ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Reg.nr.: 00/531 VEROR UITSPRAAK in het geding tussen: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk, verweerder.
(14)te vermenigvuldigen met f 1.165,-, zijnde de optelsom van de maandelijkse toelage van f 445,- en een bedrag van f 720,- als genoemd in artikel 22, eerste lid, van de ROA. Eiser heeft in de eerste plaats de ingangsdatum van de intrekking en terugvordering aangevochten. Naar zijn mening moet die datum worden bepaald op 1 november 1998, aangezien hij eerst vanaf die datum, naar hij heeft gesteld, daadwerkelijk inkomsten heeft ontvangen uit zijn werkzaamheden als zelfstandig ondernemer. De rechtbank is op grond van de gedingstukken - waaronder het rapport van de sociale recherche met bijlagen - en het verhandelde ter zitting met verweerder van oordeel dat eiser met ingang van 1 juli 1998 moet worden aangemerkt als een zelfstandige die vanaf die datum geen recht zou hebben gehad op een normuitkering ingevolge de Algemene bijstandswet. Hieraan kan niet afdoen dat eiser, naar zijn zeggen, eerst vanaf 1 november 1998 feitelijk betalingen zou hebben ontvangen van zijn opdrachtgevers. De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat het netto bedrijfsresultaat van f 32.000,- dat eiser blijkens mededeling van zijn accountant in de tweede helft van 1998 heeft behaald, geheel aan die periode moet worden toegerekend, ongeacht de momenten waarop eiser feitelijk de betalingen van zijn opdrachtgevers heeft ontvangen. Gezien het vorenstaande en gelet op artikel 2 van de ROA moet worden geoordeeld dat eiser met ingang van 1 juli 1998 geen recht meer had op de verstrekkingen, bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de ROA. Verweerder heeft derhalve terecht de ingangsdatum van de intrekking en terugvordering bepaald op 1 juli
- De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat eiser, door zijn werkzaamheden als zelfstandige niet terstond aan de gemeente te melden, niet heeft voldaan aan de in het toekenningsbesluit van 9 februari 1996 gestelde voorwaarde dat hij de hoofdafdeling sociale zaken en welzijn van iedere wijziging in zijn persoonlijke en/of financiële situatie onmiddellijk in kennis diende te stellen. Eiser heeft in de tweede plaats het bedrag van de terugvordering aangevochten voor zover het betreft de component van f 720,- per maand. Eiser heeft daarbij gesteld dat hij niet van alle betalingen die verweerders gemeente ter zake van zijn opvang heeft gedaan profijt heeft gehad, met name niet van de betalingen aan de Stichting Vluchtelingenwerk. Verweerder heeft aangegeven dat de gemeente ter zake van de overige verstrekkingen aan eiser, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder a, c en e, van de ROA forfaitaire bedragen van f 720,- per maand heeft ontvangen van het Rijk en dat deze bedragen vanaf 1 juli 1998 aan het Rijk moeten worden terugbetaald. Voorts heeft verweerder uiteengezet dat de gemeente ter zake van deze verstrekkingen maandelijks zelfs meer dan f 720,- heeft uitgegeven ten behoeve van eiser, te weten betaling van f 250,- aan de eigenaar van de woning waarin eiser tot 1 juli 1999 heeft gewoond, betaling van f 197,50 ter zake van verschuldigde verzekeringspremies en overmaking van f 325,- aan de Stichting Vluchtelingenwerk ten behoeve van de begeleiding van eiser. Gezien verweerders uiteenzetting en in het licht van het bepaalde in artikel 22, eerste lid, van de ROA is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht het betwiste bedrag van f 720,- per maand in de terugvordering heeft betrokken. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser vanaf 1 juli 1998 - zoals in het voorgaande reeds is overwogen - geen recht meer had op verstrekkingen ingevolge de ROA en dat het aan de nalatigheid van eiser - hij heeft de gemeente immers niet tijdig op de hoogte gesteld van zijn werkzaamheden - is te wijten dat de gemeente na 1 juli 1998 is doorgegaan met betalingen terzake van woonlasten, verzekeringspremies en begeleiding. Voor wat betreft de kosten van begeleiding acht de rechtbank in dit verband niet van belang of eiser al dan niet daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van begeleiding door de Stichting Vluchtelingenwerk. Overigens komt uit het proces-verbaal van verhoor van eiser - als bijlage opgenomen bij het rapport van de sociale recherche - naar voren dat eiser wel degelijk contact heeft gehad met de Stichting Vluchtelingenwerk. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid had behoren af te zien van de onderhavige terugvordering, is de rechtbank niet gebleken. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. Beslist wordt derhalve als volgt.
- Beslissing De rechtbank, recht doende: verklaart het beroep ongegrond. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. Aldus gegeven door mr. K. van Duijvendijk en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2001 in tegenwoordigheid van de griffier. Afschrift verzonden op: