RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD Sector strafrecht Parketnummer: 07.690084-11 (P) Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 december 2012 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres] en [woonplaats]. 1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 24 april 2012 en 18 december 2012 te Lelystad. Op 18 december 2012 is verdachte verschenen, bijgestaan door mr. E.J. Kuper, advocaat te Harderwijk. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.S. Ludwig en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht. 2 DE TENLASTELEGGING De verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 03 juni 2010 in de gemeente Zeewolde en/of Harderwijk, als bestuurder/schipper van een snelle motorboot, daarmee varend over het vaarwater het Wolderwijd, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig terwijl er zeven passagiers op die motorboot aanwezig waren en er voor een of meer van die passagiers niet of onvoldoende mogelijkheid was om zich vast te houden/vast te grijpen, niet heeft gecontroleerd of de zwemvesten van de passagiers wel goed waren aangetrokken en/of bevestigd, met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 20 kilometer per uur een (scherpe) bocht naar links heeft gedraaid, door welke gedraging een of meer passagiers overboord zijn geslagen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer ribfracturen en/of ribkneuzingen en/of een levercontusie en/of een pneumothorax heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan; althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: a. hij op of omstreeks 03 juni 2010 in de gemeente gemeente Zeewolde als schipper van een snelle motorboot (type RIB) daarmede varende op het Wolderwijd, zijnde een openbaar voor de scheepvaart openstaand water in het Rijk gelegen, terwijl uitdrukkelijke voorschriften in het Binnenvaartpolitiereglement ontbraken, niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goede zeemanschap en/of door omstandigheden waarin dat schip of dat samenstel zich bevond in het belang van de veiligheid en/of de goede orde van de scheepvaart waren geboden, teneinde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd gebracht en/of schade werd veroorzaakt aan een ander schip/andere schepen en/of aan een andere drijvende voorwerpen, aan oevers en/of aan werken en/of inrichtingen die zich in de vaarweg en/of op de oevers daarvan bevonden en/of de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar werd gebracht, immers heeft hij verdachte terwijl er zeven passagiers op die motorboot aanwezig waren en er voor een of meer van die passagiers niet of onvoldoende mogelijkheid was om zich vast te houden/vast te grijpen, niet gecontroleerd of zwemvesten goed waren bevestigd, met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 20 kilometer per uur een (scherpe) bocht naar links gedraaid, waardoor een of meer passagier(s) overboord zijn geslagen; b. hij op of omstreeks 03 juni 2010 in de gemeente Zeewolde, als schipper van een snelle motorboot Type RIB, daarmee heeft gevaren met een snelheid van 90 km per uur ten opzichte van het water, in elk geval sneller dan de aldaar toegestane snelheid van 20 km per uur ten opzichte van het water, op het Wolderwijd, zijnde een openbaar voor de scheepvaart openstaand water in het Rijk gelegen, terwijl ingevolge artikel 8.06 lid 1 van het Binnenvaartpolitiereglement ter plaatse niet sneller gevaren mocht worden dan 20 km per uur ten opzichte van het water. De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad. 3 DE VOORVRAGEN De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN Inleiding Op donderdag 3 juni 2010 vond er een personeelsuitje plaats voor ruim 250 werknemers van de [organisatie]. Eén van de activiteiten bestond uit een vaartocht met originele botters. De organisatie van dit onderdeel was uitbesteed aan “[organisatie 2]”. Bij deze activiteit was er de mogelijkheid een tochtje van een aantal minuten te maken met een snelle motorboot, te weten een rigid hull inflatable boat, hierna rib. Op diezelfde dag omstreeks 14.45 vond er op het vaarwater “Wolderwijd” nabij Zeewolde en Harderwijk een ongeval plaats op het water met deze rib. Op dat moment waren er zeven passagiers aan boord. Verdachte was de schipper. Het betrof een eenzijdig ongeval waarbij twee passagiers overboord zijn geslagen. Deze twee passagiers, mevrouw [slachtoffer 2] en mevrouw [slachtoffer 1] zaten op een zitbankje voorin de rib. Voor beiden was een ziekenhuisopname noodzakelijk. Bij mevrouw [slachtoffer 2] is licht lichamelijk letsel geconstateerd en bij mevrouw [slachtoffer 1] is uiteindelijk zwaar lichamelijk letsel geconstateerd, te weten meerdere ribfracturen, ribkneuzingen, een levercontusie en een pneumothorax. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, in die zin dat verdachte grovelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. Hij baseert dit op basis van getuigenverklaringen en de bevindingen van deskundigen waaruit volgt dat er onvoldoende instructies ten aanzien van de veiligheid zijn gegeven. Er is onvoldoende controle op de bevestiging van de reddingsvesten uitgevoerd en er is niet gewezen op de mogelijkheden waaraan men zich kon vasthouden. Bovendien blijkt uit de verrichte Verkeersongevallenanalyse dat er voor de passagiers die zitplaats hebben ingenomen op het zitbankje voorin de boot, geen mogelijkheden waren om zich goed vast te houden. Voorts blijkt uit technisch onderzoek dat er sneller dan de maximaal toegestane snelheid is gevaren. Deze omstandigheden hebben ertoe geleid dat de twee slachtoffers tijdens het nemen van een bocht uit de boot zijn gelanceerd met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft integraal vrijspraak bepleit. Hij heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde daartoe aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er aan de zijde van verdachte sprake is geweest van enige mate van schuld. Het kan niet anders dan dat de twee passagiers zich niet aan de beugel hebben vastgehouden. Er waren namelijk wel voldoende mogelijkheden voor de passagiers om zich aan vast te houden. De raadsman heeft foto’s overgelegd waaruit volgt dat de passagiers die op het bankje voorin de boot zaten de beugel boven hun hoofd, die op het console is bevestigd, konden vasthouden. Voorts konden zij zich schrap zetten door hun been tegen de zijkant van de boot te plaatsen. Indien de rechtbank concludeert dat er toch onvoldoende mogelijkheden waren voor de passagiers om zich vast te houden, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte bij aankoop van de boot erop heeft vertrouwd en ook heeft mogen vertrouwen dat voor passagiers op de voorbank voldoende mogelijkheden waren om zich aan vast te houden. Voorts blijkt uit de getuigenverklaringen dat er wel een instructie is gegeven over het aantrekken van de reddingsvesten. De instructie en controle van de reddingsvesten zijn vanaf een afstand door verdachte gedaan. Ten aanzien van de snelheid en de genomen bocht heeft de raadsman betoogd dat deskundigen hebben verklaard dat de boot uitermate geschikt is voor het varen met hoge snelheden en het maken van snelle bochten. Uit onderzoek is gebleken dat de genomen bocht niet scherp is geweest en derhalve geen gevaarlijke manoeuvre betrof. Dat meerdere passagiers de tocht als onrustig hebben ervaren, betekent niet dat dit het gevolg is geweest van onvoorzichtig handelen door verdachte. Tot slot heeft cliënt alleen hard gevaren in het snelvaargebied op het Veluwemeer, waar dat ook is toegestaan. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde onder a heeft de raadsman aangevoerd dat gelet op het voorgaande verdachte alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen. Voorts blijkt niet uit het dossier dat er schade is veroorzaakt of dreigde te worden veroorzaakt aan andere schepen, oevers, werken of inrichtingen die zich in de vaarweg en op de oevers daarvan bevonden. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde onder b heeft de raadsman betoogd dat de uitgelezen snelheid uit het GPS-systeem niet als bewijs kan dienen omdat deze meting niet volgens de voorgeschreven wijze is gemeten. Bovendien blijkt niet uit het dossier dat het GPS-systeem geijkt was. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht. Ter beoordeling van de vraag of verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zal de rechtbank achtereenvolgens ingaan op de vraag óf en welke feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd kunnen worden bewezen en of de bewezen geachte feitelijke gedragingen schuld in de zin van artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht opleveren. Ten aanzien van het primair tenlastegelegde: Zwemvesten: De rechtbank overweegt dat uit de voor snelle motorboten geldende regelgeving blijkt dat een reddingsvest slechts voor de schipper van de boot is verplicht. Het dragen van een reddingsvest is voor een opvarende niet verplicht. Voor iedere opvarende dient er wel een reddingsvest binnen handbereik te zijn. Uit de verklaringen van de opvarenden blijkt dat zij een reddingsvest droegen. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gevraagd en gecontroleerd of iedereen een reddingsvest droeg. Een controle op het dragen van een reddingsvest en op een juiste bevestiging hiervan is echter, gelet op voornoemde regels, niet verplicht en indien verdachte dit zou hebben nagelaten dan nog is er geen sprake van schuld in de zin van artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal verdachte derhalve van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. Niet of onvoldoende aanwezig zijn van mogelijkheden om zich vast te houden: De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat er voor de twee opvarenden, die zich op het zitbankje voorin de boot bevonden, onvoldoende mogelijkheden waren om zich vast te houden. De rechtbank relateert dit aan de krachten die verdachte als schipper van de boot tijdens het varen heeft opgeroepen, waarover hieronder meer. In het proces-verbaal van bevindingen scheepvaartongeval wordt geconcludeerd dat de passagiers die plaatsnemen op het zitbankje voorin de boot, geen mogelijkheden hebben om zich goed vast te houden. De roestvrijstalen beugel die om het console loopt bevindt zich achter deze passagiers, waardoor zij hier geen gebruik van kunnen maken. Voorts bevinden de voorste handgrepen zich op de tubes aan bakboord en stuurboordzijde, op ongeveer twee meter afstand vanaf de voorsteven. Deze zijn te ver verwijderd van het zitbankje, zodat de daarop zittende passagiers ook hier geen gebruik van kunnen maken. Uit de in het dossier aanwezige foto’s van de boot blijkt overigens dat één van deze handgrepen ontbreekt. Tot slot blijkt uit voornoemd proces-verbaal dat de passagiers op het zitbankje, in tegenstelling tot de passagiers op de stoelen achter de console, ook geen mogelijkheden hebben om zich goed schrap te zetten. De passagiers op de stoelen achter de console kunnen de buitenste voet schrap zetten op een kleine verhoging op het loopdek. Deze mogelijkheid hebben de passagiers op het zitbankje niet. Op verzoek van de verdediging is als getuige-deskundige gehoord dhr. [getuige-deskundige], scheepsmakelaar en instructeur zeilboten en motorboten. [getuige-deskundige] heeft geconcludeerd dat een bankje voorin de boot, zoals in de rib van verdachte, niet voorkomt bij beroepsmatige boten. Voorts heeft [getuige-deskundige] geconcludeerd dat er in beginsel voldoende handgrepen aanwezig zijn maar dat afgevraagd kan worden of er naast de beugel voorop het console, niet een extra beugel aan de voorkant van de boot had moeten worden geplaatst. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij ook zelf de beugel om het console, die bevestigd is achter de passagiers, voor wat betreft de veiligheid niet optimaal vindt. Verdachte heeft verklaard dat de dealer dit eigenlijk zou moeten aanpassen. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben bij de politie verklaard dat zij zich slechts vast konden houden aan de beugel voorop het console, welke is bevestigd achter hun rug en boven hun hoofd. Ter terechtzitting heeft [slachtoffer 2] verklaard dat je hierbij boven je macht moet reiken, hetgeen ook blijkt uit de foto’s welke zijn overgelegd door verdachte. Het is een feit van algemene bekendheid dat men zich minder goed kan vasthouden als het object waaraan men zich dient vast te houden boven de macht is gelegen. Vast is ook komen te staan dat verdachte, die tijdens het varen zicht had op de beide passagiers die voor hem op het zitbankje voor in de boot zaten, heeft gezien dat deze passagiers zich boven hun macht vasthielden aan de beugel. De verklaring van verdachte dat de passagiers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de beugel voorop het console op een gegeven moment uit eigen vrije wil los hebben gelaten, acht de rechtbank niet aannemelijk. [slachtoffer 2] heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat zij met haar rechterarm [slachtoffer 1] stevig omarmd vasthield en dat zij met haar linkerarm de beugel achter haar, boven haar hoofd, vasthield. Met haar buitenste been heeft zij zich geprobeerd schrap te zetten tegen de zijkant van de boot. Ter terechtzitting heeft [slachtoffer 2] verklaard dat zij zo bang was dat zij zich uit alle macht heeft vastgehouden aan de beugel. Ook [slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat zij met haar linkerarm [slachtoffer 2] stevig omarmd vasthield en met haar rechterarm de beugel boven haar hoofd vasthield. Voorts heeft ook [slachtoffer 1] geprobeerd zich met haar buitenste been schrap te zetten tegen de zijkant van de boot. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman dat er voldoende mogelijkheden waren voor de passagiers op het zitbankje voorin de boot om zich goed vast te houden. De rechtbank baseert zich hierbij zowel op de bevindingen van de deskundigen als op de verklaringen van [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en verdachte zelf Zeker gelet op het feit dat er door verdachte met grote snelheid werd gevaren, waarover hieronder meer, op een manier waardoor hij grote op de boot uitgeoefende krachten opriep, beoordeelt de rechtbank de mogelijkheden die er waren voor de twee passagiers op het zitbankje voorin de boot om zich vast te houden als onvoldoende. Snelheid/manoeuvre De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 20 kilometer per uur heeft gevaren en daarbij een bocht naar links heeft gemaakt. Uit het proces-verbaal bevindingen scheepvaartongeval blijkt onder meer dat uit onderzoek naar de GPS navigatieapparatuur is gebleken dat op trackpunt nummer 649, waar een bocht naar bakboord (links) wordt ingezet, een snelheid van 90 kilometer per uur is gelogd. Met een koers van 208 graden veranderend naar 180 graden. De snelheid zakt naar 83 kilometer per uur, trackpunt
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.