RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD sector kanton – locatie Lelystad zaaknr.: 499821 CV 10-6420 datum : 8 december 2010 Vonnis in de zaak van: de stichting WONINGSTICHTING GOEDE STEDE, gevestigd te Almere, eisende partij, hierna te noemen: Goede Stede, gemachtigde: G.N.F. Jepma en A.J. Roskam, gerechtsdeurwaarders te Almere, tegen [GEDAAGDE], wonende te [woonplaats], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], procederend in persoon. De verdere procedure Eerder is in deze zaak een tussenvonnis gewezen, dat op 11 augustus 2010 is uitgesproken. Na dat tussenvonnis heeft Goede Stede een akte uitlating genomen. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om op die akte te reageren, maar heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. De nadere beoordeling 1. De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis reeds is overwogen en beslist. 2. Vast staat dat [gedaagde] niet (gemotiveerd) heeft betwist dat de woning door Goede Stede op 18 september 2007 is ontruimd vanwege een huurachterstand. Zij heeft niet (gemotiveerd) betwist dat bij die ontruiming sprake bleek van zogenaamde mutatieschade ter grootte van € 1.241,25. 3. Goede Stede heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] voor die schade hoofdelijk aansprakelijk is, omdat zij medehuurder van de woning was en ook nog tot de dag voor de ontruiming daarin haar hoofdverblijf heeft gehad. 4. De vraag ligt voor of het feit dat het huurrecht van de woning bij echtscheidingsbeschikking van 27 juni 2007, ingeschreven op 10 augustus 2007, was toegekend aan haar ex-man ([...]), [gedaagde] ontheft van haar (hoofdelijke) verplichting tot vergoeding van die mutatieschade. 5. In haar akte na tussenvonnis heeft Goede Stede zich op het standpunt gesteld dat ook voor [gedaagde] een opleveringsverplichting gold bij het einde van de huur en dat daar niet aan af doet dat de woning een maand voor de ontruiming was toegewezen aan [ex-man]. Verder heeft Goede Stede aangevoerd dat zij niet is geïnformeerd over de voortzetting van de huur door [ex-man] en dat er op grond van de GBA gegevens van moet worden uitgegaan dat [gedaagde] nog tot een dag voor de ontruiming in de woning heeft verbleven. In die situatie kan [gedaagde], aldus Goede Stede, in alle redelijkheid worden aangesproken voor de kosten. 6. De kantonrechter stelt voorop dat de huurovereenkomst alleen met [ex-man] was gesloten en dat [gedaagde] medehuurster is geweest op grond van haar huwelijk met [ex-man]. [gedaagde] was derhalve geen contractspartij bij de huurovereenkomst. Wel was zij als medehuurder (hoofdelijk) aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen uit die huurovereenkomst. 7. Uit de wet (art. 7:266, lid 5, BW) volgt dat [gedaagde] vanaf 10 augustus 2007, de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, geen (mede)huurster meer was van de woning. De wet vereist niet dat [gedaagde] van die beëindiging mededeling diende te doen aan Goede Stede, voordat zij zich jegens Goede Stede op die beëindiging kon beroepen. Een dergelijke verplichting kan naar het oordeel van de kantonrechter evenmin worden gebaseerd op de (derogerende werking van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.