ECLI:NL:RBZLY:2011:BU1417
beslissing RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Wrakingskamer zaaknummer / rekestnummer: 177011 / FA RK 10-4081 Beslissing van 25 juli 2011 in de zaak van [verzoekster], wonende te [plaats], verzoekster tot wraking, advocaat mr. E.M. Thoenes-van der Veen te Zwolle, tegen [verweerster], in haar hoedanigheid van rechter.
Bij de mondelinge behandeling is [verzoekster] verschenen.
2.2. [verzoekster] heeft blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, - samengevat - het navolgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd.
2.3. [verweerster] heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft verweer gevoerd. Dat verweer wordt hierna zover nodig besproken.
Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.
Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.
3.2. In beginsel levert de omstandigheid dat de rechter ter zitting zijn voorlopige visie geeft op het geschil of op een onderdeel daarvan nog geen schijn van partijdigheid op. Dat wordt anders indien uit de houding van de rechter kan worden afgeleid dat geen bereidheid bestaat om opmerkingen van partijen naar aanleiding daarvan aan te horen en te betrekken in zijn (eind)oordeel.
3.3. Naar het oordeel van de rechtbank is van enige schijn van partijdigheid of vooringenomenheid niet gebleken. Het volgende is daarbij van belang.
3.4. Centrale vraag in de zaak waarover [verweerster] moest beslissen was of het huis aan de [adres] tot het privévermogen van [verzoekster] behoorde en of dit vermogensbestanddeel diende te worden verrekend. [verzoekster] is van mening dat deze woning tot haar privévermogen behoort en niet dient te worden verrekend. [verweerster] heeft als haar (voorlopig) oordeel kenbaar gemaakt dat de woning inderdaad tot het privévermogen van [verzoekster] behoorde, doch wel diende te worden verrekend.
3.5. De opmerking van [verweerster] voorafgaande aan de zitting (volgens [verzoekster] heeft [verweerster] gezegd "Daar zult u niet blij mee zijn", [verweerster] stelt dat zij iets gezegd heeft als "misschien zult u daar niet blij mee zijn") is, zo is onweersproken door [verweerster] gesteld, door haar gemaakt naar aanleiding van een vraag van mr. Thoenes-van der Veen om in ieder geval die ochtend waarop de comparitie werd gehouden nog een voorlopig oordeel te vernemen van [verweerster] over de centrale vraag .
Dat het gerechtvaardigd is dat desondanks, hoewel de vraag betrekking had op een voorlopig oordeel, bij [verzoekster] de indruk is ontstaan dat het antwoord op die vraag een definitief oordeel betrof, is niet aannemelijk geworden.
3.6. Datzelfde geldt voor de tweede grond. Uit het proces-verbaal van de zitting en het - eveneens in zoverre niet weersproken - verweerschrift kan worden afgeleid dat partijen in de gelegenheid zijn geweest om zich (ook) uit te laten over de hierboven vermelde centrale vragen. Door [verzoekster] is niet weersproken dat [verweerster] mr. Thoenes-van der Veen een aantal keren heeft onderbroken om haar nader te bevragen over (de antwoorden op) bovenvermelde kernvragen. Vervolgens is [verweerster] mede naar aanleiding van haar voorlopig oordeel ten aanzien van deze vragen, aangevangen met, zoals [verzoekster] het stelt, de "rekenexercitie".
3.7. Uit deze gang van zaken blijkt in voldoende mate dat [verweerster] een, met het oog op het mogelijke bereiken van een schikking ook door mr. Thoenes-van der Veen gewenst, voorlopig oordeel heeft gegeven en dat zij partijen in de gelegenheid heeft gesteld argumenten aan te dragen die hadden kunnen leiden tot wijziging van dat voorlopig oordeel. Daaruit volgt dat van een schijn van partijdigheid niet is gebleken. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de enkele omstandigheid dat [verweerster] haar voorlopig oordeel (nog) niet heeft gewijzigd niet tot de conclusie leidt dat sprake is van (schijn van) partijdigheid.
3.8. Nu het verzoek tot wraking zal worden afgewezen omdat niet aannemelijk is geworden dat [verweerster] vooringenomen was of de schijn van partijdigheid heeft gewekt, behoeft de vraag of het verzoek tijdig is gedaan, geen beantwoording.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. J.A.O.M. van Aerde, J.H.M. Hesseling en F. Koster in tegenwoordigheid van de griffier mr. G.W.G. Wijnands en in openbaar uitgesproken op 25 juli 2011. de griffier de voorzitter