← Nederland

ECLI:NL:RBZLY:2012:2171

vonnis RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Sector civiel recht Locatie Lelystad zaaknummer / rolnummer: 204168/ KL ZA 12-353 Vonnis in kort geding van 19 december 2012 in de zaak van [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. F. Heidinga te Almere, tegen [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde, advocaat mr. D.G. Nagel te Almere. Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met productie; - een brief met producties d.d. 30 november 2012 van de vrouw, en - de mondelinge behandeling op 5 december
  2. 1.
  3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  4. Partijen hebben een affectieve relatie gehad van augustus 2010 tot februari
  5. 2.
  6. Het minderjarig kind van partijen is [kind], geboren te [geboorteplaats] op [2012] . De minderjarige is door de man erkend. 2.
  7. De vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarige. De minderjarige heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw. 3Het geschil 3.
  8. De man vordert - samengevat - een voorlopige omgangsregeling waarbij de minderjarige elke woensdag van 16:30 uur tot 18:30 uur alsmede elke zaterdag van 10:00 uur tot 12:00 uur bij hem verblijft, waarbij de omgangsregeling op zaterdag elke week met een uur zal worden uitgebreid zodat de minderjarige uiteindelijk elke zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur bij de man zal verblijven. 3.
  9. De vrouw voert verweer. 3.
  10. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
  11. De man stelt ter onderbouwing van zijn vordering dat het in het belang van het hechtingsproces van de minderjarige is dat het contact tussen hem en de minderjarige zo spoedig mogelijk wordt hersteld. Er zijn wat hem betreft geen redenen die ertoe zouden moeten leiden dat er geen omgang zou moeten plaatsvinden. 4.
  12. Het aanhangig maken van dit kort geding is noodzakelijk geweest omdat het partijen niet is gelukt om in onderling overleg afspraken te maken. Op het voorstel van de man om in mediation te gaan, heeft de vrouw afwijzend gereageerd. De man erkent dat de vrouw voorgesteld heeft om Stichting Roots te betrekken, maar de man heeft de strekking van dit voorstel niet begrepen. Voorts had de man aanvankelijk een andere advocaat die een kort gedingprocedure aanhangig zou maken, maar dit is niet van de grond gekomen. Toen de man zijn huidige advocaat in de arm heeft genomen, heeft het nog enige tijd geduurd voordat het dossier werd overgedragen en onderhavige procedure kon worden gestart. 4.
  13. De man erkent dat hij een roerig verleden heeft, maar sinds anderhalf jaar gaat het heel goed. Van een verslaving is geen sprake meer. Het is juist dat hij tweemaal is opgenomen geweest en dat hij twee keer een terugval gehad, maar sinds partijen uit elkaar zijn, gebruikt hij geen softdrugs meer. Met het gebruik van harddrugs was hij al eerder gestopt. De man gebruikt nog wel alcohol, maar dat zijn twee keer twee consumpties per week die hij bij zijn ouders krijgt. Zijn financiën worden beheerd door zijn ouders. De man erkent ook dat het ten tijde van de geboorte van de minderjarige een troep was in huis, maar daarvan is eveneens geen sprake meer. Ook erkent de man dat hij in een aangeschoten bui een jongen een duw heeft gegeven waarvoor hij een boete heeft gekregen en dat hij op een lompe wijze met de minderjarige is omgegaan. 4.
  14. De man staat open voor begeleide omgang door een professionele instantie. Hij geeft de voorkeur aan Humanitas omdat bij Stichting Roots er een lange wachtlijst is en Humanitas ook rapporteert. 4.
  15. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man niet-ontvankelijk is in zijn vordering omdat het spoedeisend belang ontbreekt. Zij heeft in juni een voorstel aan de man gedaan om zich aan te melden bij Stichting Roots voor een begeleide omgangsregeling en ter overbrugging een omgangsregeling waarbij er iedere woensdag en zaterdag omgang zou zijn in haar aanwezigheid. De man heeft daarop in augustus afwijzend gereageerd. In de afgelopen maanden heeft er geen overleg meer plaatsgevonden, hetgeen wel voor de hand had gelegen alvorens een kort geding procedure aanhangig te maken. De man had al eerder een procedure aanhangig kunnen maken als hij het contact met de minderjarige zo snel mogelijk had willen herstellen. 4.
  16. Indien de man wel ontvankelijk is, stelt de vrouw zich op het standpunt dat van een onbegeleide omgangsregeling geen sprake kan zijn omdat de veiligheid van de minderjarige onvoldoende wordt gewaarborgd. De man heeft immers een alcohol- en drugsverslaving gehad. Voordat partijen een relatie hadden, is de man een aantal keer opgenomen geweest in een afkickkliniek, maar hier is hij niet clean uitgekomen. De man stelt weliswaar dat hij geen drugs meer gebruikt en nog maar zelden en in beperkte hoeveelheden alcohol gebruikt, maar uit de overgelegde stukken blijkt dat er rond de geboortedatum van de minderjarige nog drugs in huis was. De vrouw erkent dat ook zij harddrugs heeft gebruikt, maar daarmee is zij al ruim voor de zwangerschap gestopt. Met het blowen is zij gestopt toen zij wist dat zij zwanger was. Naast het drugs- en alcoholgebruik van de man maakt de vrouw zich zorgen over de manier waarop de man met de minderjarige zal omgaan. Uit de overgelegde verklaring van de schoonzus van de vrouw blijkt immers dat de man direct na de geboorte nogal hardhandig met de minderjarige omging. 4.
  17. De vrouw staat open voor omgang tussen de man en de minderjarige indien dit wordt begeleid door Stichting Roots. Zij is zich bewust van een wachtlijst, maar zij kiest uitdrukkelijk voor Stichting Roots omdat deze stichting rapporteert en deze informatie relevant is voor de bodemprocedure. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 4.
  18. Van het spoedeisende belang bij het gevorderde is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in voldoende mate gebleken. Immers is tijdens de mondelinge behandeling voldoende aannemelijk geworden dat er al een aantal maanden geen omgang heeft plaatsgevonden tussen de man en de minderjarige, dat het partijen niet is gelukt om in onderling overleg afspraken te maken en dat de man vervolgens direct een kort gedingprocedure aanhangig heeft proberen te maken via zijn advocaat. Toen dit niet van de grond kwam, heeft de man met veel moeite het dossier overgedragen gekregen naar zijn huidige advocaat en direct onderhavige procedure aanhangig gemaakt. 4.
  19. Tussen partijen is niet in geschil dat er omgang tussen de man en de minderjarige dient plaats te vinden. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man open staat voor begeleide omgang zoals door de vrouw is voorgesteld. Partijen verschillen echter van mening over de vraag welke instantie de omgang dient te begeleiden. Met de man is de voorzieningenrechter van oordeel dat de omgang wel op een zo kort mogelijke termijn moet starten. Voorts is de voorzieningenrechter met de vrouw van oordeel dat het van belang is dat de begeleidende instantie aan verslaglegging doet, ondermeer voor de bodemprocedure. Aangezien Humanitas niet aan dossiervorming doet en de lengte van de wachtlijst bij Stichting Roots mede afhankelijk is van de beschikbaarheid van de betrokken partijen en het uit recente informatie bekend is dat de omgang op een doordeweekse dag eerder kan starten dan in het weekend, zal de voorzieningenrechter bepalen dat de omgang dient te worden begeleid door Stichting Roots, waarbij de duur, de frequentie en de opbouw aan het beleid van Stichting Roots zal worden overgelaten. Derhalve zal worden beslist als volgt. 4.
  20. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding afte wijken van het uitgangspunt dat gelet op de relatie tussen partijen de proceskosten tussen hen zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.
  21. stelt een door Stichting Roots te begeleiden omgangsregeling tussen de man en de minderjarige vast, waarbij de duur, de frequentie en de opbouw aan het beleid van Stichting Roots wordt overgelaten, 5.
  22. wijst het meer of anders gevorderde af, 5.
  23. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. F.G. van Arem en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2012.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.