vonnis RECHTBANK ZUTPHEN Sector Civiel – Afdeling Handel zaaknummer / rolnummer: 89316 / KG ZA 07-311 Vonnis in kort geding van 21 november 2007 in de zaak van [eiser], wonende te [plaats, gemeente], opposant, hierna mede te noemen [eiser], procureur: mr. E.G.M. Wiggers, advocaat: mr. M. van Hunnik te Barneveld, tegen [verweerster], wonende te [plaats], geopposeerde, hierna mede te noemen [verweerster], advocaat: mr. J.H.F.M. van Rijswijck te Arnhem.
- De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 3 oktober 2005, - het verstekvonnis, op 11 oktober 2005 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank onder rolnummer 72878 / KG ZA 05-266 uitgesproken tussen [verweerster] als eiseres en [eiser] als niet verschenen gedaagde, - de verzetdagvaarding van 26 oktober 2007, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, - de pleitnota van [eiser]. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald.
- De feiten 2.
- Op 17 april 2003 is het bedrijf [naam bedrijf] (hierna: [bedrijf]) met medewerking van [eiser] in het handelsregister geregistreerd als een door hem en voor zijn rekening en risico gedreven eenmanszaak. Vóór 17 april 2003 was [eiser] al werkzaam bij [bedrijf] en stond de onderneming op naam van de [eigenaar bedrijf] (hierna: [eigenaar bedrijf]) als eigenaar en exploitant. 2.
- [eiser] was vooral werkzaam in de buitendienst, waarin hij toekomstige cliënten bezocht en heeft [eigenaar bedrijf] en de op het kantoor van [bedrijf] werkzame [werkneemster bedrijf] vervolgens een algemene machtiging verstrekt voor alle financiële transacties van [bedrijf] 2.
- [bedrijf] hield zich bezig met schuldbemiddeling, inhoudende dat cliënten van [bedrijf] maandelijks bedragen aan haar dienden te voldoen, die door [bedrijf] zouden worden doorbetaald aan de schuldeisers van haar cliënten. 2.
- Op 11 maart 2003 heeft [bedrijf] een dergelijke overeenkomst gesloten met [verweerster]. 2.
- [bedrijf] heeft nimmer een door [verweerster] aan haar betaald bedrag overgemaakt naar een schuldeiser van [verweerster]. 2.
- Op 3 oktober 2005 heeft [verweerster] [eiser] in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank, waarbij [verweerster] een bedrag van EUR 6.000,00 met rente en kosten vorderde van [eiser] wegens onverschuldigde betaling ten gevolge van nietigheid van de schuldbemiddelingsovereenkomst. 2.
- Bij verstekvonnis van 11 oktober 2005 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van [verweerster] toegewezen. 2.
- Op 29 november 2005 is de inschrijving van de onderneming in het handelsregister doorgehaald wegens opheffing van de onderneming. 2.
- Bij vonnis van 27 oktober 2006 heeft de meervoudige strafkamer van deze rechtbank [eiser] vrijgesproken van oplichting en verduistering ten aanzien van andere cliënten van [bedrijf] ([verweerster] was niet in de tenlastelegging vermeld).
- Het geschil 3.
- [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
- opposant zal ontheffen van de veroordeling, tegen hem uitgesproken bij vonnis van deze rechtbank van 11 oktober 2005 met rolnummer 72878 / KG ZA 05-266 en tussen geopposeerde als eiser en opposant als gedaagde gewezen, en het vonnis zal vernietigen;
- geopposeerde alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, althans deze als ongegrond zal afwijzen;
- geopposeerde zal veroordelen in de kosten van dit verzet en dit geding. 3.
- [verweerster] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
- De beoordeling 4.
- Gesteld noch gebleken is dat het verzet niet tijdig of op de juiste wijze ingesteld, zodat [eiser] in zijn verzet kan worden ontvangen. 4.
- [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat door [verweerster] ten onrechte althans zonder rechtsgrond betaling van een bedrag wordt (terug)gevorderd, nu [eiser] nimmer heeft deelgenomen aan en niet op de hoogte was van de malafide praktijken van [eigenaar bedrijf] en [werkneemster bedrijf] binnen [bedrijf] [eiser] voert hiertoe aan dat hij op aandringen van [eigenaar bedrijf] [bedrijf] op zijn naam heeft laten inschrijven, maar dat [eigenaar bedrijf] feitelijk de zeggenschap hield. [eiser] stelt dat hij bewust onwetend is gehouden en gebruikt is als dekmantel voor de door [eigenaar bedrijf] en [werkneemster bedrijf] gepleegde oplichting. Voorts stelt [eiser] dat hij in de strafzaak in tegenstelling tot [eigenaar bedrijf] en [werkneemster bedrijf] is vrijgesproken van oplichting en verduistering ten nadele van cliënten van [bedrijf] Nu [eiser] zelf niet aantoonbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens cliënten van [bedrijf] en hij niet op de hoogte was van het onrechtmatig handelen van [eigenaar bedrijf] en [werkneemster bedrijf], acht hij zich niet aansprakelijk voor de vordering van [verweerster]. 4.
- Ten eerste dient beoordeeld te worden of [verweerster] met recht de nietigheid van de overeenkomst heeft ingeroepen dan wel met recht de overeenkomst heeft vernietigd. Ingevolge artikel 47 van de Wet op het Consumentenkrediet (hierna: WCK) is schuldbemiddeling verboden. Nu [eiser] niet heeft betwist dat [bedrijf] een overeenkomst tot schuldbemiddeling met [verweerster] heeft gesloten, is voldoende aannemelijk geworden dat de overeenkomst in strijd is met artikel 47 WCK. Blijkens het bepaalde in artikel 3:40 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek leidt dit slechts tot vernietigbaarheid van de overeenkomst, nu artikel 47 WCK strekt ter bescherming van één partij, in dit geval [verweerster]. Bij brief van 20 mei 2005 is namens [verweerster] de overeenkomst met [bedrijf] vernietigd. Nu als onweersproken vast staat dat [verweerster] EUR 6.000,00 aan [bedrijf] heeft betaald op basis van de vernietigde overeenkomst, is voldoende aannemelijk dat de bodemrechter – later oordelend – [verweerster] een vordering uit onverschuldigde betaling zal toewijzen. De vraag is slechts of dit ook tegen [eiser] zal gebeuren, die toewijzing tegen [eigenaar bedrijf] en [werkneemster bedrijf] meer voor de hand vindt liggen. 4.
- Vast staat dat [bedrijf] vanaf 4 april 2003 naar buiten toe op naam stond van [eiser]. [eiser] heeft de voor het handelsregister bedoelde overschrijving van [bedrijf] op zijn naam ondertekend. Voorts heeft [eiser] eigenhandig een machtiging verstrekt aan [eigenaar bedrijf] en [werkneemster bedrijf] voor het – op naam van [eiser] - verrichten van alle financiële transacties binnen [bedrijf] [verweerster] heeft in goed vertrouwen bedragen overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijf], waarvan [eiser] het beheer uit handen had gegeven aan [eigenaar bedrijf] en [werkneemster bedrijf]. Dat [eigenaar bedrijf] en [werkneemster bedrijf] misbruik hebben gemaakt van deze machtiging, mag niet voor rekening van [verweerster] komen. [eiser] was in het handelsregister ingeschreven als eigenaar van [bedrijf] en [verweerster] vordert dan ook met recht de betalingen bij hem terug. De stelling van [eiser], dat hij niet op de hoogte was van de oplichting door [eigenaar bedrijf] en [werkneemster bedrijf], doet aan zijn aansprakelijkheid als eigenaar van [bedrijf] niets af. 4.
- Dat [eiser] strafrechtelijk is vrijgesproken van oplichting en verduistering, doet aan zijn civielrechtelijke aanspreekbaarheid in deze niets af. Artikel 161 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kent aan vrijspraken (bij [eiser] is kennelijk strafrechtelijk opzet niet bewezen geacht) geen dwingende bewijskracht toe. De stelling van [eiser], dat [bedrijf] nog niet op zijn naam stond op het moment dat [verweerster] de overeenkomst met [bedrijf] sloot, treft evenmin doel, nu [eiser] als rechtsopvolger onder algemene titel gold van de vorige gerechtigde tot de eenmanszaak. De meeste betalingen zijn overigens nadien binnengekomen. 4.
- Aangezien [verweerster] haar vordering in de oorspronkelijke dagvaarding heeft gebaseerd op onverschuldigde betaling, kunnen de verweren van [eiser] betreffende wanprestatie en onrechtmatige daad onbesproken blijven. 4.
- [verweerster] heeft de stelling van [eiser], dat [verweerster] geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering omdat zij na het vonnis van 11 oktober 2005 geen executiemaatregelen heeft genomen, gemotiveerd weersproken. [verweerster] heeft aangevoerd dat de deurwaarder heeft geprobeerd het vonnis te executeren, maar dat er geen verhaalsmogelijkheden waren bij [eiser]. [eiser] heeft deze stelling niet, althans onvoldoende weersproken. Daar komt bij dat [eiser] ter zitting heeft verklaard dat hij enkele malen is verhuisd zonder zich in te schrijven op zijn nieuwe adres, wat het nemen van executiemaatregelen bemoeilijkt. [verweerster] heeft daarentegen – onweersproken – gesteld dat zij een inkomen op bijstandsniveau heeft en in een zorgwekkende financiële situatie verkeert. Gezien het vorenstaande heeft [verweerster] spoedeisend belang bij haar vordering. [eiser] heeft de – door [verweerster] betwiste – stelling dat er een restitutierisico bestaat aangezien [verweerster] bezig is met schuldsanering onvoldoende onderbouwd, zodat hieraan voorbij zal worden gegaan – ook omdat onweerlegbaar is dat haar betalingen hem ten goede zijn gekomen, waaraan niet afdoet dat hij de controle erover uit handen had gegeven. 4.
- Gelet op het vorenstaande zal het verstekvonnis van 11 oktober 2005 worden bekrachtigd. 4.
- [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze verzetprocedure worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verweerster] worden begroot op: - betaald vast recht EUR 62,75 - in debet gesteld vast recht 188,25 - overige kosten 0,00 - salaris advocaat 816,00 Totaal EUR 1.067,00
- De beslissing De voorzieningenrechter 5.
- bekrachtigt het vonnis van 11 oktober 2005 met zaaknummer 72878 / KG ZA 05-266; 5.
- veroordeelt [eiser] in de proceskosten in de verzetprocedure, aan de zijde van [verweerster] tot op heden begroot op EUR 1.067,00, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.922 ten name van arrondissement Zutphen onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer; 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. G. Vrieze en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2007.