RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer Registratienummer: Awb 09/2212 Uitspraak in het geding tussen: A en B, wonende te Z, als wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige C, eiser, gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar, advocaat te Rotterdam, en de burgemeester van Zwolle, verweerder. 1. Procesverloop Op 11 maart 2008 heeft A ten behoeve van zijn minderjarige zoon C een schriftelijke verklaring ter verkrijging van het Nederlanderschap afgelegd. Bij besluit van 19 maart 2008 heeft verweerder geweigerd om de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen. Bij brief van 28 april 2008 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 november 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij brief van 14 december 2009 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld. Het beroep is op 3 september 2010 behandeld ter zitting. A is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Wassenaar. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A.W. voor ’t Hekke en G.L. Reijersberg. 2. Overwegingen In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd. Eiser is op 21 april 2001 geboren in Z. Niet in geschil is dat eisers ouders behoren tot de bevolkingsgroep van staatloze Palestijnen uit Libanon en dat ook eiser sinds zijn geboorte staatloos is. Eiser heeft sinds zijn geboorte ononderbroken in Nederland gewoond. Door A is op 11 maart 2008, als wettelijk vertegenwoordiger van eiser, een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 6 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), ter verkrijging van het Nederlanderschap, afgelegd. Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN bepaalt dat na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap verkrijgt: - de vreemdeling die in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, is geboren, aldaar gedurende een onafgebroken periode van tenminste drie jaren toelating en hoofdverblijf heeft en sedert zijn geboorte staatloos is. Artikel 6, derde lid, van de RWN bepaalt dat de autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt, aan de hand van de overgelegde stukken de gronden waarop de verklaring berust beoordeelt. Indien aan de vereisten is voldaan, bevestigt zij schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap. Ingevolge het bepaalde in artikel 7 en verder van de RWN is de burgemeester aangewezen als autoriteit in de zin van artikel 6, derde lid, van de RWN. Verweerder heeft de schriftelijke bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap geweigerd, omdat niet voldaan is aan de voorwaarde in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN, dat de vreemdeling tenminste drie jaren toelating dient te hebben. Niet in geschil is dat aan alle overige voorwaarden is voldaan. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de bevestiging van verkrijging van het Nederlanderschap heeft geweigerd. De toelatingseis is in strijd met artikel 1 van het Verdrag van New York, ter beperking van staatloosheid. De rechtbank stelt vast dat, nu niet in geschil is dat voldaan wordt aan alle in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN genoemde voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap door een schriftelijke bevestiging, behalve de voorwaarde dat de vreemdeling tenminste drie jaren toelating dient te hebben, het geschil beperkt is tot de vraag of deze voorwaarde in strijd is met een, een ieder verbindende, verdragsbepaling, als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet. De rechtbank stelt voorop dat het Verdrag van New York, ter beperking van staatloosheid (Trb. 1985, 124), hierna te noemen het Staatloosheidsverdrag, bij Rijkswet van 19 december 1984 is goedgekeurd en op 11 augustus 1985 in werking is getreden. Bij Rijkswet van 21 december 2000 heeft Nederland tevens het Europees Verdrag inzake nationaliteit (Trb. 1998, 149) goedgekeurd. Dit verdrag is op 1 juli 2001 in werking getreden. Nu niet alle staten die partij zijn bij dit verdrag tevens partij zijn bij het Staatloosheidsverdrag, hebben de bepalingen van het Staatloosheidsverdrag hun geldigheid behouden. Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Staatloosheidsverdrag luidt als volgt: A Contracting State shall grant its nationality to a person born in its territory who would otherwise be stateless. Such nationality shall be granted: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.