noemen: [eisende partij], gemachtigde: mr. R. Van Kessel, advocaat te Den Haag, tegen [GEDAAGDE PARTIJ], wonende en zaakdoende te [woonplaats], gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde partij], gemachtigde: mr. F. Koster, advocaat te Malden. De verdere procedure Eerder is in deze zaak een tussenvonnis gewezen dat op 16 december 2009 is uitgesproken. Ingevolge dat tussenvonnis is op 18 maart 2010 een comparitie van partijen gehouden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Na de comparitie hebben partijen verzocht om een aanhouding voor minnelijk overleg. Op de rol van 12 mei 2010 hebben partijen bericht dat minnelijk overleg niet tot een regeling heeft geleid en hebben zij verzocht om vonnis. Daarop is de zaak verwezen naar de rol van heden voor vonnis. De nadere beoordeling 1. De kantonrechter blijft bij hetgeen in het tussenvonnis reeds is overwogen en beslist. voorts in conventie 2. In het tussenvonnis is reeds overwogen dat niet in geschil is dat [eisende partij] het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen met het oog op een renovatie (sloop) daarvan en dat [eisende partij] daartoe het verhuurde dringend nodig heeft. Daarmee is aan de zijde van [eisende partij] een opzeggingsgrond voor de huurovereenkomst aanwezig. [gedaagde partij] heeft aangevoerd dat ook in dat geval nog wel een redelijke afweging van de wederzijdse belangen dient plaats te vinden en dat die afweging in dit geval dient te leiden tot afwijzing van de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst. Het standpunt dat nog een belangenafweging dient plaats te vinden vindt echter geen steun in het recht en wordt derhalve verworpen. Aan een bespreking van de vraag of een belangenafweging uitvalt in het voordeel van [gedaagde partij], zoals [gedaagde partij] heeft gesteld maar [eisende partij] heeft betwist, komt de kantonrechter dus niet toe. 3. De vorderingen van [eisende partij] om het tijdstip vast te stellen waarop de huurovereenkomst zal eindigen en het gehuurde dient te zijn ontruimd zijn, nu ook aan de overige vereisten daarvoor is voldaan, daarmee toewijsbaar, met inachtneming van een redelijke ontruimingstermijn. 4. Zoals hierna in reconventie zal worden overwogen is de kantonrechter van oordeel dat aan [gedaagde partij] een vergoeding toekomt op de voet van het bepaalde in artikel 7:309 BW. Een dergelijke vergoeding kan (onder andere) een tegemoetkoming in (eventuele) verhuis- en inrichtingskosten omvatten. Een redelijke (analoge) toepassing van het bepaalde in art. 7:297, lid 2, BW brengt naar het oordeel van de kantonrechter in die situatie met zich dat [eisende partij] nog de gelegenheid geboden dient te worden om haar onderhavige vorderingen in te trekken. 5. Indien [eisende partij] haar vorderingen niet mocht intrekken bestaat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende grond om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het verweer van [gedaagde partij] dat ook in het geval vast staat dat de verhuurder het verhuurde vanwege een renovatie met sloop dringend nodig heeft, er nog een belangenafweging dient plaats te vinden, acht de kantonrechter namelijk kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 7:295, lid 1, BW. 6. In de aard van de procedure vindt de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, tenzij [eisende partij] haar vorderingen mocht intrekken, in welk geval zij zal worden belast met de proceskosten. voorts in (voorwaardelijke) reconventie 7. In reconventie ligt de vraag voor of in het geval de huur wordt beëindigd [eisende partij] aan [gedaagde partij] een schadeloosstelling verschuldigd is op de voet van het bepaalde in artikel 7:309, lid 1, BW. 8. Tussen partijen is daarbij in het bijzonder in geschil of moet worden geoordeeld dat de sloop van het pand waarin de aan [gedaagde partij] verhuurde bedrijfsruimte zich bevindt, geschiedt met het oog op de uitvoering van werken in het algemeen belang. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend. 8.1 In de eerste plaats is de kantonrechter van oordeel dat de voorgenomen sloop strekt tot verwezenlijking van een bestemmingsplan tot reconstructie van een bebouwde kom. Artikel 7:309, lid 4, BW bepaalt in dat verband dat werken tot verwezenlijking van een bestemmingsplan, strekkende tot reconstructie van een bebouwde kom, in elk geval geacht worden in het algemeen belang te zijn. Dat sprake is van sloop ter verwezenlijking van een bestemmingsplan tot reconstructie van een bebouwde kom blijkt naar het oordeel genoegzaam uit de navolgende passage in de toelichting van de opzeggingsbrief (in het tussenvonnis weergegeven onder 1. sub d van de vaststaande feiten); “Het verhuurde maakt deel uit van het te slopen complex en voldoet niet meer aan de eisen van de huidige markt van huur en verhuur van onroerende zaken. Voor het gebied waarvan het verhuurde deel uitmaakt is, in nauwe samenspraak met de gemeente Almere, een herontwikkelingsplan ontwikkeld in het kader waarvan de huidige bebouwing, waaronder het gehuurde, wordt gesloopt, zonder dat deze locatie in het nieuwe complex terugkeert, bezien in samenhang met hetgeen in het tussenvonnis is opgenomen onder 1. sub e van de vaststaande feiten; De gemeente Almere heeft op basis van een Ontwikkelingsplan een Masterplan ontwikkeld voor Almere-Buiten, het gebied waarin het gehuurde zich bevindt. Dat Masterplan is op 2 maart 2006 vastgesteld door de gemeenteraad. In het Masterplan schrijft de gemeente onder meer: “Op 23 december 2004 heeft de gemeenteraad ingestemd met het Ontwikkelingsplan voor het Centrumplan Almere Buiten. Het plan beoogt het voorzieningenniveau van Almere Buiten op een bij de omvang van het stadsdeel passend niveau te brengen. Het plan voorziet in de toevoeging van winkels, leisurevoorzieningen, woningen, een politie- en stadsdeelkantoor en bijbehorende parkeervoorzieningen. Het plan bevat ook herstructureringselementen en beoogt mede de leefbaarheid (veiligheid) van het centrum te verbeteren. Het ontwikkelingsplan is opgesteld in samenwerking met de vastgoedeigenaren ([R] en [K]) en de betrokken ontwikkelaars (AM, ING en [K]). Met deze partijen is na de vaststelling van het Ontwikkelingsplan een samenwerkingsovereenkomst aangegaan gericht op de totstandkoming van een Masterplan. Het Ontwikkelingsplan bevat het ruimtelijk kader waarbinnen de centrumontwikkeling plaatsvindt. (…) Ten behoeve van de uitvoering van het Ontwikkelingsplan heeft de gemeente Almere het bestemmingsplan “Centrum Almere Buiten” opgesteld, dat door de gemeenteraad is vastgesteld op 21 december 2006 en door Gedeputeerde Staten van Flevoland is goedgekeurd op 5 juni 2007. Verder zijn door de gemeente Almere samenwerkingsovereenkomsten gesloten met de ontwikkelende partijen om te komen tot realisatie van het Ontwikkelingsplan. Uit een en ander blijkt naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam dat de sloop van het verhuurde plaats vindt met het oog op een reconstructie van het Centrum Almere Buiten op basis van een door de gemeente Almere vastgesteld bestemmingsplan. Daarbij lijdt het voor de kantonrechter geen twijfel dat Centrum Almere Buiten zich binnen de bebouwde kom van de gemeente Almere bevindt. 8.2 Maar ook overigens is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van sloop met het oog op de uitvoering van werken in het algemeen belang. Daarvan is namelijk in beginsel al sprake indien het uit te voeren werk waarvoor de afbraak plaatsvindt uitdrukking heeft gevonden in concreet, openbaar gemaakt overheidsbeleid dat (mede) met de uitvoering van het betrokken nieuwe werk wordt gerealiseerd (vgl. HR 30-01-2009; LJN BG4017). Uit de hiervoor onder 8.1 weergegeven passages blijkt naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam dat (ook) aan die voorwaarde is voldaan. De opvatting van [eisende partij] dat de strekking van artikel 7:309, lid 1, BW alleen is om te voorzien in een schadevergoedingregeling voor de huurder van een bedrijfspand in die gevallen waarin bij het mislukken van de minnelijke aankoop onteigening zou zijn gevolgd, wordt derhalve als te beperkt verworpen. 8.3 Overigens staat voor de kantonrechter bepaald niet vast dat geen onteigening zou zijn gevolgd indien de minnelijke aankoop van de onderhavige bedrijfsruimte door [eisende partij] niet gelukt zou zijn. In dat verband wordt verwezen naar de in het tussenvonnis onder 8.1 derde aandachtsstreepje weergegeven passage uit het Ontwikkelingsplan (p. 62): “De totstandkoming van het Centrumplan Almere Buiten kan (…) overigens niet worden gezien als een regulier ontwikkelingsproces. (…) Het centrumplan bevat evenwel herontwikkelingselementen waarvoor medewerking van vastgoedeigenaren vereist is. De ontwikkelaars hebben (…) met de eigenaren overeenstemming bereikt over de vervangende nieuwbouw (…). De gemeente hoeft dus in beginsel zelf geen eigendommen te verwerven, gebouwen te slopen en vervolgens gronden aan ontwikkelaars uit te geven”, Uit die passage kan worden afgeleid dat sprake is van een nauw samenwerkingsverband tussen de gemeente Almere en de ontwikkelaars (waaronder [eisende partij], ktr.), waarbij de ontwikkelaars de verwerving van vastgoed in beginsel (onderstr. ktr.) hebben overgenomen van de gemeente Almere. Dat sluit bepaald niet uit dat in geval van kinken in de kabel bij de verwerving van vastgoed door de ontwikkelaars, de gemeente Almere alsnog tot onteigening zou zijn overgegaan. 9. Nu verder is voldaan aan de andere voorwaarden die artikel 7:309, lid 1, BW stelt voor haar toepassing, is [eisende partij] derhalve in beginsel aan [gedaagde partij] een schadeloosstelling verschuldigd wegens het verlies van de kans dat de huurverhouding zonder de overgang op [eisende partij] van de rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst op de voet van artikel 7:226 BW, zou hebben voortgeduurd. De gevorderde verklaring voor recht is in zoverre toewijsbaar. Die verklaring zal overigens voorwaardelijk worden gegeven, voor het geval de huur eindigt door de in conventie gevorderde (en toegewezen) vaststelling van het tijdstip waarop de huur eindigt. 10. De kantonrechter acht aannemelijk dat bij beëindiging van de huur [gedaagde partij] schade zal lijden als bedoeld in artikel 7:309, lid 1, BW. Blijkens de parlementaire geschiedenis (rapport Commissie Houwing en MvT 8875) gaat het bij toepassing van art. 7:309 BW om het toekennen van een volledige schadevergoeding. Bij die schadeloosstelling dienen alle risico’s die het bedrijf van [gedaagde partij] bij voortzetting van de huur gelopen zou hebben in aanmerking te worden genomen, waarbij een inschatting moet worden gemaakt van de termijn gedurende welke [gedaagde partij] de huur zou hebben kunnen voortzetten, indien het verhuurde niet zou zijn overgegaan op [eisende partij]. 11. [eisende partij] heeft nog wel aangevoerd dat [gedaagde partij] geen schade zal lijden, omdat de lopende huurovereenkomst eindigt op 1 juli 2010 en de vorige eigenaar reeds het voornemen had om de huur tegen die datum op te zeggen -volgens [eisende partij] heeft zij namelijk slechts de plannen overgenomen die al klaar lagen bij de vorige eigenaar-, maar dat verweer verwerpt de kantonrechter. De kantonrechter is van oordeel dat bij het maken van een inschatting van de termijn gedurende welke de huur zonder de eigendomsovergang zou zijn voortgezet, de werken die aanleiding zijn geweest voor de overgang en voor de (voorgenomen) afbraak, weggedacht dienen te worden. De regeling van artikel 7:309, lid 1, BW zoekt, zoals blijkt uit haar bewoordingen en de wetsgeschiedenis, aansluiting bij artikel 42 van de Onteigeningswet, dat voorziet in schadeloosstelling van de huurder bij onteigening. Bij de bepaling van de omvang van de schadeloosstelling zal derhalve aansluiting dienen te worden gezocht bij de wijze waarop de schade wordt vastgesteld in geval van onteigening. Dat brengt met zich dat dan ook de eliminatieregel van artikel 40c van de Onteigeningswet in acht dient te worden genomen. Toepassing (naar analogie) van die regel leidt ertoe dat bij de vaststelling van de schadeloosstelling ex artikel 7:309, lid 1, BW het werk waarvoor de huur is opgezegd, weggedacht dient te worden. De beweerde omstandigheid dat de vorige eigenaar de huur al had willen opzeggen met het oog op de uitvoering van de onderhavige werken, valt ook onder die eliminatie. Aldus kan niet tot uitgangspunt worden genomen dat de huur zonder de opzegging door [eisende partij] toch al geëindigd zou zijn op 1 juli 2010, omdat de vorige verhuurder daartoe al het voornemen zou hebben gehad met het oog op de uitvoering van de onderhavige werken. De vraag of de vorige verhuurder inderdaad dat voornemen heeft gehad -dit is door [gedaagde partij] betwist- kan bij die stand van zaken verder buiten beschouwing blijven. 12. De omvang van de schadeloosstelling valt thans niet te begroten. Die is afhankelijk van een veelheid van, deels in de toekomst gelegen factoren, waaromtrent thans onvoldoende inzicht bestaat. Daarom zal de kantonrechter de zaak overeenkomstig de vordering van [gedaagde partij] verwijzen naar de schadestaat. Die verwijzing is eveneens voorwaardelijk, voor het geval de huur eindigt door de in conventie gevorderde (en toe te wijzen) vaststelling van het tijdstip waarop de huur eindigt. 13. In de (voorwaardelijke) aard van de procedure en de omstandigheid dat vooralsnog niet zeker is dat [gedaagde partij] daadwerkelijk schade zal lijden door opzegging van de huur en indien dat wel het geval is tot welk bedrag, vindt de kantonrechter aanleiding om ook in reconventie de kosten te compenseren. De beslissing De kantonrechter; in conventie - stelt partijen in kennis van zijn voornemen om de vordering van [eisende partij] om een tijdstip vast te stellen waarop de tussen haar en [gedaagde partij] bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte ex artikel 7:290 BW met de bestemming (café) in het pand op het adres [perceel] te [gemeente] zal eindigen, toe te wijzen met bepaling van de datum van beëindiging op 1 augustus 2010; - stelt [eisende partij] in de gelegenheid het verzoek in te trekken uiterlijk op 1 juli 2010 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de sector kanton, onder onverwijlde mededeling daarvan aan de wederpartij; voor het geval [eisende partij] haar vordering niet intrekt: - bepaalt dat de huurovereenkomst tussen partijen zal eindigen op 1 augustus 2010; - stelt het tijdstip van de ontruiming van het gehuurde vast op 1 augustus 2010 en veroordeelt [gedaagde partij] om het gehuurde uiterlijk op 1 augustus 2010 te ontruimen en te verlaten en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eisende partij] te stellen, met machtiging van [eisende partij] om die ontruiming op kosten van [gedaagde partij] zelf te doen bewerkstelligen met behulp van een deurwaarder, die daartoe zonodig de sterke arm van politie en justitie zal kunnen inroepen, indien [gedaagde partij] met die bevolen ontruiming in gebreke mocht blijven; - verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; - wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd; - compenseert de kosten van de procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen; voor het geval [eisende partij] de vordering intrekt: - veroordeelt [eisende partij] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagde partij] vastgesteld op € 1.500,-- voor salaris gemachtigde; in (voorwaardelijke) reconventie onder de voorwaarde dat de huurovereenkomst tussen partijen eindigt door de vaststelling in conventie van de datum waarop de huur eindigt: - verklaart voor recht dat [eisende partij] aan [gedaagde partij] een schadeloosstelling verschuldigd is wegens het verlies van de kans dat de huurverhouding zonder de overgang op [eisende partij] van de rechten en verplichtingen uit die huurovereenkomst op de voet van artikel 7:226 BW, zou hebben voortgeduurd (art. 7: 309, lid 1, BW); - veroordeelt [eisende partij] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde partij] bij wege van schadevergoeding (schadeloosstelling) een bedrag te betalen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; - verklaart deze veroordeling tot schadevergoeding (schadeloosstelling) uitvoerbaar bij voorraad; - wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd; - compenseert de kosten van de procedure, aldus dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen; Aldus gewezen door mr. O.E. Mulder, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken op de terechtzitting van 9 juni 2010, in tegenwoordigheid van de griffier. ====================================================================================== RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD sector kanton – locatie Lelystad zaaknr.: 454750 CV 09-7819 datum : 16 december 2009 Vonnis in de zaak van: de besloten vennootschap [EISENDE PARTIJ] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eisende partij in conventie, verwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie, hierna te noemen: [eisende partij], gemachtigde: mr. R. Van Kessel, advocaat te Den Haag, tegen [GEDAAGDE PARTIJ], wonende en zaakdoende te [woonplaats], gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde partij], gemachtigde: mr. F. Koster, advocaat te Malden. De procedure De kantonrechter heeft kennisgenomen van: - de dagvaarding - het antwoord van [gedaagde partij] en de eis in reconventie - de nadere toelichting van partijen zowel in conventie als in reconventie. de vaststaande feiten in conventie en (voorwaardelijke) reconventie 1. De kantonrechter gaat op grond van onweersproken gebleven stellingen en bescheiden als (genoegzaam) vaststaand uit van het volgende;
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.