← Nederland

ECLI:NL:RBZLY:2012:BY0876

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD sector kanton – locatie Zwolle zaaknummer : 616372 CV EXPL 12-3832 datum : 23 oktober 2012 Vonnis in de zaak van: de naamloze vennootschap ING BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, eisende partij, verder te noemen: ‘ING’, gemachtigde Groenewegen en Partners, tegen [GEDAAGDE PARTIJ], wonende te [woonplaats], gedaagde partij, verder te noemen: ‘[gedaagde partij]’, verschenen in persoon. De procedure De kantonrechter heeft kennisgenomen van: - de dagvaarding d.d. 25 juni 2012 - het mondelinge antwoord van [gedaagde partij] - de conclusie van repliek. [gedaagde partij] is in de gelegenheid gesteld om zich naar aanleiding van genoemde conclusie van repliek nader uit te laten, maar heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Het geschil ING heeft gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van € 1.504,91 inclusief rente, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.182,38 vanaf 25 juni 2012 tot de dag der algehele voldoening en alles met veroordeling van [gedaagde partij] in de kosten van het geding. Aan deze vordering is ten grondslag gelegd dat [gedaagde partij] ongeoorloofd een debetstand op zijn betaalrekening heeft doen ontstaan. [gedaagde partij] heeft zich bij antwoord tegen toewijzing van de vordering verzet. De beoordeling

  1. [gedaagde partij] heeft zich bij mondeling antwoord tegen de vordering verweerd en met name, naar de kantonrechter begrijpt, een beroep gedaan op verjaring van de vordering. [gedaagde partij] stelt daarbij dat hij in de afgelopen zeven jaar nooit enige brief of aanmaning van ING heeft ontvangen en dat hij pas door middel van de dagvaarding op de hoogte is gesteld van de vordering. Voor het overige voert [gedaagde partij] aan dat hij sinds drie jaar op zijn huidige adres woonachtig is en daarvoor nooit op een ander adres ingeschreven heeft gestaan.
  2. ING heeft bij repliek het verweer van [gedaagde partij] tegengesproken en gesteld dat er geen sprake is van verjaring. ING voert aan dat [gedaagde partij] sinds 14 oktober 2005 een ongeoorloofde debetstand heeft laten ontstaan waarvoor ING meerdere brieven aan [gedaagde partij] heeft verstuurd waarvan de laatste op 13 september 2009 is verzonden aan het adres [adres] te [gemeente]. Op 14 juli 2011 heeft de incassogemachtigde van ING haar eerste aanmaningsbrief aan [gedaagde partij] verzonden (wederom aan het adres [adres] te [gemeente]) waardoor er geen sprake is van een termijn van 5 jaar en geenszins sprake kan zijn van verjaring, aldus ING. Daarbij voert ING tevens aan dat het volgens de algemene voorwaarden de plicht en verantwoordelijkheid van [gedaagde partij] is om de juiste adresgegevens aan ING door te geven, wat [gedaagde partij] heeft nagelaten.
  3. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:37 lid 3 BW is alleen sprake van stuitende werking als de aanmaningsbrief d.d. 14 juli 2011 [gedaagde partij] heeft bereikt of als het niet (tijdig) bereiken het gevolg is van zijn eigen handelen en waarbij het gerechtvaardigd is dat hij het nadeel daarvan zelf draagt. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van stuiting is derhalve niet de verzending, maar de ontvangst van de brief bepalend, zulks met dien verstande dat het niet (tijdig) ontvangen van de brief onder omstandigheden voor risico van [gedaagde partij] kan komen. Nu ING zich beroept op stuiting van de verjaringstermijn door de door haar aan [gedaagde partij] gerichte brief, rust de bewijslast dat [gedaagde partij] deze brief heeft ontvangen op ING. ING stelt daartoe in haar conclusie van repliek dat, indien de aanmaningsbrief niet door [gedaagde partij] is ontvangen, omdat deze conform vermelding op de brief naar het adres [adres] te [gemeente] is gestuurd alwaar [gedaagde partij] op dat moment niet woonachtig was, het niet ontvangen hiervan voor risico van [gedaagde partij] komt omdat hij niet volgens de algemene voorwaarden een adreswijziging heeft doorgegeven.
  4. De kantonrechter is van oordeel dat voor de geldigheid van de stuitingshandeling onvoldoende is dat het niet doorgeven van de adreswijziging toegerekend kan worden aan [gedaagde partij]. Naar het oordeel van kantonrechter mag van degene die een verjaring wenst te stuiten worden verwacht dat hij verifieert waar de betrokkene woont of in ieder geval gebruik dient te maken van aangetekende verzending. Dit geldt te meer voor een professionele partij als ING aangezien zij op relatief eenvoudige wijze door recherche op de hoogte had kunnen komen van het juiste adres van [gedaagde partij].
  5. Nu ING geen andere feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit geconcludeerd kan worden dat het niet ontvangen van de brief d.d. 14 juli 2011 voor risico van [gedaagde partij] dient te komen is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van stuiting van de verjaringstermijn door de brief van 14 juli
  6. ING heeft niet gesteld - en dat is evenmin anderszins gebleken - dat in de vijf jaar voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding op 25 juni 2012 (d.i. vanaf 25 juni 2007) andere brieven met een dergelijke stuitende werking zijn verzonden die [gedaagde partij] wel hebben bereikt. De conclusie is dan ook dat het beroep van [gedaagde partij] op verjaring slaagt. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
  7. ING dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de proceskosten. De beslissing De kantonrechter: - wijst de vordering van ING af; - veroordeelt ING in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagde partij] begroot op nihil. Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 23 oktober 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.