RECHTBANK ZUTPHEN Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Reg.nr.: 03/961 AW UITSPRAAK in het geding tussen: [eiser], wonende te Epe, eiser en de Korpschef van het Korps landelijke politiediensten, voor deze de directeur-generaal Openbare orde en Veiligheid, verweerder.
- Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 6 juni 2003, waarbij: a. het bezwaarschrift van eiser van 28 november 2002 tegen de beslissing op eisers zienswijze van 21 oktober 2002 niet-ontvankelijk is verklaard en b. het bezwaarschrift van eiser van 11 december 2002 tegen het plaatsingsbesluit van 18 november 2002 ongegrond is verklaard.
- Feiten Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 6 sub c, van het Reorganisatiestatuut KLPD 2002 heeft verweerder eiser bij brief van 8 juli 2002, meegedeeld dat op basis van dienstgegevens als uitgangspositie voor eiser is vastgesteld de functie "Beveiliger" . Voorts heeft verweerder meegedeeld dat die functie in de nieuwe organisatie in een gelijk of groter aantal ongewijzigd terugkeert en het voornemen bestaat eiser volgens de directe procedure in dezelfde functie in de nieuwe organisatie te plaatsen. Eiser kon tot 2 september 2002 zienswijzen kenbaar maken. Bij brief van 27 augustus 2002 heeft eiser kenbaar gemaakt dat hij sedert 1 april 1996 operationeel-coördinerende taken verricht in de functie van Verantwoordelijk Beveiligingsambtenaar en dat hij het daarom niet eens is met de gekozen uitgangspositie. Bij brief van 21 oktober 2002 heeft verweerder meegedeeld geen aanleiding te zien uit te gaan van een andere uitgangspositie en bij besluit van 18 november 2002 is eiser ingaande 1 december 2002 geplaatst in de functie van Beveiliger in schaal
- Bij brieven van 28 november 2002 en 11 december 2002 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de gekozen uitgangspositie en het plaatsingsbesluit. Eiser is op 18 maart 2003 gehoord door de bezwaarschriftencommissie. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van 28 november 2002 nietontvankelijk verklaard op de grond dat het zich richt tegen een beslissing die niet op enig rechtsgevolg is gericht en het bezwaarschrift van 11 december 2002 overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie ongegrond verklaard.
- Procesverloop Namens eiser heeft mW.mr. S.G. Volbeda, werkzaam bij Boulevard Heuvelink advocaten te Arnhem, beroep ingesteld op de in het aanvullend beroepschrift d.d. 8 september 2003 vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Vervolgens hebben partijen hun standpunten schriftelijk nader uiteengezet. Het beroep is gevoegd behandeld met het beroep van [eiser], geregistreerd onder nummer 03/961 AW, ter zitting van 18 juni 2004, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Volbeda. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Vriezen en H. Poortier.
- Motivering 4.1 Plaatsing geschiedt volgens de directe, de korte of de lange procedure. Het antwoord op de vraag welke procedure van toepassing is, is mede afhankelijk van de uitgangspositie van de betrokken medewerker, terwijl de uitgangspositie, zeker in geval van directe plaatsing, van overwegende invloed is op de plaatsingsbeslissing. Eiser wordt derhalve door de keuze van de uitgangspositie rechtstreeks in zijn rechtspositie geraakt. Met verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 februari 2002 LJN AE0168 is de rechtbank dan ook van oordeel dat de beslissing met betrekking tot de uitgangspositie een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit is. Het beroep tegen de beslissing op het bezwaarschrift van 28 november 2002 is dan ook gegrond. Nu verweerder eisers bezwaren tegen zijn uitgangspositie inhoudelijk heeft beoordeeld in het kader van het bezwaarschrift tegen het plaatsingsbesluit, welk bezwaarschrift zich in wezen ook tegen de uitgangspositie richt, ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit waarbij het bezwaarschrift van 28 november 2002 niet-ontvankelijk is verklaard. 4.2 Voor de uitgangspositie van de medewerker wordt, gelet op 11.6 van de Uitvoeringsregeling, uitgegaan van de formele functie, tenzij anders is vastgelegd. De formele functie is de functie die genoemd wordt in het aanstellings- of wijzigingsbesluit. Eiser was aangesteld in de functie van Beveiliger. Niet in geschil is dat de functie Verantwoordelijk Beveiligingsambtenaar niet als zodanig bestond in de formatie van de Divisie Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging, Afdeling Koninklijke Beveiliging. Diverse pogingen om een functie tussen die van Beveiliger en van Groepschef te creëren zijn in het verleden op niets uitgelopen en ook in de nieuwe organisatie is niet voor een tussenniveau gekozen, hoewel de reorganisatie mede ten doel had de formele functies in overeenstemming te brengen met de feitelijke werkzaamheden en de meer ervaren Beveiligers, naar de rechtbank aanneemt, structureel operationeelcoördinerende werkzaamheden verrichtten en verrichten die tot de taakomschrijving van Groepschefs behoren en daar ook een vergoeding voor hebben gekregen. De oude organisatie kende en de nieuwe organisatie kent slechts de functies Beveiliger en Groepschef, de werkzaamheden voor en na reorganisatie zijn identiek en de betreffende medewerkers zijn één op één overgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat eiser feitelijk de functie van Groepschef uitoefende. Het antwoord op de vraag of functieonderhoud diende plaats te vinden kan hier in het midden blijven. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte de functie van Beveiliger als uitgangspositie gekozen. Het bezwaarschrift tegen het besluit van 21 oktober 2002 is dan ook ongegrond. 4.3 De bezwaren van eiser tegen het plaatsingsbesluit en de beslissing op het bezwaarschrift tegen dat besluit vloeien geheel voort uit zijn bezwaren tegen de uitgangspositie. Nu de bezwaren daartegen ongegrond zijn geeft het beroep tegen de beslissing op het bezwaarschrift tegen het plaatsingsbesluit geen grond voor het oordeel dat die beslissing is genomen in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht of enig rechtsbeginsel. 4.4 Hoewel het beroep tegen de beslissing op het bezwaarschrift tegen het besluit van 21 oktober 2002 gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser, nu verweerder in het kader van de beslissing op het bezwaarschrift tegen het plaatsingsbesluit inhoudelijk op de bezwaren tegen de uitgangspositie is ingegaan en eiser desondanks beroep heeft ingesteld. Geoordeeld moet dan ook worden dat eiser geen kosten heeft gemaakt uitsluitend ten gevolge van de niet-ontvankelijkverklaring. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb. Het vorenstaande leidt tot de slotsom, dat beslist moet worden als hierna is aangegeven.
- Beslissing De rechtbank, recht doende: verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1.a gegrond; vernietigt dat besluit; verklaart het bezwaarschrift van 28 november 2002 ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; verklaart het beroep tegen het bestreden besluit
- b. ongegrond; gelast dat de Staat der Nederlanden het betaalde griffierecht van € 116,-- aan eiser vergoedt. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Aldus gegeven door mr. J.A. Lok en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.