← Nederland

ECLI:NL:RBZLY:2010:BN6838

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter Registratienummer: Awb 10/1271 en 10/1272 Uitspraak betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: A te B, verzoekster, en het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg, verweerder, en (…), belanghebbende. 1.Procesverloop Bij besluit van 22 juni 2010 heeft verweerder aan belanghebbende een kapvergunning verleend voor het kappen van een berk op het perceel aan de (…) te Bergentheim. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brieven van 30 juli 2010 beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb ingediend. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend en verweer gevoerd. De zaak is op 7 september 2010 ter zitting behandeld. Verzoekster is ter zitting verschenen Namens verweerder zijn verschenen A.M. Zwiers en H. Warners. Belanghebbende is niet verschenen.

  1. Overwegingen Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Verzoekster is woonachtig aan de (..) en heeft zicht op de te kappen boom en daarmee belanghebbende. Ingevolge artikel 4.4.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Hardenberg (hierna: APV) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders houtopstand te (doen) vellen. In artikel 4.3.3, eerste lid, van de APV is bepaald dat de vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken. Artikel 4.4.4 van de APV kan een kapvergunning worden geweigerd in het belang van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; d. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; e. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. De voorzieningenrechter stelt vast dat, anders dan de aanvrager in zijn aanvraag heeft aangegeven en waar bij vergunningverlening vanuit is gegaan, de boom niet op grond staat waarvan belanghebbende eigenaar of zakelijk gerechtigde is, maar op gemeentegrond. Belanghebbende heeft de aanvraag ook niet ingediend met toestemming van de gemeente. De kapvergunning is daarmee in strijd met het bepaalde in artikel 4.3.3, eerste lid, van de APV verleend. Dat, zoals verweerder in zijn verweerschrift aangeeft, de gemeente als grondeigenaar belanghebbende toestemming wil verlenen om de boom te vellen, maakt dit niet anders. Bij de behandeling van de zaak ter zitting is verder gebleken dat verweerder de belangenafweging die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, heeft verricht aan de hand van beleidsregels die verweerder voor de beoordeling van aanvragen om kapvergunning heeft vastgesteld. Deze beleidsregels worden in het bestreden besluit niet genoemd en zijn ook niet aan verzoekster kenbaar gemaakt. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Nu nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak ziet de voorzieningenrechter aanleiding met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
  2. Beslissing De voorzieningenrechter van de rechtbank: -verklaart het beroep gegrond; -vernietigt het bestreden besluit; -bepaalt dat verweerder met inachtneming van het in de uitspraak gestelde opnieuw op de aanvraag beslist; -wijst het verzoek om voorlopige voorziening af; -bepaalt dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 300,- (2x € 150,-) vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzieningenrechter, en door deze en mr. A. Landstra als griffier ondertekend itgesproken in het openbaar op Afschrift verzonden op:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.