RECHTBANK ZUTPHEN Sector Bestuursrecht Reg.nr.: 03/1136 WOB UITSPRAAK op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen: [verzoeker], te [woonplaats], verzoeker, en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, alsmede Pfizer Animal Health BV te Capelle aan den IJssel (voorheen Bayer BV te Mijdrecht), derde-partij. 1. Ontstaan en loop van het geding In 1998 zijn verzoekers runderen ingevolge de Verordening bestrijding IBR 1998, conform een entprogramma van het Produktschap voor Vee en Vlees, verplicht tegen IBR (koeiengriep) geënt. Korte tijd later heeft zich zogeheten slijtersproblematiek op verzoekers bedrijf voorgedaan. In het kader van bedoeld vaccinatieprogramma is in enkele gevallen gebruik gemaakt van met het Bovine Virus Diarree-virus vervuilde charges/batches. Volgens verzoeker zijn ook in zijn geval de ziekteverschijnselen aan vervuilde of anderszins gebrekkige entstof te wijten, die door de derde-partij, althans door Bayer AG PH-Veterinar-Bereich, is geproduceerd en geleverd. Verzoeker heeft bij brief van 29 juli 2003 verweerder verzocht om openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob) van de toelatings(registratie)dossiers van de geoctrooieerde vaccins Bayovac IBR-marker inactivatum en Bayovac IBR-marker vivum, waarvan de derde-partij in Nederland registratiehouder is, alsmede van het dossier inzake de schorsing van het laatstgenoemde vaccin, inclusief het onderzoeksrapport van het European Agency for the Evaluation of Medicinal Products (EMEA) te Londen. Bij brief van 15 augustus 2003 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek van 29 juli 2003. Bij brief van gelijke datum is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij besluit van 22 augustus 2003 heeft verweerder de gevraagde openbaarmaking wat beide toelatingsdossiers betreft geweigerd, het verzoek toegewezen wat betreft een aantal besluiten inzake de schorsing van het vaccin Bayovac IBR-marker vivum en voor het overige een beslissing op het verzoek aangehouden. Bij brief van 5 september 2003 heeft verzoeker meegedeeld dat het verzoek om een voorlopige voorziening blijft gehandhaafd. Bij brief van gelijke datum zijn de gronden van het bezwaar en het verzoek aangevuld. Bij brief van 12 september 2003 is de gemachtigde van verzoeker, mr. C.L. Capel, advocaat te Rotterdam, gevraagd het gestelde spoedeisende belang voor het treffen van een voorlopige voorziening nader toe te lichten. Bij brief van 19 september 2003 heeft mr. Capel hierop gereageerd. Bij brief van 3 oktober 2003 heeft verweerder – naar eigen zeggen – een gedeelte van de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Uit beide toelatingsdossiers zijn de correspondentie over de registratieprocedures, inclusief de beoordelingsrapporten die op verzoek van het Bureau Registratie Diergeneesmiddelen (BRD) zijn opgesteld, overgelegd, doch de overige (inhoudelijke) informatie uit de toelatingsdossiers zijn volgens verweerder slechts ten dele overgelegd, te weten voorzover het om informatie gaat die niet uitsluitend bij het BRD op microfilm ligt opgeslagen. Het dossier betreffende de schorsing van het vaccin Bayovac IBR-marker vivum is (wel) in zijn geheel overgelegd. Verweerder heeft voorts meegedeeld dat alleen de voorzieningenrechter van de overgelegde gegevens kennis zal mogen nemen. Bij beslissing van 20 oktober 2003 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de kennisneming van voormelde gegevens in het kader van de onderhavige procedure niet aan verzoeker of zijn gemachtigde wordt toegestaan. Bij brief van 28 oktober 2003 heeft verzoeker de voorzieningenrechter toestemming verleend om mede op basis van de inhoud van bedoelde gegevens uitspraak te doen. Bij besluit van 6 november 2003 heeft verweerder zijn besluit van 22 augustus 2003 gewijzigd, in die zin dat alsnog is besloten tot openbaarmaking (met inachtneming van een wachttijd van twee weken) van een groot aantal documenten uit beide toelatingsdossiers en het schorsingsdossier, inclusief de inventarislijsten behorende bij die dossiers. Op 12 november 2003 is het verzoek ter zitting behandeld, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Capel. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.M.H. Hamberg, ambtenaar ten departemente, en door drs. C. Kuiper, werkzaam bij het BRD. Namens de derde-partij (Bayer BV) is D.M.L.J.E. Gevaert verschenen, bijgestaan door mr. H.G.T.J. Jansen, advocaat te Den Haag. Ter zitting is het onderzoek in overleg met partijen geschorst, teneinde partijen de gelegenheid te geven om tot een vergelijk te komen. Bij brief van 14 november 2003 heeft de derde-partij bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 november 2003 en bij voorlopige voorziening verzocht dit besluit met onmiddellijke ingang te schorsen. Nadat verweerder aan de rechtbank had meegedeeld dat de uitvoering van het besluit van 6 november 2003 voorlopig werd opgeschort, heeft de derde-partij haar verzoek bij brief van 20 november 2003 ingetrokken. Nadat partijen opnieuw hadden verzocht om een periode voor onderling overleg, heeft verzoeker bij brief van 29 januari 2004 gevraagd de behandeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening voort te zetten. Bij besluit van 31 maart 2004 met bijlagen heeft verweerder, onder gedeeltelijke gegrondverklaring van zowel het bezwaar van verzoeker als het bezwaar van de derde-partij, besloten tot gedeeltelijke openbaarmaking van de toelatingsdossiers en het schorsingsdossier. Van de volgende documenten is de openbaarmaking (gedeeltelijk) geweigerd: A. uit het toelatingsdossier van het vaccin Bayovac IBR-marker vivum de documenten met de nummers 2, 5, 24, 37, 46, 51, 54, 56 tot en met 63, 69, 70, 77 en 86 (microfilm); de documenten met de nummers 4, 15, 30, 38, 42 en 73 zijn gedeeltelijk openbaar gemaakt; B. uit het schorsingsdossier betreffende dit vaccin de documenten met de nummers 6 tot en met 9, 12 en 18; de documenten met de nummers 3, 4, 5, 14, 21 en 22 zijn gedeeltelijk openbaar gemaakt; C. uit het toelatingsdossier van het vaccin Bayovac IBR-marker inactivatum de documenten met de nummers 21, 24, 29, 31, 41, 47, 51, 58 (microfilm); de documenten met de nummers 1 en 17 zijn gedeeltelijk openbaar gemaakt. Bij brief van 6 april 2004 heeft de rechtbank de gemachtigde van verzoeker gewezen op de mogelijkheid beroep in te stellen, alsmede verzocht om aan te geven of het verzoek om een voorlopige voorziening blijft gehandhaafd. Bij brief van 11 mei 2004 heeft verzoeker beroep ingesteld. Bij brief van 10 juni 2004 heeft verzoeker de gronden van het beroep ingediend. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek vervolgens gesloten. 2. Motivering 2.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Voorzover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure. 2.2. Verweerder heeft aan zijn besluit van 31 maart 2004, voorzover daarbij de openbaarmaking van documenten geheel of gedeeltelijk is geweigerd, (een combinatie van) de volgende weigeringsgronden ten grondslag gelegd: - (voorzover bedrijfs- en fabricagegegevens niet uit de tekst van het octrooi zijn af te leiden) het bepaalde in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob (in verbinding met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob), op grond waarvan het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege blijft voorzover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld; - artikel 11, eerste lid, van de Wob (in verbinding met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob), op grond waarvan het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege blijft voorzover dit persoonlijke beleidsopvattingen betreft die zijn opgenomen in voor intern beraad opgestelde documenten; - voorzover het verzoek om openbaarmaking betrekking heeft op documenten van de Europese Commissie, het door de Europese Commissie ingestelde Committee for Veterinary Medicinal Products en het EMEA, (mede) het bepaalde in de betrokken Europese openbaarheidsregeling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.