← Nederland

ECLI:NL:RBZLY:2012:BV6200

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Sector Bestuursrecht Registratienummer: Awb 11/2300 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen A te B eiser, gemachtigde: A. de Haan, en het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland, verweerder, alsmede Stichting Astronomisch Onderzoek Nederland (ASTRON), gevestigd te Dwingeloo, belanghebbende. Procesverloop Bij besluit van 21 april 2011 heeft verweerder aan belanghebbende een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een LOFAR antennestation op twee percelen aan de Dwarssloot-Oost te Zuidveen, kadastraal bekend gemeente Steenwijk, sectie N, nummers 270 en

  1. Bij besluit van 15 september 2011 heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de bestreden vergunning herroepen en op het aangevraagde project de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in paragraaf 3.
  2. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing verklaard. Bij brief van 25 oktober 2011 heeft eiser beroep ingesteld tegen het conceptbesluit tot verlening van de door belanghebbende gevraagde vergunning. Bij besluit van 25 november 2011 heeft verweerder aan belanghebbende een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van het antennestation, in afwijking van het bestemmingsplan, op de hiervoor genoemde locatie. Bij brief van 28 december 2011 heeft eiser het beroep van 25 oktober 2011 aangevuld. Het beroep is ter zitting van 11 januari 2012 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G.D. Klaren en C. Charité. Namens belanghebbende is verschenen P. Bennema. Overwegingen
  3. Op 3 november 2010 heeft belanghebbende aan aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een LOFAR-antennestation op twee percelen aan de Dwarssloot-Oost in Zuidveen, gemeente Steenwijkerland. Het antennestation beslaat een terrein van in totaal 127 bij 135 meter en bestaat uit: - een antenneveld met een diameter van 85 meter, bestaande uit 96 eenvoudige antennes van maximaal 1,60 meter hoog; -een tweede antenneveld met een totaal oppervlak van 50 bij 50 meter, bestaande uit 768 kleinere antennes die zijn ingepakt in zwart plastic en piepschuim dozen van 60 cm hoog; -een infra-sound punt van het KNMI – bestaande uit een ronde koker, met een diameter ca. 50 cm en een diepte van ca. 80 cm, die 25 cm boven de grond uitsteekt; -een straatkast met een oppervlakte van 1,10 bij 0,34 meter en een hoogte van 1 meter voor aansluiting op diverse netwerken; -twee compartimentkasten van 2 meter hoog, 1,5 meter diep en 2,4 en 0,8 meter breed voor de signaalverwerking.
  4. De percelen waarop het project is beoogd hebben ingevolge het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1996’ de bestemming ‘Agrarisch gebied’. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met deze bestemming, nu het bouwplan bedoeld is voor wetenschappelijk onderzoek.
  5. Verweerder heeft bij het besluit van 25 november 2011 ten behoeve van het project een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en onder c, van de Wabo, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a en sub 3º, van de Wabo.
  6. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a en sub 3º, van de Wabo, voor zover hier van belang, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit die in strijd is met het bestemmingsplan, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, voor zover hier van belang, bepaalt dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º.
  7. Eiser woont en exploiteert een melkveebedrijf op circa 400 meter van de locatie waar het antennestation is beoogd. Daarnaast heeft eiser in de directe nabijheid van deze locatie enkele percelen grasland. Eiser voert in beroep aan dat de open structuur van het landschap door het bouwplan wordt aangetast, doordat een sloot en rietkraag dwars op de percelen landbouwgrond worden aangelegd. Hierdoor wordt ook de kavelstructuur doorbroken. Om deze redenen is het project in strijd met het Landschapsontwikkelingsplan (Lop). Bovendien worden de percelen grond waarop het antennestation is beoogd aan de landbouw onttrokken, wat volgens eiser eveneens in strijd is met het Lop. Voorts is volgens eiser het belang van het antennestation onvoldoende gemotiveerd en heeft verweerder ook onvoldoende aangetoond dat de aanleg van het station geen effect heeft op het nabij gelegen Natura 2000-gebied De Wieden.
  8. De rechtbank overweegt als volgt. 6.
  9. De rechtbank stelt allereerst vast dat het beroep van eiser van 25 oktober 2011 is gericht tegen het conceptbesluit tot verlening van de door belanghebbende gevraagde vergunning. Dit conceptbesluit is echter geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb beroep kan worden ingesteld. Eiser stelt in deze brief zelf al dat de beroepsfase nog niet van toepassing is, omdat het bestreden besluit een ontwerpbeschikking betreft. Hieruit volgt tevens dat niet-ontvankelijkverklaring niet achterwege kan blijven op grond van artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. De rechtbank zal het beroep van eiser van 25 oktober 2011 dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank begrijpt met partijen dat de brief van 28 december 2011 dient te worden aangemerkt als het beroep van eiser, gericht tegen het besluit van 25 november 2011 tot verlening van de omgevingsvergunning. De rechtbank zal dit beroep als zodanig inhoudelijk beoordelen. 6.
  10. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het LOFAR antennestation niet is aan te merken als een antenne-installatie als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 5, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Verweerder is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat het verlenen van medewerking aan het bouwplan slechts mogelijk was met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a en sub 3º, van de Wabo. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en of de motivering van het bestreden besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. 6.
  11. In de ruimtelijke onderbouwing bij het bestreden besluit stelt verweerder, onder verwijzing naar de ‘Notitie behorende bij de aanvrage voor een omgevingsvergunning tbv een te realiseren LOFAR station’, dat de ruimtelijke impact van het LOFAR station op de omgeving beperkt is. Daarnaast blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing dat verweerder er vanuit landschappelijk oogpunt voor heeft gekozen om een extra sloot te graven als afscheiding van het plangebied ten opzichte van het voorliggende agrarische gebied. Hierbij is gekozen om de natuurlijke oevervegetatie (riet) te laten staan. Volgens verweerder ontstaat hierdoor een natuurlijke landschappelijke aankleding, waarbij de openheid niet wordt aangetast. Gelet op deze ruimtelijke onderbouwing alsmede op de geringe omvang en hoogte van het project, is de rechtbank van oordeel dat de aan te leggen sloot en rietkraag (ruigtestroken) niet dusdanige ingrepen in het landschap zijn dat hierdoor de openheid of de kavelstructuur van het gebied wordt aangetast. Hierbij acht de rechtbank tevens van belang dat, zoals verweerder ter zitting aan de hand van kaarten heeft laten zien, in de omgeving van de percelen waar het project is beoogd reeds meerdere sloten aanwezig zijn die dwars op de kavelstructuur zijn gelegen. 6.
  12. Verweerder heeft ter zitting voorts toegelicht dat het Lop een beleidsdocument is dat de ontwikkelingsrichting van het in dat plan beschreven gebied weergeeft en dat dit plan niet op een wettelijke grondslag is gebaseerd. Eiser heeft er op gewezen dat in het Lop het uitgangspunt is neergelegd dat behoud van de grondgebonden landbouw in het slagenlandschap, waarin de gronden waarop het project is beoogd zijn gelegen, wenselijk is. Dit met het oog op het behoud van het ruimtelijk contrast tussen de bebouwingslinten en de open gebieden. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de percelen grond die aan de landbouw worden onttrokken dusdanig gering zijn, dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het Lop hier niet aan in de weg staat. Hetgeen eiser ten aanzien van de strijdigheid van het project met het Lop aanvoert leidt op grond van het voorgaande dan ook niet tot het oordeel dat het bestreden besluit geen goede ruimtelijke onderbouwing bevat of dat de activiteit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 6.
  13. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het vergunde antennestation onderdeel is van de ontwikkeling van LOFAR, de grootste radiotelescoop ter wereld en een sensornetwerk voor onder andere geofysisch wetenschappelijk onderzoek. Het met het bestreden besluit vergunde antennestation heeft tot doel om signalen uit de ruimte op te vangen en gezamenlijk met andere antennestations door te geven aan belanghebbende en aan het KNMI ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank is het belang van het project hiermee voldoende gegeven. Niet gebleken is dat verweerder met het bestreden besluit een onredelijke belangenafweging heeft gemaakt, mede gelet op de afstand van het antennestation tot het bedrijf van eiser. 6.
  14. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat er van het vergunde project geen effecten op het Natura 2000-gebied De Wieden uitgaan, omdat dit gebied op een afstand van meer dan 1,4 km van het antennestation is gelegen en er alleen in de aanlegfase van het antennestation kleinschalige activiteiten plaatsvinden. De aanlegactiviteiten zullen weliswaar geluid en trilling veroorzaken, maar deze hebben naar verwachting geen effecten op het Natura 2000-gebied. Ter zitting heeft belanghebbende de werkzaamheden in de aanlegfase nader toegelicht. Gelet op de afstand tussen het antennestation en het Natura 2000-gebied en op de door belanghebbende ter zitting gegeven toelichting is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot dit standpunt heeft kunnen komen. Hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. 6.
  15. Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Hetgeen eiser voor het overige in beroep heeft aangevoerd doet hier niet aan af. Voor zover eiser betoogt dat het bestreden besluit vanwege de dubbele publicatie hiervan niet in stand kan blijven, volgt de rechtbank dit niet. De tweede publicatie bevat slechts een rectificatie van de eerste voor wat betreft de daarin genoemde perceelnummers. Voorts is niet gebleken dat eiser hierdoor is benadeeld.
  16. De rechtbank zal het beroep van 28 december 2011 ongegrond verklaren.
  17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: -verklaart het beroep van 25 oktober 2011 niet-ontvankelijk; -verklaart het beroep van 28 december 2011 ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, en door hem en mr. P.J.H. Bijleveld als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op Afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.