vonnis RECHTBANK ZUTPHEN Sector Civiel – Afdeling Handel zaaknummer / rolnummer: 79063 / HA ZA 06-732 Vonnis van 26 augustus 2009 in de zaak van de naamloze vennootschap KONINKLIJKE REESINK N.V., gevestigd te Zutphen, eiseres, advocaat mr. C.B. Gaaf te Zutphen, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE APELDOORN, zetelend te Apeldoorn, gedaagde, advocaat mr. J.H. Meijer te Apeldoorn. Partijen zullen hierna Reesink en de Gemeente genoemd worden.
- De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek, tevens houdende aanpassing van de eis - de conclusie van dupliek - de brief (met bijlagen) van Reesink aan de griffie d.d. 5 september 2007 - de brief (met bijlagen) van Reesink aan de griffie d.d. 13 september 2007 - het proces-verbaal van comparitie van 19 september 2007 - de conclusie na comparitie, tevens houdende aanpassing van de eis van de zijde van Reesink - de antwoordconclusie na comparitie aan de zijde van de Gemeente - de akte, tevens houdende vermindering en vermeerdering van eis van de zijde van Reesink - de antwoordakte aan de zijde van de Gemeente - de akte depot (door Reesink) van producties in civiele procedure - de akte uitlating producties, tevens vermindering van eis van de zijde van Reesink. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald.
- De feiten 2.
- Op of omstreeks 12 maart 1997 hebben de Gemeente en Reesink een intentieovereenkomst met elkaar gesloten, strekkende tot verkoop van 12 hectare grond, te leveren in 2 fasen van elk 6 hectare, aan Reesink. De bedoeling was dat Reesink al haar bedrijfsonderdelen, met uitzondering van het staalcentrum, uit Zutphen zou overbrengen naar de nieuwbouw die op dit in Apeldoorn gelegen terrein zou worden gerealiseerd. De Gemeente zou daartoe de agrarische bestemming van bedoeld terrein wijzigen in bedrijfsterrein. Afgesproken is dat de eerste 6 hectare aan Reesink zou worden geleverd nadat aan haar een bouwvergunning zou zijn verleend. 2.
- Op 8 maart 1999 heeft de Gemeente een ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Dit plan was op meerdere onderdelen in strijd met de tussen Reesink en de Gemeente gesloten overeenkomst. 2.
- De Gemeente heeft op 23 augustus 1999 de intentieovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. 2.
- Op 23 september 1999 heeft de Gemeente een bestemmingsplan vastgesteld. 2.
- Bij vonnis van deze rechtbank van 18 januari 2001 is voor recht verklaard dat de Gemeente -kort gezegd- gehouden is om de overeenkomst met Reesink na te komen en is de Gemeente veroordeeld het eerste gedeelte van het terrein aan Reesink in eigendom over te dragen nadat aan Reesink een bouwvergunning is verleend voor de daarop te realiseren bebouwing. 2.
- Nadat aan Reesink -van rechtswege- een bouwvergunning was verleend, heeft de Gemeente op 14 januari 2002 de grond aan Reesink geleverd. De Gemeente heeft op dezelfde dag (terug)leveringsbeslag op de grond gelegd. Reesink is in februari 2002 begonnen met de bouw. 2.
- Bij arrest van het gerechtshof Arnhem van 4 juni 2002 is het sub 2.
- vermelde vonnis van deze rechtbank bekrachtigd. 2.
- Bij -in kracht van gewijsde gegaan- vonnis van deze rechtbank van 28 mei 2003 is de Gemeente veroordeeld om aan Reesink te betalen schadevergoeding op te maken bij staat. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat er sprake is van een verzuimperiode van 8 maart 1999 tot en met 3 september
- De rechtbank heeft het einde van de verzuimperiode op laatstvermeld tijdstip vastgesteld, omdat de Gemeente pas op die dag aan Reesink liet weten af te zien van cassatie tegen het hiervoor sub 2.
- vermelde arrest, zodat Reesink er pas vanaf dat moment van uit mocht gaan dat de grond niet aan de Gemeente teruggeleverd hoefde te worden. 2.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 9 januari 2003 is een voorlopig deskundigenonderzoek bevolen, waarbij als deskundige is benoemd drs. P.J. Schimmel RA, verbonden aan Ernst & Young. Aan de deskundige is -zakelijk weergegeven- opgedragen een onderzoek in te stellen naar de toestand van de oude bedrijfspanden van Reesink te Zutphen en een beoordeling te geven van de efficiency en doelmatigheid van die panden in verband met het daarin uitgeoefende bedrijf. De deskundige is tevens opgedragen een onderzoek te doen naar alle omstandigheden die van belang zijn bij de beoordeling van de schade die Reesink lijdt als gevolg van de omstandigheid dat Reesink door de (veel) te late levering van het terrein haar nieuwe bedrijfsgebouwen pas (veel) later kon realiseren en de verhuizing van haar bedrijf pas (veel) later kon laten plaatsvinden. De deskundige heeft zijn werkzaamheden op een gegeven moment op verzoek van Reesink (en met instemming van de Gemeente) opgeschort. Uit het door Reesink ter griffie gestorte voorschot op het honorarium van de deskundige ad € 30.000,-- is een bedrag van € 24.229,-- (exclusief BTW) aan de deskundige betaald. 2.
- In maart 2003 is het distributiecentrum (Interlogica) aan Reesink opgeleverd. Het kantoor is in september 2003 opgeleverd.
- De vordering 3.
- Reesink vordert -na diverse wijzigingen van de eis- dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de Gemeente zal veroordelen om aan Reesink te betalen een bedrag van € 40.919.967,00, vermeerderd met de wettelijke rente over: - een bedrag van € 319.000,-- vanaf 1 februari 2001, althans vanaf 1 maart 2003 - een bedrag van € 322.400,-- vanaf 1 maart 2001, althans vanaf 1 maart 2003 - een bedrag van € 56.142,-- vanaf 17 september 1999 - een bedrag van € 535.244,-- vanaf 1 november 2002 - een bedrag van € 396.440,-- vanaf 1 januari 2003, althans vanaf 1 september 2003 - een bedrag van € 525.225,-- vanaf 1 januari 2003, althans vanaf 1 september 2003 - een bedrag van € 418.069,-- vanaf 1 oktober 2001, althans vanaf 1 september 2003 - een bedrag van € 336.228,40 vanaf 1 oktober 2002, althans 28 januari 2005 - een bedrag van € 24.229,-- vanaf 1 februari 2003 - een bedrag van € 54.100,-- vanaf 31 december 2005 - een bedrag van € 6.856,52 vanaf 20 juli 2004 - een bedrag van € 46.725,-- vanaf 1 augustus 2004 - een bedrag van € 100.000,-- vanaf 1 maart 2007 - een bedrag van € 155.916,-- vanaf 1 juli 1999, althans vanaf 31 december 1999 - een bedrag van € 1.227.245-- vanaf 1 juli 2000, althans vanaf 31 december 2000 - een bedrag van € 2.244.465,-- vanaf 1 juli 2001, althans vanaf 31 december 2001 - een bedrag van € 3.047.187,-- vanaf 1 juli 2002, althans vanaf 31 december 2002 - een bedrag van € 3.883.841,-- vanaf 1 juli 2003, althans vanaf 31 december 2003 - een bedrag van € 4.294.772,-- vanaf 1 juli 2004, althans vanaf 31 december 2004 - een bedrag van € 4.214.219,-- vanaf 1 juli 2005, althans vanaf 31 december 2005 - een bedrag van € 16.856.876,-- vanaf 1 januari 2006 - een bedrag van € 281.868,-- vanaf 1 februari 2002, althans vanaf 1 maart 2003 - een bedrag van € 315.058,-- vanaf 15 maart 2005 - een bedrag van € 1.665.000,-- vanaf 1 november 2004, telkens tot aan de dag der volledige betaling, een en ander met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding. 3.
- Op hetgeen Reesink aan haar vorderingen ten grondslag legt zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.
- Het verweer 4.
- Gemeente concludeert dat de rechtbank de vorderingen van Reesink zal afwijzen met haar uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling in de kosten van het geding. 4.
- Op het verweer van de Gemeente zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.
- De beoordeling 5.
- De Gemeente heeft bij conclusie van dupliek als productie 44 het besluit van het College van burgemeester en wethouders d.d. 6 juli 2006 in het geding gebracht, waarbij is besloten om in de onderhavige procedure verweer te voeren. 5.
- De Gemeente heeft zich niet tegen de diverse wijzigingen van eis verzet, zodat op basis van de gewijzigde vordering, zoals deze laatstelijk is verminderd bij akte van 8 april 2009, recht zal worden gedaan. 5.
- Reesink heeft in totaal veertien schadeposten opgevoerd. In het kader van de onderbouwing van de vordering is Reesink bijstaan door prof. dr. J. Joling RA en mevrouw drs. I.-L. de Vries RA (hierna: Joling en De Vries). De Gemeente is bij haar verweer bijgestaan door prof. mr. dr. H. Beckman en ir. J.H.H.L. Peters (hierna Beckman en Peters). De inhoud van de rapporten van Joling en De Vries en Beckman en Peters wordt geacht te zijn ingelast in de door partijen opgestelde conclusies en akten. 5.
- Reesink heeft in haar akte van 8 april 2009 haar eis verminderd met een bedrag van € 342.280,--, stellende dat de Gemeente ter zake van de posten 1 (ad € 319.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2001, althans vanaf 1 maart 2003) en 12 (ad € 281.868,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2002, althans 1 maart 2003) een bedrag van € 342.280,-- plus wettelijke rente heeft betaald. Reesink heeft evenwel niet aangegeven op welke wijze dit bedrag over de posten 1 en 12 dient te worden verdeeld. Evenmin heeft Reesink vermeld op welke datum dit bedrag is betaald en hoeveel wettelijke rente door de Gemeente is betaald. Bij de bespreking van de posten 1 en 12 zal -omwille van de duidelijkheid- worden uitgegaan van de door Reesink vóór de laatste vermindering van eis ter zake gevorderde bedragen. Ten aanzien van post 5 (waarbij Reesink bij akte van 8 april 2009 haar vordering met een bedrag van € 64.859,-- heeft verminderd, met mededeling -op bladzijde 18- dat dit bedrag op 15 januari 2009 door de Gemeente is betaald) zal -voor de overzichtelijkheid- eveneens worden uitgegaan van het door Reesink vóór de laatste vermindering van eis ter zake gevorderde bedrag. 5.
- Alvorens tot bespreking van de 14 schadeposten over te gaan wordt het volgende overwogen. Artikel 6:97 BW bepaalt dat de rechter de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat. Het bepaalde in artikel 6:97 BW geeft de rechter de vrijheid om bij de begroting van de schade van de gewone regels van stelplicht en bewijslast af te wijken, maar belet hem geenszins bij een geschil over feiten die in het debat over de schade-omvang worden gesteld en die hij relevant acht voor de schadebegroting, de gewone regels van stelplicht en bewijslast toe te passen (Hoge Raad 5 juni 2009, (LJN: BH5410). De vragen of Reesink schade heeft geleden en of de schade als gevolg van het tekortschieten aan de Gemeente kan worden toegerekend, dienen derhalve te worden onderscheiden van de vraag hoe de schade dient te worden begroot. Ten aanzien van dit laatste aspect moeten in ieder geval feiten en omstandigheden worden vastgesteld aan de hand waarvan een redelijke veronderstelling kan worden gemaakt van wat er zou zijn gebeurd indien Reesink eerder in Apeldoorn had kunnen beginnen met de voortzetting van de exploitatie van haar onderneming. 5.
- De Gemeente heeft bij conclusie van antwoord (bladzijde 32) -onder verwijzing naar het door haar als productie 1 overgelegde rapport van Beckman en Peters d.d. 16 oktober 2006 (bladzijden 20 tot en met 22)- aangevoerd dat Reesink de berekende schadebedragen niet contant heeft gemaakt, ofschoon contant maken in een schadeprocedure als de onderhavige wel gebruikelijk is. De waarde van de schade moet, aldus de Gemeente, worden bepaald naar het moment van de (eerste) veroorzaking van de schade. Het uit te keren schadebedrag “nu” bepaalt men vervolgens door de hiervoor bedoelde waarde op te renten. Door de systematiek van contant maken worden, vanwege de toenemende onzekerheid van de kasstromen, kasstromen ver na het moment van veroorzaking van de schade tegen een lager gewicht (de zogenoemde disconteringsfactor) in de schadeberekening meegenomen dan kasstromen kort na het moment van veroorzaken van de schade. Vervolgens wordt de schade zoals berekend per het moment van de veroorzaking van de schade opgerent op basis van de wettelijke rente tot het moment waarop de schade, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van de Gemeente, wordt vastgesteld. De contante waarde van de schadeposten is door Beckman en Peters berekend per 8 maart 1999, zijnde het begin van de verzuimperiode. 5.
- De rechtbank volgt de Gemeente hierin niet. Contant maken van schade is slechts aan de orde indien de schade na de veroorzaking daarvan doorloopt in de toekomst en de rechter de toekomstige schade wil begroten op een bedrag ineens. Die situatie doet zich hier niet voor, nu de posten die voor toewijzing vatbaar zijn alle reeds verschenen schade betreffen. Uit het rapport van Beckman en Peters d.d. 5 maart 2007 (productie 38, bladzijde 22) blijkt dat voornoemde deskundigen het contant maken van de schade met het hanteren van een disconteringsfactor met name bepleiten in het geval waarin de schade bestaat uit gederfde winsten, omdat deze onderhevig zijn aan ondernemersrisico. Uit hetgeen de Gemeente bij antwoordconclusie na comparitie naar voren heeft gebracht (bladzijde 29) leidt de rechtbank af dat zij de methode van contant maken enkel nog bepleit ten aanzien van de post gemiste marge en groei. Nu de post gemiste marge en groei, zoals hierna zal worden overwogen, niet zal worden toegewezen, hoeft niet te worden ingegaan op het betoog van de Gemeente bij conclusie van dupliek (bladzijde 22) dat zonder gebruik van een hogere disconteringsvoet voorbij zou worden gegaan aan het feit dat Reesink risico zou hebben gelopen vanaf maart 1999 over de gestelde gederfde omzet en winst. 5.
- In het verlengde hiervan merkt de rechtbank op dat wettelijke rente per toegewezen post toewijsbaar is vanaf het moment waarop de betreffende schade is geleden. In het geval waarin de schade zal worden begroot over een bepaalde periode, zoals onder meer het geval is bij post 1, is toekenning van wettelijke rente over de gehele schade vanaf de eerste dag waarop schade is geleden niet aan de orde. In die gevallen komt het billijk voor om de wettelijke rente over het gehele bedrag van de toegekende schade te berekenen, waarbij als ingangsdatum van de verschuldigdheid van de wettelijke rente wordt bepaald de datum die in het midden ligt van de data die de betreffende periode omlijnen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de geleden schade min of meer -ook qua hoogte- gelijkmatig in de betreffende periode is geleden. De Gemeente heeft bij antwoordconclusie na comparitie Reesink weliswaar verzocht dit laatste beter inzichtelijk te maken, maar Reesink heeft dit bij de eerstvolgende door haar genomen akte van 10 september 2008 niet gedaan, daar Reesink slechts in beperkte mate mocht reageren op hetgeen de Gemeente in haar antwoordconclusie na comparitie naar voren had gebracht. Echter, nu Reesink met betrekking tot de schadeposten die voor toewijzing vatbaar zullen blijken te zijn facturen in het geding heeft gebracht, had het op de weg van de Gemeente gelegen om aan te geven in welke gevallen middeling van de ingangsdatum van de wettelijke rente niet aan de orde is. Nu de Gemeente dit niet heeft gedaan, wordt er in deze van uitgegaan dat bij de posten die voor toewijzing vatbaar zijn de geleden schade min of meer -ook qua hoogte- gelijkmatig in de betreffende periode is geleden. 5.
- Thans zullen de schadeposten van Reesink achtereenvolgens worden besproken. Post 1: Extra kosten schoonmaak, bewaking, gas en elektra in de periode eind oktober 2000 tot en met maart 2003 (€ 319.000,--) Standpunt Reesink (bladzijde 9 en 10 rapport Joling en de Vries d.d. 19 april 2006, aan dagvaarding gehecht) 5.
- De kosten voor schoonmaak, bewaking, gas en elektra zijn in vergelijking met de oude locatie in Zutphen op de nieuwe locatie in belangrijke mate lager. Indien de Gemeente op 8 maart 1999 een ontwerp-bestemmingsplan ter inzage zou hebben gelegd dat wel overeenstemde met de intentieovereenkomst, had de bouwvergunning in oktober 1999 verleend kunnen zijn. De Gemeente had in dezelfde maand de grond kunnen leveren en Reesink had kunnen beginnen met de bouw. Het distributiecentrum (de hal, voor de bouw waarvan 12 maanden waren begroot) zou in oktober 2000 gereed zijn geweest, waardoor het distributiecentrum begin november 2000 operationeel had kunnen zijn. Het gebouw zou dan volgens planning 19 maanden na de start van de bouw (in mei 2001) volledig zijn opgeleverd. Voor deze kosten moet in Zutphen het jaar 2000 als normjaar genomen worden, omdat dat -de door de Gemeente veroorzaakte vertraging weggedacht- het laatste jaar geweest zou zijn dat Reesink daar gevestigd zou zijn. Voor de kosten van de locatie Apeldoorn moet 2004 als normjaar gekozen worden, omdat dat het eerste gehele jaar was dat Reesink kon opereren in Apeldoorn. Uit de geconsolideerde saldibalansen van Reesink Retail en Interlogica blijkt dat de hier aan de orde zijnde kosten in 2000 in totaal € 447.043,-- bedroegen. In 2004 bedroegen deze kosten in totaal € 207.278,--. Het elektriciteitsgebruik nam in Apeldoorn- tegen de verwachting in- toe. Dit werd in belangrijke mate veroorzaakt door de eisen die de Gemeente stelde aan onder andere de conditionering van de ruimten in het nieuwe pand. Dat de energiekosten in absolute zin afnamen werd veroorzaakt doordat Reesink overstapte op een goedkopere energieleverancier. Daar die overstap geen verband houdt met de door de Gemeente veroorzaakte schade, heeft Reesink een correctie toegepast van 25% van de besparing op elektra. Het nominale verschil tussen de genoemde kosten op locatie Zutphen en locatie Apeldoorn komt daarmee op € 233.354, -- per jaar (€ 447.043,-- minus € 213.689,--). Standpunt Gemeente (bij conclusie van antwoord) Reesink had haar schade kunnen en moeten beperken door zo snel mogelijk na het vonnis van de rechtbank van 18 januari 2001 een bouwvergunning aan te vragen. Zij had daarmee niet mogen wachten tot augustus 2001, zodat van de door Reesink gestelde vertraging van 29 maanden er maar circa 23 maanden aan de Gemeente kunnen worden toegerekend. Er is onvoldoende informatie beschikbaar om te kunnen beoordelen of het aanvaardbaar is om ten aanzien van de huisvestingskosten het jaar 2000 als normjaar te hanteren. Ook zonder vertraging zou Reesink niet voor oktober 2000 zijn verhuisd naar Apeldoorn. De gestelde besparing is niet met stukken onderbouwd. Er is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gestelde besparing uitsluitend verband houdt met de toerekenbare tekortkoming van de Gemeente. Het oordeel van de rechtbank 5.
- Reesink heeft in haar akte van 8 april 2009 de eerdere bedragen aangepast. De bedragen ter zake van extra schoonmaakkosten, extra kosten voor gas en elektra en extra kosten voor bewaking respectievelijk € 38.665,-- , € 50.750,-- en € 229.583,-- komen in totaal uit op een bedrag van € 318.998,--. 5.
- De Gemeente heeft niet bestreden dat Reesink door een nieuw gebouw te betrekken aanzienlijk heeft kunnen besparen op de hier aan de orde zijnde kosten. Daarmee is gegeven dat Reesink als gevolg van de door toedoen van de Gemeente ontstane vertraging in de oplevering van de bouw eerst in een later stadium heeft kunnen profiteren van deze kostenbesparing. Hierdoor heeft Reesink schade geleden, die in redelijkheid aan de Gemeente kan worden toegerekend. Het causaliteitsverweer van de Gemeente wordt dan ook verworpen. 5.
- De Gemeente heeft bij conclusie van dupliek het verweer dat Reesink haar schade niet heeft beperkt door te wachten met het aanvragen van een bouwvergunning ingetrokken. De Gemeente heeft niet bestreden dat voor de bouw van het distributiecentrum 12 maanden was begroot en voor de bouw van het kantoor 19 maanden. In deze kan er dan ook -bij gebreke van nader verweer van de Gemeente- van worden uitgegaan dat indien de Gemeente op 8 maart 1999 een correct ontwerpbestemmingsplan ter inzage zou hebben gelegd, het distributiecentrum van Reesink begin november 2000 in Apeldoorn operationeel had kunnen zijn en dat het kantoor in mei 2001 gereed zou zijn geweest. Daar waar de bouw eerst in maart 2003 is afgerond, dient met Reesink te worden geoordeeld dat door het verzuim van de Gemeente de bouw in Apeldoorn een vertraging van 29 maanden heeft opgelopen. 5.
- De rechtbank volgt Reesink in haar standpunt dat in deze 2000 als normjaar dient te worden gebruikt. Het nemen van 2000 als normjaar ligt immers voor de hand omdat Reesink zonder vertraging in november 2000 zou zijn verhuisd, zodat 2000 het laatste (vrijwel gehele) jaar zou zijn geweest in Zutphen. De Gemeente heeft geen verweer gevoerd tegen de stelling van Reesink dat de huisvestingskosten van 2000 vergeleken dienen te worden met de huisvestingskosten van
- 5.
- Bij antwoordakte van de Gemeente d.d. 19 november 2008 heeft de Gemeente de hoogte van de vordering voor wat betreft de extra schoonmaakkosten en extra kosten voor gas en elektra ad in totaal € 89.415,-- niet langer bestreden. Met betrekking tot de extra kosten van bewaking heeft de Gemeente in haar antwoordakte van 19 november 2008 het volgende aangevoerd. Zij heeft aan Reesink gevraagd om gecorrigeerde kostenniveau’s te verstrekken, waarop Reesink heeft geantwoord dat zij niet weet wat zij daaronder moet verstaan. Dit, terwijl in het door Joling en De Vries opgestelde memorandum van 28 augustus 2007 (bijlage A bij de brief van Reesink d.d. 5 september 2007) voormeld begrip wordt geïntroduceerd. Voorts heeft zij aan Reesink diverse malen gevraagd om een overzicht van de totale bewakingskosten van het hele Reesink concern in de periode vóór en na de verhuizing, omdat daarmee pas inzichtelijk wordt dan wel een inschatting kan worden gemaakt, hoe en op basis waarvan deze kosten aan de verschillende bedrijfsonderdelen wordt/kan worden toegerekend. Reesink heeft niet aan deze verzoeken voldaan. De Gemeente heeft het verweer opgeworpen dat zij zodoende niet kan verifiëren en evenmin inschatten of het gevorderde bedrag aan bewakingskosten redelijk en aannemelijk is. Nu Reesink deze post volgens de Gemeente niet inzichtelijk heeft gemaakt, hoewel zij daarvoor meer dan voldoende gelegenheid heeft gehad, dient de post extra bewakingskosten te worden afgewezen. 5.
- Uit het door de Gemeente bij antwoordakte van 19 november 2008 als productie 47 overgelegde rapport van Stibbe/Pwc (bladzijde 18 en 19) blijkt dat de Gemeente met de vraag naar gecorrigeerde kostenniveaus een bevestiging wenst te verkrijgen dat de door Reesink gepresenteerde kostenniveaus d.d. 12 juni 2008 op dezelfde wijze tot stand zijn gekomen als de kostenniveaus die als uitgangspunt zijn gehanteerd voor het berekenen van de schade en zijn gepresenteerd in de Memoranda ten behoeve van de comparitie (brief van 5 september 2007). Nu Reesink in haar akte van 8 april 2009 (op bladzijde 4) heeft geantwoord dat dit het geval is, acht de rechtbank dit punt voldoende opgehelderd. 5.
- Het tweede onderdeel van de vraag van de Gemeente strekt ter controle van de stelling van Reesink (zoals deze blijkt uit de bij akte van 10 september 2008 door Reesink als productie 71 overgelegde e-mail van 12 juni 2008) dat de gepresenteerde kostenniveaus alleen betrekking hebben op Reesink Retail B.V. en Interlogica B.V. 5.
- Reesink heeft in haar akte van 8 april 2009 (op bladzijde 5) aangevoerd dat voor zover in de facturen over 2000 kosten van andere Reesink-onderdelen waren begrepen, zij deze heeft geëlimineerd. Reesink heeft daarbij verwezen naar de grootboekverwerkingen van het jaar 2000 die achter elke factuur zijn bijgevoegd, welke stukken door Reesink bij akte van 13 januari 2009 ter griffie zijn gedeponeerd. 5.
- Met Reesink dient te worden geoordeeld dat van Reesink niet kan worden verlangd dat zij inzicht geeft in de bewakingskosten van het gehele Reesink concern. Het gaat in deze immers enkel om het verschil in bewakingskosten met betrekking tot de door Reesink Retail B.V. en Interlogica B.V. gebruikte gebouwen. Reesink heeft voldoende overtuigend aannemelijk gemaakt dat de kosten in Zutphen veel hoger lagen omdat zij in Zutphen voor het gehele complex buiten de kantooruren bewakers moest inzetten, terwijl in Apeldoorn geen beveiliging door bewakers nodig is. 5.
- Uit het rapport van Beckman en Peters d.d. 14 november 2008 (productie 47, bladzijde 17) blijkt dat Reesink ter verdere onderbouwing van de gestelde schade begin september 2007 onder meer een tweetal ordners ter beschikking van Beckman en Peters heeft gesteld. Bij deze stand van zaken is de vordering van Reesink -als enerzijds voldoende onderbouwd en anderzijds niet langer gemotiveerd bestreden- op dit punt in beginsel voor toewijzing vatbaar tot een bedrag van € 318.998,--, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 februari
- 5.
- Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.
- is overwogen, zal de rechtbank bij de behandeling van post 12 een beslissing geven over de vraag of en zo ja tot welk bedrag Reesink ter zake van de posten 1 en 12 per saldo jegens de Gemeente nog aanspraak op betaling heeft. Post 2: Extra investeringen in de periode 8 maart 1999 - eind 2002 ( € 322.400,--) Standpunt Reesink (verwoord in het bij dagvaarding overgelegde rapport van Joling en De Vries, bladzijde 11 en in het bij conclusie van repliek als productie 9 overgelegde rapport van Joling en De Vries d.d. 11 december 2006, bladzijden 13 en 14) 5.
- Indien de Gemeente op 8 maart 1999 een correct bestemmingsplan ter inzage had gelegd, had Reesink op de oude locatie gehuisvest kunnen blijven zonder extra te hoeven investeren. Toen het uitzicht op een (spoedige) verhuizing echter in maart 1999 definitief vervlogen was, is besloten op de oude locatie een aantal noodzakelijke investeringen alsnog te plegen. Die investeringen zijn bij het verlaten van de locatie te Zutphen waardeloos geworden. Een groot deel van de investeringen heeft betrekking op onvermijdbare uitgaven om de panden te laten voldoen aan wettelijke eisen op het gebied van Arbo-regelgeving, milieu- en veiligheidsvoorschriften. Daarnaast gaat het om vervangingsinvesteringen die noodzakelijk waren voor de voortzetting van de handelsactiviteiten. Deze uitgaven zouden bij een tijdige verhuizing naar de nieuwe huisvesting niet zijn gedaan. Op grond van de verwachte levensduur van deze investeringen is de boekwaarde per september 2003 berekend. Standpunt Gemeente (verwoord in de conclusie van antwoord bladzijden 7 en 8 en het als productie 1 overgelegde rapport van Beckman en Peters d.d. 16 oktober 2006, bladzijden 65 tot en met 68) 5.
- Reesink heeft niet per investering inzichtelijk gemaakt in hoeverre met deze investering voldaan wordt aan Arbo-, milieu- en veiligheidsregelgeving. De investeringen zijn niet onderbouwd met facturen. Zonder vertraging zou verhuizing van het distributiecentrum en kantoor niet vóór oktober 2000 respectievelijk mei 2001 hebben plaatsgevonden. Reesink heeft niet aannemelijk gemaakt dat de investeringen die vóór deze tijdstippen zijn gepleegd niet ook waren gepleegd /hadden moeten worden gepleegd als de verhuizing in oktober 2000 / mei 2001 had plaatsgevonden. Voorts is niet aannemelijk gemaakt waarom de na mei 2001 gedane investeringen niet verhuisd konden worden. Het gaat daarbij om IT-hardware, bureaustoelen, veegmachine en de telefooncentrale. Voor zover een aantal van bedoelde zaken wel is verhuisd, kan uit de door Reesink ter beschikking gestelde gegevens niet worden afgeleid dat deze zaken bij de schadeberekening buiten beschouwing zijn gelaten. Voorts heeft Reesink geen gegevens overgelegd over de eventueel gerealiseerde opbrengstwaarde van zaken die niet verhuisd konden worden. Een eventuele opbrengst dient in mindering te worden gebracht op de gevorderde schade. De reactie van Reesink (akte 10 september 2008) 5.
- Reesink heeft bij akte van 10 september 2008 haar vordering teruggebracht tot voormeld bedrag van € 322.400,--. In productie 71 heeft Reesink aangegeven dat zij een aantal investeringen uiteindelijk niet ten laste van de Gemeente wenst te brengen en heeft zij een aftrek in verband met de verkoopopbrengst van aangeschafte zaken toegepast. Voorts heeft Reesink de kosten van de aanschaf van de veegmachine niet geheel doorberekend en heeft zij de kosten van de aanschaf van de telefooncentrale verhoogd. Met betrekking tot een aantal investeringen heeft Reesink inzicht gegeven in de beweegredenen die tot de betreffende investeringen hebben geleid. De reactie van de Gemeente (antwoordakte van 19 november 2008) 5.
- De Gemeente heeft door middel van het door haar bij antwoordakte van 19 november 2008 als productie 47 overgelegde rapport van Beckman en Peters (op bladzijde 26 en 27) aangevoerd dat Reesink er nog steeds niet in is geslaagd om voldoende aannemelijk te maken dat de kosten na de geplande opleverdata aan de Gemeente zijn toe te rekenen en dat bij tijdige verhuizing de kosten nihil waren geweest. Met betrekking tot de investeringen van vóór de oorspronkelijk geplande oplevering van de nieuwbouw is de Gemeente van mening dat Reesink nog steeds niet aannemelijk heeft gemaakt dat die investeringen niet ook bij tijdige nieuwbouw zouden zijn gepleegd. De Gemeente heeft daaraan toegevoegd dat het weliswaar niet onaannemelijk is dat Reesink investeringen na 1 oktober 2000 - voltooiing van het distributiecentrum - en na 1 mei 2001 -voltooiing van het kantoor- heeft moeten plegen, maar dat de schade op dit punt onvoldoende is onderbouwd. Het oordeel van de rechtbank 5.
- Op grond van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.
- is overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat Beckman en Peters sinds september 2007 in het bezit zijn van de facturen met betrekking tot de hier aan de orde zijnde investeringen. Bij gebrek aan nader verweer op dit punt, dient van de juistheid van bedoelde bedragen te worden uitgegaan. 5.
- In het eerste, bij dagvaarding overgelegde, rapport van Joling en De Vries zijn de door Reesink gestelde investeringen in bijlage 1.2 nader omschreven, zonder dat per investering is aangegeven waarom deze investeringen niet zouden zijn gedaan indien de Gemeente niet tekortgeschoten zou zijn en Reesink het distributiecentrum op 1 oktober 2000 en het kantoor op 1 mei 2001 daadwerkelijk in gebruik had kunnen nemen. In het bij conclusie van repliek als productie 9 overgelegde tweede rapport van Joling en De Vries d.d. 11 december 2006, ontbreekt een deugdelijke onderbouwing. Reesink heeft eerst in productie 71 (overgelegd bij akte van 10 september 2008) ten aanzien van een aantal investeringen aangegeven waarom deze niet zouden zijn gedaan indien de verhuizing op de geplande data zou hebben plaatsgevonden. De Gemeente heeft op de door Reesink gegeven onderbouwing niet inhoudelijk gereageerd, maar heeft volstaan met een herhaling van haar standpunt dat Reesink niet aannemelijk heeft gemaakt dat de investeringen van vóór de oorspronkelijk geplande oplevering van de nieuwbouw, niet ook bij tijdige nieuwbouw zouden zijn gepleegd. 5.
- De rechtbank acht het aan de hand van de door Reesink in productie 71 gegeven toelichting aannemelijk dat een redelijk handelend ondernemer bedoelde investeringen achterwege zou hebben gelaten indien op 8 maart 1999 een reëel vooruitzicht op verhuizing van de onderneming zou hebben bestaan. Het verweer van de Gemeente dat de investeringen, die door Reesink vóór de geplande verhuizingen zijn gedaan ook zouden zijn verricht indien zij het distributiecentrum op 1 oktober 2000 en het kantoor op 1 mei 2001 daadwerkelijk in gebruik had kunnen nemen, wordt dan ook als onvoldoende gemotiveerd verworpen. De Gemeente heeft zich niet verweerd tegen het feit dat Reesink (in productie 71) ten aanzien van de veegmachine uiteindelijk is uitgegaan van 50% van de boekwaarde per september 2003 alsmede dat de kosten van de aanschaf van de telefooncentrale (onder overlegging van een factuur) naar boven zijn bijgesteld. Uit het door de Gemeente bij antwoordakte als productie 47 overgelegde rapport van Beckman en Peters d.d. 14 november 2008 (bladzijde 26) blijkt dat met die investeringen na voormelde correctie in totaal een bedrag van € 215.206, -- is gemoeid. Dit onderdeel van de schade komt voor integrale vergoeding in aanmerking. 5.
- Met betrekking tot de na de geplande verhuizing door Reesink op de locatie te Zutphen gedane investeringen heeft de Gemeente ten onrechte volstaan met een onvoldoende gemotiveerde betwisting van het causaal verband tussen die investeringen en haar tekortkoming. Reesink heeft in productie 71 op diverse onderdelen ten gunste van de Gemeente correcties toegepast. In het als productie 47 overgelegde rapport van Beckman en Peters zijn geen investeringen aangewezen die volgens de Gemeente niet aan de tekortkoming van de Gemeente kunnen worden toegerekend. Dit brengt met zich dat bij gebreke van voldoende gemotiveerde betwisting het na correctie met de in deze rechtsoverweging bedoelde investeringen gemoeide bedrag van € 107.194,-- (rapport van Beckman en Peters d.d. 14 november 2008, bladzijde 26) door de Gemeente aan Reesink dient te worden vergoed. 5.
- Het vorenstaande brengt met zich dat post 2 ad in totaal € 322.400,-- voor toewijzing vatbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 maart 2001 als gevorderd. Post 3: Verhuizing Reesink Technische Handel naar Loskade (€ 56.142,--) Standpunt Reesink (eerste rapport Joling en De Vries , bladzijde 13 en conclusie van repliek, bladzijden 10 en 11) 5.
- Het was in 1999 niet verantwoord om dit bedrijfsonderdeel nog veel langer te laten zitten in de bestaande, ongeschikte bedrijfsruimte. Begin 1999 leek het er al op dat de Gemeente haar verplichtingen niet zou nakomen. Reesink heeft toen naar andere bedrijfsruimte uitgekeken voor dit bedrijfsonderdeel. Zij heeft deze pas gehuurd nadat was gebleken dat de Gemeente zich niets van haar protesten aantrok en op 8 maart 1999 een ontwerp-bestemmingsplan ter inzage legde dat elk uitzicht op verhuizing, laat staan het moment waarop dit kon geschieden, wegnam. Reesink heeft de huurovereenkomst voor de tijdelijke huisvesting op 10 maart 1999 getekend. Tot die datum was Reesink vrij om daarvan af te zien. Om de bedrijfsvoering van Reesink Technische Handel aan de Loskade in Zutphen mogelijk te (blijven) maken heeft zij in mei en september 1999 door Chris Kappert Bouwbedrijf BV een aantal aanpassingen aan het pand laten aanbrengen. De daarmee gemoeide kosten ad € 56.142,-- zijn als extra kosten ter beperking van schade aan te merken. Zonder verzuim van de Gemeente zou zij die kosten niet hebben gemaakt. Standpunt Gemeente (conclusie van antwoord, bladzijden 8, 9 en 10 en conclusie van dupliek bladzijden 10, 11 en 12) 5.
- Het causaal verband tussen deze kosten en de tekortkoming van de Gemeente ontbreekt, nu de beslissing om te verhuizen naar de Loskade waarschijnlijk al is genomen vóór maart
- De huurovereenkomst (productie 19 bij conclusie van repliek) is al op 26 februari 1999 door de verhuurder getekend en blijkens de huurovereenkomst mocht Reesink vanaf 1 maart 1999 werkzaamheden in het pand laten uitvoeren. Dat Reesink eerst op 10 maart 1999 heeft getekend is niet van belang, nu zij met de verhuurder al voor 1 maart 1999 wilsovereenstemming heeft bereikt. Uit de huurovereenkomst blijkt niet dat Reesink nog van ondertekening kon afzien. De beslissing om te verhuizen is niet ingegeven door de tervisielegging van het ontwerp-bestemmingsplan op 8 maart
- Indien dat wel het geval zou zijn geweest, zou dat voorbarig en onbegrijpelijk zijn geweest, omdat de Gemeente op 23 september 1999 op een aantal cruciale onderdelen is tegemoetgekomen aan de bezwaren van Reesink. Indien de Gemeente niet was tekortgeschoten zou de verhuizing van Reesink Technische Handel naar Apeldoorn -gelet op het feit dat de gronden in twee fasen zouden worden afgenomen en het distributiecentrum in de eerste fase zou worden gerealiseerd- niet eerder dan medio 2002 hebben kunnen plaatsvinden. Immers, in artikel 5.2.A. onder c van de intentieovereenkomst is overeengekomen dat Reesink fase 2 zal afnemen op 1 oktober 1999 of zoveel eerder of later als fase 1 vóór respectievelijk na 1 januari 1998 wordt afgenomen. Daar waar fase 1 eerst in september 1999 zou zijn afgenomen, zou de afname van fase 2 op zijn vroegst in juni/juli 2001 hebben plaatsgevonden. Indien Reesink direct had kunnen gaan bouwen, dan zou de verplaatsing van Reesink Technische Handel op zijn vroegst medio 2002 hebben kunnen plaatsvinden. Het oordeel van de rechtbank 5.
- De Gemeente heeft niet betwist dat de oude locatie van Reesink in 1999 niet meer geschikt was voor de huisvesting van Reesink Technische Handel alsmede dat het er begin 1999 al op leek dat de Gemeente haar verplichtingen jegens Reesink niet zou nakomen. Dat Reesink vóór 8 maart 1999 heeft omgezien naar een tijdelijke huisvesting voor bedoeld bedrijfsonderdeel lag voor de hand. Daar waar Reesink eerst op 10 maart 1999 de huurovereenkomst heeft ondertekend, is genoegzaam aannemelijk dat de verplaatsing van Reesink Technische Handel is ingegeven door de omstandigheid dat er voor Reesink op 8 maart 1999 geen reële vooruitzichten bestonden op een (spoedige) verhuizing naar Apeldoorn. Reesink heeft door tijdelijk te verhuizen geanticipeerd op een mogelijk verzuim van de Gemeente, welk verzuim zich nadien realiseerde. Voor een onderneming als Reesink is dat een redelijke handelwijze. Dit anticiperen zal dan ook worden toegerekend aan het latere tekortschieten van de Gemeente. Dat de Gemeente in september 1999 op een aantal cruciale onderwerpen tegemoet is gekomen aan de bewaren van Reesink, doet daar niet aan af, nu in deze de situatie op 8 maart 1999 beslissend is. De Gemeente wordt dan ook niet gevolgd in haar stelling dat Reesink voorbarig heeft gehandeld door bedoeld bedrijfsonderdeel te verplaatsen. 5.
- De inhoud van de intentieovereenkomst (waarvan de belangrijkste bepalingen zijn opgenomen in het vonnis van deze rechtbank d.d.18 januari 2001, bijlage 8 bij het rapport van Joling en De Vries d.d. 19 april 2006) dwingt niet tot de door de Gemeente getrokken conclusie dat de grond in fase 2 niet eerder dan in juni/juli 2001 had kunnen worden geleverd, indien de Gemeente niet tekort geschoten zou zijn. De Gemeente heeft niet bestreden dat bij correcte nakoming harerzijds de kantoren (fase 2) in mei 2001 in gebruik genomen hadden kunnen worden. Bij deze stand van zaken is genoegzaam aannemelijk dat Reesink van tijdelijke verplaatsing van Reesink Technische Handel zou hebben afgezien, indien de Gemeente op 8 maart 1999 niet tekortgeschoten zou zijn. Een redelijk handelend ondernemer zou een dergelijke investering immers niet hebben gedaan, indien er in maart 1999 een reëel vooruitzicht zou hebben bestaan dat binnen een periode van 2 jaar een definitieve locatie kon worden betrokken. De Gemeente heeft de aard en omvang van de in het pand aan de Loskade verrichte aanpassingen en de daarmee gemoeide kosten (die door Reesink voldoende zijn onderbouwd) niet bestreden, zodat dit onderdeel van de vordering voor een bedrag van € 56.142,-- voortoewijzing vatbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 17 september 1999 als gevorderd. 5.
- Na de conclusie van dupliek van de Gemeente hebben partijen nog opmerkingen over dit onderdeel van de schade gemaakt, maar deze opmerkingen, een herhaling van zetten, leiden niet tot een andere beoordeling. Post 4: Verlies als gevolg van verkoop machinefabriek Kamps de Wild (€ 535.244,--) Standpunt Reesink (productie 9 bij conclusie van repliek:rapport Joling en De Vries van 11 december 2006, bladzijden 16 en 17) 5.
- De machinefabriek kon op de locatie Zutphen niet meer gehandhaafd worden, met name omdat de productiestraten te klein waren om de vereiste efficiency te realiseren. Op de locatie Apeldoorn kon hierin worden voorzien. Gedurende de periode van de vertraging in de verhuizing naar Apeldoorn was de machinefabriek verliesgevend. In de zomer van 2002 moest noodgedwongen besloten worden om de machinefabriek af te stoten. Alleen als op dat moment concreet uitzicht zou komen op verhuizing naar een adequate huisvesting op afzienbare termijn, zou dat de zaak nog hebben kunnen redden. Op 1 november 2002 is de machinefabriek overgenomen door een derde. De verhuizing van Kamps de Wild was gepland voor de tweede fase. Bij de normale gang van zaken had Kamps de Wild in oktober 2001 kunnen functioneren op de nieuwe locatie te Apeldoorn. Als schadecomponent is dan aan de orde het verlies van de machinefabriek in de periode 1 november 2001 tot het moment van verkoop op 1 november
- Dat verlies bedraagt f 77.667,-- (€ 35.244,--). De machinefabriek is verkocht tegen een prijs (€ 1.629.000,--, rapport Joling en De Vries d.d. 11 december 2006, noot 10 onderaan bladzijde 17, productie 9 bij repliek) die nauwelijks hoger lag dan de boekwaarde van de activa en passiva. Voor een gezonde machinefabriek van de omvang van Kamp de Wild zou normaliter daar bovenop nog een bedrag aan goodwill worden betaald tussen € 500.000,-- en € 1.000.000,--. De gemiste meeropbrengst bij verkoop wordt geschat op € 500.000,--. Standpunt Gemeente (conclusie van antwoord bladzijden 10 en 11; conclusie van dupliek bladzijden 12 en 13; rapport Beckman en Peters d.d. 5 maart 2007, productie 38 Gemeente bladzijden 73 t/m 78) 5.
- De Gemeente betwist het bestaan van causaal verband tussen de tekortkoming van de Gemeente en de beweerde schade. Ten tijde van het verkopen van de machinefabriek was het verzuim van de Gemeente al geëindigd, terwijl in 2002 al bekend was dat de Gemeente de intentieovereenkomst moest nakomen. Ook overigens betwist de Gemeente dat de beslissing om de machinefabriek af te stoten was ingegeven door aanhoudende onzekerheid over de levering van de terreinen door de Gemeente. Niet duidelijk is waarom de beslissing om de machinefabriek te verkopen niet eerder is genomen dan in de zomer van 2002, nu in maart 1999 reeds duidelijk was dat sprake was van vertraging van de verhuizing naar Apeldoorn. De reden tot verhuizing is niet nader onderbouwd. Nu het er op lijkt dat de beslissing tot verkoop ruim vóór 1 oktober 2001 genomen had kunnen worden, kunnen al dan niet geleden verliezen in de periode oktober 2001 tot en met oktober 2002 niet aan de gemeente worden toegerekend. Het door Reesink gevorderde bedrag is in euro’s vermeld, terwijl het overzicht op bladzijde 16 van het Herziene Schaderapport van 5 maart 2007 in Nederlandse guldens is weergegeven. Hierdoor kan dit onderdeel van de schade niet worden beoordeeld. Zonder onderliggende gegevens is de stelling van Reesink dat de machinefabriek is verkocht tegen een prijs die nauwelijks hoger lag dan de boekwaarde van de activa en passiva niet te beoordelen. Hetzelfde geldt voor de stelling dat onder normale omstandigheden een bedrag van € 500.000,-- aan goodwill zou zijn gerealiseerd. Voor Reesink was verplaatsing van zowel Reesink Technische Handel als Kamps de Wild naar het terrein in Apeldoorn niet mogelijk. Reesink heeft immers bij brief van 28 september 2006 (productie 40 van de Gemeente) aan de Gemeente laten weten dat beide ondernemingen directe concurrenten van elkaar zijn alsmede dat de raden van bestuur het niet goed vinden dat voor beide partijen in het zicht van elkaar nieuwbouw wordt gepleegd. Reesink kan dan ook niet een schadepost indienen ter zake van èn Reesink Technische Handel èn Kamps de Wild. Het oordeel van de rechtbank 5.
- Het verweer van de Gemeente dat ten tijde van de verkoop van de Kaweco- productielijn haar verzuim al was geëindigd, laat onverlet dat daarvóór al schade is geleden alsmede dat de verkoop van de machinefabriek een noodzakelijk gevolg was van het eerdere verzuim. Dit verweer kan de Gemeente dan ook niet baten. Dat Reesink eerst in 2002 de beslissing nam om de machinefabriek te verkopen (en niet eerder dan nadat het voor Reesink in maart 1999 duidelijk was dat geen reëel vooruitzicht op een spoedige verhuizing naar Apeldoorn bestond), doet in deze niet ter zake. Reesink maakt immers jegens de Gemeente geen aanspraak op vergoeding van de door machinefabriek Kamps de Wild geleden verliezen in de periode maart 1999 tot 1 november 2002, zodat zij jegens de Gemeente uit hoofde van haar schadebeperkingsplicht niet gehouden was om de machinefabriek eerder af te stoten. Ten aanzien van de gevorderde goodwill ligt dat anders, maar uit het op bladzijde 16 van het rapport van Joling en De Vries d.d. 11 december 2006 (productie 9 bij repliek) vermelde overzicht blijkt dat de machinefabriek na drie winstgevende jaren in 1997 en 1998 verliezen heeft geleden, welke geen aanleiding hebben gevormd om de machinefabriek te verkopen. In 1999 werd weer een positief resultaat geboekt, waarna de resultaten in 2000 en 2001 weer negatief waren. 5.
- De Gemeente heeft gesteld dat het afstoten (verkopen) van de aandelen in Kamps de Wild Machinefabriek niet het gevolg is van de wanprestatie van de Gemeente. De Gemeente heeft daartoe bij conclusie van antwoord als productie 2 een persbericht overgelegd, waarin onder meer de navolgende passages voorkomen: “Met het onderbrengen van de productie van de onder het eigen merk Kaweco gevoerde werktuigen bij Staja, concentreert Kamps de Wild zich nadrukkelijker op de kernactiviteit (…) Het heeft nu alle productie-activiteiten uitbesteed”. De Gemeente heeft bij antwoordconclusie d.d. 18 juni 2008 tevens verwezen naar de in het rapport van Beckman en Peters d.d. 16 juni 2008 (productie 45 van de Gemeente) onder 10.3.
- weergeven citaten uit het jaarverslag 2001 van Kamps de Wild B.V. en een citaat uit de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders. 5.
- In het door de Gemeente overgelegde persbericht staat echter ook: “Kamps de Wild besloot tot het afstoten van de productietaken omdat de huidige productiehal verouderd en te klein is. Doordat steeds minder maar wel steeds grotere machines werden gebouwd, waren het plafond en de deuren te klein en de takels te licht (…).” Daaruit volgt dat de beslissing om de machinefabriek af te stoten is gelegen in de behuizing. Dat het gevolg hiervan is geweest dat daarmee alle productie-activiteiten waren uitbesteed, zegt niets over de bedoeling van Reesink. Aan de inhoud van de in het rapport van Beckman en Peters d.d. 16 juni 2008 weergegeven citaten komt geen betekenis toe, nu de betreffende stukken dateren van na de verkoop van de (aandelen in de) machinefabriek en uit de brief van Reesink aan de Gemeente d.d. 28 juni 2002 (productie 20 bij repliek) onmiskenbaar blijkt dat Reesink de machinefabriek niet wilde afstoten en aan de Gemeente medewerking vroeg voor de versnelde bouw van een machinefabriek op een ander, aan Reesink in eigendom toebehorend perceel, in Apeldoorn. 5.
- Het verweer van de Gemeente dat verplaatsing van Reesink Technische Handel en Kamps de Wild naar het terrein in Apeldoorn niet mogelijk is, doet in deze niet ter zake. De Gemeente heeft deze stelling immers louter gebaseerd op de door haar als productie 40 overgelegde brief van Reesink d.d. 28 september
- Uit die brief kan worden afgeleid dat Reesink in 2006 tot het besef is gekomen dat de profielen die beide dochterondernemingen aan het opbouwen waren zich in de markt niet zouden lenen voor plaatsing in elkaars nabijheid in Apeldoorn. Beslissend in deze is echter de situatie in 2002 toen Reesink Kamps de Wild Machinefabriek B.V. (van welke vennootschap Kamps de Wild B.V. 100% aandeelhouder was) verkocht. De Gemeente heeft niet gesteld dat de activiteiten van Kamps de Wild Machinefabriek B.V. en Kamps de Wild Handelmaatschappij B.V. in 2002 aan vestiging van beide ondernemingen in elkaars nabijheid in de weg zou staan. Bij deze stand van zaken behoeft niet te worden ingegaan op de door de Gemeente bij antwoordconclusie na comparitie d.d. 18 juni 2008 betrokken stelling dat Kamps de Wild Machinefabriek B.V. en Kamps de Wild Handelmaatschappij B.V. geen twee verschillende ondernemingen waren en dat de splitsing tussen Machinefabriek en Handelsmaatschappij een louter technische is. 5.
- De Gemeente heeft er in haar antwoordconclusie na comparitie voorts nog op gewezen dat Reesink haar schade had kunnen beperken door aan de Gemeente te vragen om een gedeelte van de gronden voor fase 2 te leveren om daar een nieuwe machinefabriek op te bouwen. Dit argument is eveneens tevergeefs voorgedragen. Reesink heeft immers in haar brief aan de Gemeente d.d. 28 juni 2002 (productie 20 bij repliek) aangegeven: “Financieel en organisatorisch is het voor ons namelijk simpelweg niet te’behappen’ om fase 2 nu versneld tot ontwikkeling te brengen.” Van Reesink kon in redelijkheid niet worden gevergd om aan de Gemeente een dergelijk voorstel te doen. Het was uit het oogpunt van kosten voor Reesink doelmatiger om eerst met de bouw te beginnen nadat de gronden voor fase 2 in zijn totaliteit zouden zijn verworven en bouwrijp gemaakt zouden zijn. Schade als gevolg van de verkoop van de machinefabriek komt dus in beginsel voor vergoeding in aanmerking. 5.
- Met betrekking tot het eerste onderdeel van de schade, het verlies dat de machinefabriek leed door de vertraging in de verhuizing, wordt het volgende overwogen. 5.
- Joling en De Vries hebben in hun rapport van 11 december 2006 (productie 9 bij conclusie van repliek) op bladzijde 16 gesteld dat binnen Kamps de Wild een vaste verrekenprijs werd gehanteerd voor de eigen productie en dat de machinefabriek daarmee kostendekkend diende te kunnen produceren. Joling en De Vries zijn er bij de begroting van de schade ter zake van het geleden verlies (bladzijde 17 van voormeld rapport) van uitgegaan dat de machinefabriek per datum verhuizing kostendekkend had kunnen produceren bij een nettowinst van € 0,
- De Gemeente heeft niet gesteld dat dit een niet realistisch uitgangspunt is. Bij deze stand van zaken dient het door machinefabriek Kamps de Wild in de periode 1 november 2001-1 november 2002 geleden verlies in beginsel door de Gemeente te worden vergoed. 5.
- Joling en De Vries hebben in voormeld rapport het verlies vanaf 1 november 2001 tot en met 31 december 2001 begroot op f 37.667,-- en het verlies over de periode vanaf 1 januari 2002 tot 1 november 2002 begroot op f 40.000,--, dit “op basis van de ons bekende verliescijfers”. Joling en De Vries hebben in hun rapport van 6 maart 2008 (productie 31 van Reesink) erkend dat voormelde bedragen in hun eerdere rapport ten onrechte in euro’s zijn gesteld, nu de resultaten van de machinefabriek in dat rapport zijn weergegeven in guldens. Ofschoon Beckman en Peters in hun rapport van 5 maart 2007 (productie 38 van de Gemeente, bladzijde 75) hebben aangevoerd dat bedoeld overzicht van winsten en verliezen van de machinefabriek (bladzijde 16 van het rapport van Joling en De Vries d.d. 11 december 2006) niet nader is onderbouwd door middel van achterliggende financiële rapportages en de vaste verrekenprijs eveneens niet is onderbouwd, hebben Joling en De Vries nagelaten om de gestelde verliezen aan de hand van verifieerbare cijfers nader te onderbouwen. Inzicht in de vaste verrekenprijs is evenmin gegeven. 5.
- Het komt voor rekening en risico van Reesink dat de door haar ingeschakelde deskundigen dit onderdeel van de schade niet nader hebben onderbouwd. Nu de door Reesink ingeschakelde deskundigen zoveel kansen voorbij hebben laten gaan om dit onderdeel van de vordering nader te onderbouwen, zal Reesink daartoe in deze instantie niet meer in de gelegenheid worden gesteld. Het eerste onderdeel van de schade wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen. 5.
- Met betrekking tot het tweede onderdeel van de schade, de gemiste meeropbrengst bij verkoop, wordt het volgende overwogen. 5.
- Joling en De Vries hebben de post goodwill in hun rapport van 11 december 2006 (productie 9 bij conclusie van repliek) op bladzijde 17 geschat op € 500.000,--. In noot 10 staat vermeld: “Dit bedrag is gebaseerd op een genormaliseerde winst na belastingen van € 200.000 tot € 250.000 en een rendementseis van 10- 12,5% (factor 8-10), hetgeen leidt tot een rentabiliteitswaarde van minimaal € 1.600.000 (200.000 x 8) en maximaal € 2.500.000 (250.000 x 10), gemiddeld circa € 2.100.
- Onder aftrek van de gerealiseerde verkoopprijs ad 1.629.000 is dan sprake van een goodwillbedrag ad globaal € 500.000”. 5.
- Beckman en Peters hebben in hun rapport van 5 maart 2007 (productie 38, bladzijde 72 tot en met 78) op meerdere punten om nadere toelichting gevraagd. 5.
- Met betrekking tot de post goodwill hebben Joling en De Vries in hun rapport d.d. 6 maart 2008 (productie 31 bij conclusie na comparitie, bladzijde 11) de verkoopprijs van de machinefabriek en de boekwaarde van de activa en passiva onderbouwd. Met betrekking tot de berekening van de genormaliseerde winst hebben zij aangevoerd dat deze is gebaseerd op de resultaten uit het verleden en de omzet- en winstverwachting van
- Kamps de Wild heeft in de koopovereenkomst aan de koper een omzetgarantie afgegeven ad € 4.000.000,-- voor een periode van 3 jaar inzake de verkoop en levering van Kaweco-machines. Ten aanzien van de gehanteerde rendementseis hebben Joling en De Vries aangevoerd dat deze marktconform is “voor dit soort bedrijven”. 5.
- Met betrekking tot de berekening van goodwill hebben Beckman en Peters de door Joling en De Vries gegeven onderbouwing van de gerealiseerde verkoopprijs van de machinefabriek ad € 1.629.000,-- en de onderbouwing van de boekwaarde van de activa en passiva niet becommentarieerd. Beckman en Peters hebben in hun rapport van 16 juni 2008 opgemerkt dat een winst van € 225.000,-- of meer in de periode 1994 tot en met oktober 2002 alleen in 1994 is behaald, zodat een gemiddelde genormaliseerde winstverwachting van € 225.000,-- niet is onderbouwd. Voorts hebben Beckman en Peters aangevoerd dat de lagere winsten c.q. verliezen in de jaren daarna niet noodzakelijk alleen te wijten zijn aan de gestelde efficiencyproblemen in Zutphen, maar tevens veroorzaakt kunnen zijn door exogene factoren als moeilijke marktomstandigheden. Ten slotte is geen business plan verstrekt voor Kamps de Wild waaruit blijkt dat, in geval van een tijdige verhuizing, een winstniveau van € 225.000,--- vanaf 2002 haalbaar was. Tegen de door Joling en Vries gehanteerde rendementseis hebben Beckman en Peters niet langer verweer gevoerd. 5.
- Uitgangspunt van de berekening van goodwill is een genormaliseerde winst na belastingen van gemiddeld € 225.000,--. In het rapport van Joling en De Vries d.d. 11 december 2006 (productie 9 bij repliek) is op bladzijde 16 een overzicht gegeven van de resultaten van de machinefabriek na belastingen over de jaren 1994 tot en met oktober
- In 1994 werd een winst van f 938.000,-- behaald, hetgeen in euro’s neerkomt op een bedrag van afgerond € 426.000,--. Omgerekend in euro’s bedroeg de winst in 1995 en 1996 afgerond € 26.000,-- respectievelijk € 83.000,--. In 1997 en in 1998 werd verlies geleden, afgerond € 220.000,--- respectievelijk afgerond € 71.000,--. In 1999 was er sprake van een bescheiden winst van afgerond € 11.000,--, terwijl in de daarop volgende twee jaren wederom verlies werd geleden. Het verlies over de periode januari tot en met oktober 2002 bedroeg afgerond € 18.000,--. 5.
- Gelet op voormelde cijfers valt zonder nadere toelichting -die ook in het rapport van Joling en De Vries d.d. 6 april 2009 (productie 84) niet is gegeven- niet in te zien hoe Joling en De Vries tot een genormaliseerde winst na belastingen van gemiddeld € 225.000,-- zijn gekomen. Ook uit de aan de koper van de machinefabriek gegeven omzetgarantie (die overigens is gegeven onder de voorwaarde dat door de koper concurrerende prijzen worden gehanteerd, zie de bij productie 31 van Reesink als bijlage 1 overgelegde overeenkomst tot koop en verkoop van aandelen, artikel 8.2.) kan niet zonder meer worden afgeleid dat het door Joling en De Vries gehanteerde uitgangspunt reëel is. 5.
- De conclusie kan dan ook geen andere zijn dan dat ook het tweede onderdeel van de vordering als zijnde onvoldoende onderbouwd niet voor toewijzing in aanmerking komt. Post 5: Saldo prijsstijging bouwkosten, rentebaten uit beschikbaar houden investeringsbedrag en besparing afschrijvingskosten (€ 396.440,--) 5.
- Bij gelegenheid van de comparitie is van de zijde van de Gemeente verklaard: “Indien na bestudering van de facturen en betaalbewijzen blijkt dat de prijsstijging € 2.331.124 bedraagt, dan wil de gemeente wel meegaan in het standpunt van Reesink dat de schade ter zake van gestegen bouwkosten evengemeld bedrag betreft, vermeerderd met wettelijke rente. Ter zake van voordeelstoerekening (rentebaten uit beschikbaar houden investeringsbedrag en de besparing op de afschrijvingskosten) kan -met Reesink- worden uitgegaan van een bedrag van in totaal € 1.918.227.” 5.
- Bij conclusie na comparitie heeft Reesink de prijsstijging van de bouwkosten naar beneden toe bijgesteld tot een bedrag van € 2.316.843,--, voormelde rentebaten gehandhaafd op een bedrag van € 1.794.716,--en de hier bedoelde besparing verhoogd tot een bedrag van € 125.687,--, hetgeen resulteert in een schadebedrag van per saldo € 396.440,--. 5.
- Bij antwoordconclusie na comparitie heeft de Gemeente gesteld dat, wat haar betreft, overeenstemming bestaat over het bedrag ad € 396.440,-- ter zake van het saldo exclusief wettelijke rente. De Gemeente heeft daarbij verwezen naar het als productie 45 overgelegde rapport van Beckman en Peters (paragraaf 18). Aan het slot van haar antwoordakte van 19 november 2008 heeft de Gemeente daaraan nog toegevoegd dat zij zal overgaan tot betaling van het bedrag van € 396.440,--, vermeerderd met wettelijke rente. Aldus is sprake van een onvoorwaardelijke betalingstoezegging. Dit geldt ook ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente met ingang van 1 januari
- 5.
- Reesink heeft bij haar akte van 8 april 2009 (bladzijde 15) gesteld dat de Gemeente -in weerwil van voormelde toezegging- op 15 januari 2009 slechts een bedrag van € 64.859,-- heeft betaald. 5.
- Uit de door Reesink als productie 86 overgelegde correspondentie tussen de raadslieden van partijen blijkt dat de Gemeente zich in haar brief van 11 februari 2009 op het standpunt stelt dat over de bedragen die het saldo van € 396.440,-- vormen nog de wettelijke rente moet worden berekend. De Gemeente heeft in deze brief voorts gesteld dat die rente al is berekend en heeft daarbij verwezen naar het door haar bij antwoordconclusie na comparitie als productie 45 overgelegde rapport van Beckman en Peters. In dat rapport wordt (op bladzijde 125) de omvang van de schade “van de drie overeengekomen posten, te weten stijging bouwkosten, rentebaten uit beschikbaar houden investeringsbedrag en besparing afschrijvingen inclusief wettelijke rente” begroot op € 60.026,--. 5.
- De rechtbank acht het debat tussen partijen met betrekking tot deze schadepost door de inhoud van de antwoordakte van de Gemeente d.d. 19 november 2008 evenwel beëindigd. Uit de inhoud van de antwoordconclusie na comparitie van de Gemeente d.d. 18 juni 2008 behoefde Reesink niet te begrijpen dat de Gemeente zich op het standpunt stelde dat zij per saldo geen € 396.440,--, maar slechts € 60.026,-- verschuldigd was. Indien dat het standpunt van de Gemeente zou zijn geweest, had zij dat onomwonden in de antwoordconclusie na comparitie moeten stellen. De Gemeente kon in dit verband niet volstaan met een verwijzing naar een rapport waarin van een lager bedrag werd uitgegaan. In de antwoordakte van 19 november 2008 is al helemaal geen sprake meer van een “verscholen” voorbehoud. Overigens wordt nog opgemerkt dat het bedrag van € 60.026,-- door Beckman en Peters in evengemeld rapport onvoldoende (duidelijk) is onderbouwd. 5.
- Het vorenstaande brengt met zich dat de Gemeente zal worden veroordeeld om aan Reesink te betalen een bedrag van € 331.581,-- (€ 396.440,-- minus € 64.859,--), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 396.440,-- vanaf 1 januari 2003 tot 15 januari 2009 en vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 331.581,-- vanaf 15 januari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening. Post 6: Extra kosten aannemer (€ 525.225,--) Standpunt Reesink (rapport Joling en De Vries d.d. 19 april 2006, bladzijden 21 en 22) 5.
- De hele handelwijze van de gemeente Apeldoorn leidde tot aanzienlijke haperingen in de planning en realisatie van de aannemer Aan de Stegge. Deze kosten bestonden onder meer uit het noodzakelijkerwijs werken in weekeinden en met extra bezetting, alsmede het mislopen van inkoopvoordelen door het ontbreken van tijd om de inkoop van bouwmaterialen uit te onderhandelen. De aannemer heeft deze extra lasten, begrepen in de huidige aanneemsom, reeds in augustus 2002 in kaart gebracht en gecalculeerd op voormeld bedrag. Verwezen wordt naar bijlage 4.
- d.d. 19 augustus 2002 bij het aan de dagvaarding gehechte rapport van Joling en De Vries van 19 april
- Deze post bestaat uit drie onderdelen. Gemiste inkoopvoordelen (€ 329.487), toeslag werken in vakantie/weekenden ( € 158.154) en extra personeel (€ 37.584). Standpunt Gemeente (conclusie van antwoord bladzijden 19 en 20) 5.
- De duur van de nieuwbouw van het distributiecentrum en van de kantoren op de locatie te Apeldoorn was even lang als oorspronkelijk gepland: 19 maanden. De bouw heeft dus niet langer geduurd als gevolg van de tekortkomingen van de Gemeente. Reesink heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bouw, als gevolg van tekortkomingen van de Gemeente, meer onder druk heeft gestaan. Indien Reesink een te krappe planning heeft gemaakt (waardoor in de weekeinden moest worden gewerkt en geen tijd meer was om de inkoop van bouwmaterialen uit te onderhandelen) is dat niet toe te rekenen aan de tekortkomingen van de Gemeente. De door de aannemer gecalculeerde extra kosten zijn niet onderbouwd. Standpunt Reesink (conclusie van repliek, bladzijde 13) 5.
- Reesink heeft bij repliek gesteld dat zij na levering van de grond door de Gemeente op 12 februari 2002 is gestart met de bouw, maar dat er niet voluit gebouwd kon worden omdat de Gemeente beslag tot teruglevering had gelegd en het risico bestond dat de grond moest worden teruggeleverd in de oorspronkelijke (onbebouwde) staat. Zij is toen niettemin begonnen met eerst de grondwerkzaamheden op te dragen. Eerst na de uitspraak van het gerechtshof Arnhem d.d. 4 juni 2002, waarbij de veroordeling tot levering in stand bleef, is Reesink voluit gaan bouwen. Om de verloren tijd in te halen en haar schade zoveel mogelijk te beperken, heeft zij de aanneemovereenkomst in korte tijd tot stand gebracht en daarbij een korte opleveringstermijn bedongen. Hierdoor is de aanneemsom hoger geworden dan bij een normale opdrachtverlening. Reesink verwijst hierbij naar de bij repliek als productie 25 overgelegde verklaring van de aannemer d.d. 5 december
- Standpunt Gemeente (conclusie van dupliek, bladzijden 16 en 17) 5.
- Bijlage 4.
- bij het schaderapport is te ongespecificeerd om te kunnen dienen als onderbouwing van deze schadepost. De Gemeente vraagt zich af waarom de aannemer op 19 augustus 2002 extra kosten heeft gefactureerd, terwijl de oplevering van het distributiecentrum pas plaatsvond in februari/maart
- De Gemeente wenst van Reesink te vernemen of er tussen Reesink en de aannemer afspraken zijn gemaakt over eerst bouwen (met de handrem erop) en over de consequenties daarvan voor de aanneemsom. De Gemeente heeft daaraan toegevoegd dat het niet onaannemelijk is dat sprake is van schade uit hoofde van “extra kosten aannemer”, maar meent dat die schade onvoldoende is onderbouwd. Standpunt Reesink (brief van 5 september 2007) 5.
- Reesink heeft in het begin enkele opdrachten voor grondwerk gegeven, waarna stapsgewijs enkele andere kleinere opdrachten zijn gegeven. Pas op 18 juli 2002 kon het risico worden genomen om de definitieve aannemingsovereenkomst te sluiten (productie F bij brief van 5 september 2007), met dien verstande dat op korte termijn moest worden opgeleverd om de verloren tijd in te halen en de schade te beperken. Deze gang van zaken heeft meegebracht dat de aanneemsom aanmerkelijk hoger was dan zonder wanprestatie van de Gemeente het geval was geweest. Het overzicht van bijlage 4.
- d.d. 19 augustus 2002 is geen factuur, maar een opgave van de oorzaken van de hogere aanneemsom. Standpunt Gemeente (antwoordconclusie na comparitie) 5.
- In de aannemingsovereenkomst d.d. 18 juli 2002 zijn de werkzaamheden, die vanaf 22 februari 2002 zijn verricht ook meegenomen. Tussen Reesink en de aannemer is een vaste prijs overeengekomen. De stelling van Reesink is -kennelijk- dat de aannemingssom die op 18 juli 2002 is overeengekomen € 13.179.497,-- minus € 525.225,-- zou hebben bedragen in de situatie dat de Gemeente geen wanprestatie zou hebben gepleegd. De Gemeente betwist dat in de periode tot juni 2002 met de handrem erop moest worden gebouwd. Volgens de Gemeente blijkt uit de door Reesink in februari 2002 met de aannemer gesloten vrijwaringsovereenkomst (productie 34 bij conclusie na comparitie van Reesink) dat de aannemer op verzoek van Reesink en ondanks het conflict met de Gemeente, wel gewoon vol aan de gang zal gaan en dat, als daaruit problemen zouden voortvloeien, Reesink de aannemer daarvoor zou vrijwaren. Ook uit de raamovereenkomst d.d. 8 februari 2002 kan de Gemeente niet opmaken dat met de handrem erop is gewerkt. Reesink heeft nog steeds geen deugdelijke specificatie gegeven van de extra kosten. Het oordeel van de rechtbank 5.
- Met de Gemeente is de rechtbank van oordeel dat uit de inhoud van de op 8 februari 2002 door Reesink met de aannemer gesloten raamovereenkomst (productie 35 bij conclusie na comparitie van Reesink) niet blijkt dat het tempo waarin de aannemer de bouwwerkzaamheden zou uitvoeren afhankelijk zou zijn van de mate waarin voor Reesink meer duidelijkheid zou bestaan over haar juridische positie ten opzichte van de Gemeente. Hieruit lijkt integendeel juist te volgen dat de aannemer volgens de tijdsplanning van 12 maanden zou werken en dat Reesink de aannemer zou vrijwaren voor schade die het gevolg zou zijn van door de Gemeente veroorzaakte vertraging. In artikel 4 van de raamovereenkomst is een tijdsplanning opgenomen. Daarin staat: “16 maart 2002 start uitvoering, start grondwerk 11 februari 2002 middels vooropdracht (…) 16 maart 2003 oplevering werk”. Uit de inhoud van de door Reesink (bij conclusie na comparitie als productie 36 overgelegde) op 18 juli 2002 gesloten aannemingsovereenkomst (waarbij in artikel 7.
- is bepaald dat het werk in week 17 van 2003 moet worden opgeleverd) blijkt niet dat de aannemer voorheen “met de handrem erop” heeft gebouwd, dat van de aannemer in het vervolg extra inspanningen werden verwacht en al helemaal niet dat de overeengekomen aanneemsom hoger is dan het geval zou zijn geweest indien de aannemer vanaf februari 2002 op volle kracht had kunnen doorwerken. De schriftelijke verklaring van de aannemer d.d. 5 december 2006 (productie 25 bij conclusie van repliek):“De op 19-08-2002 genoemde kosten (onderdeel: versnelde uitvoering) zijn extra kosten ten opzichte van een normale situatie omdat wij zeer snel moesten starten en op korte termijn moesten opleveren. Daardoor is de aanneemsom met dit bedrag hoger uitgekomen”, is in deze te summier om te kunnen overtuigen. Dit brengt met zich dat er niet van kan worden uitgegaan dat de gestelde extra kosten, welke bovendien -ondanks herhaald verzoek van de Gemeente- door Reesink niet voldoende deugdelijk zijn gespecificeerd- in causaal verband staan met het feit dat Reesink er in februari 2002 niet van uit kon gaan dat de levering van de grond onaantastbaar was. 5.
- Dit onderdeel van de schade komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking. Post 7: Extra kosten architect (€ 418.069,--) Standpunt Reesink (rapport Joling en De Vries d.d. 19 april 2006, bladzijde 23) 5.
- Met de architect (de Ariëns Groep) was een budget van € 347.142,-- overeengekomen. Dit budget was eind 2000 al “op”, terwijl er nog niets was gestart. Bij de vele stappen op juridisch gebied was vaak de deskundigheid van de architect noodzakelijk. Ook moest veel werk in de tijd opnieuw worden gedaan. De architect heeft daarom veel extra uren gemaakt welke niet door het budget werden gedekt. Uiteindelijk zijn de totale kosten uitgekomen op € 759.126,--. Reesink heeft de kostenoverschrijding van de architect geaccepteerd nadat zij de heer Breunis een onderzoek had laten doen naar de juistheid van de gerapporteerde kosten. De kosten van dat onderzoek bedragen € 6.085,--. De extra kosten die samenhangen met de inzet van de architect komen daarmee uit op in totaal € 418.069,-- (€ 759.126,-- minus € 347.142,-- + € 6.085,--). Omdat het oorspronkelijke budget een all-in-budget was, dat later gefrustreerd is door de vertragingen, kan de gehele kostenoverschrijding worden toegerekend aan het handelen van de Gemeente. Standpunt van de Gemeente (conclusie van antwoord, bladzijden 20 en 21) 5.
- Het causaal verband tussen de beweerdelijke overschrijding van het budget van de architect en de tekortkoming van de Gemeente wordt betwist. Uit het rapport van Breunis (productie 44 bij het rapport van Beckman en Peters d.d. 16 oktober 2006) kan niet een eenduidige oorzaak voor de budgetoverschrijding worden opgemaakt. Breunis noemt drie oorzaken: problemen met de Gemeente, herwerk en door Reesink gewenst meerwerk. De laatste twee oorzaken kunnen niet aan de Gemeente worden toegerekend, terwijl de eerste oorzaak vooralsnog te weinig gespecificeerd en onderbouwd is. De gestelde kosten uit hoofde van overschrijding van het budget zijn niet althans onvoldoende gespecificeerd en niet onderbouwd door middel van facturen. Het oordeel van de rechtbank 5.
- Reesink heeft bij repliek slechts aangevoerd dat ook de extra kosten van herwerk en meerwerk uitsluitend het gevolg zijn van het verzuim van de Gemeente. Reesink heeft daarbij verwezen naar door haar als productie 26 overgelegde toelichtende brief van de architect aan haar d.d. 7 december 2006, waarin onder meer de navolgende passages voorkomen: “(…) Bij aanvaarding van onze opdracht was de insteek dat de bouw toch zeker 1999 zou zijn begonnen. In plaats van het organiseren en begeleiden van de bouw zijn wij toen terechtgekomen in het intensief meemaken en intensief begeleiden van juridische procedures met de Gemeente Apeldoorn. U en de heer Thunnissen achtten die begeleiding ook gewenst omdat de gemeente ook technische begeleiding en ondersteuning kreeg van de mensen die in het voortraject waren betrokken (…)Wij hebben tot in het jaar 2002 alle stukken van de gemeente gelezen, concepten van de heer Thunnissen beoordeeld, besprekingen bijgewoond ter voorbereiding van processtukken en pleidooien, talloze besprekingen en onderhandelingen met de Gemeente Apeldoorn bijgewoond en wij zijn bij vele zittingen geweest. Dat is overigens maar een korte samenvatting van hetgeen wij in die tijd hebben gedaan. Toen in 2001 bouwvergunning werd aangevraagd en in het voorjaar 2002 uiteindelijk de bouw op gang kon komen moest het ontwerp en de detailengineering op vele punten worden bijgesteld of opnieuw worden ontworpen in verband met intussen gewijzigde regels en voorschriften. (…)”. 5.
- Gelet op het verweer van de Gemeente bij conclusie van antwoord, had het op de weg van Reesink gelegen om bij conclusie van repliek tevens een overzicht te overleggen, waarin -met het oog op de dubbele redelijkheidstoets- de inhoud van de onderscheiden advieswerkzaamheden van de architect nader worden omschreven onder vermelding van de reden waarom Reesink per geval inschakeling van de architect noodzakelijk achtte, dit onder vermelding van de data waarop die advieswerkzaamheden hebben plaatsgevonden, hoeveel uren daaraan telkens is besteed en het uurtarief dat door de architect in rekening is gebracht, een en ander vergezeld van door de architect verzonden facturen. Voorts had Reesink nader moeten specificeren welke extra werkzaamheden de architect ter zake van het ontwerp en de detailengineering heeft moeten verrichten in vergelijking tot de situatie dat de bouw door toedoen van de Gemeente niet zou zijn vertraagd, onder opgave van de data waarop die werkzaamheden hebben plaatsgevonden, de daaraan bestede uren en het uurtarief dat door de architect voor die werkzaamheden in rekening is gebracht, een en ander vergezeld van de door de architect overgelegde facturen. De bij conclusie van repliek als productie 3 overgelegde stukken (waaronder voormeld rapport van Breunis d.d. 15 maart 2004), waarnaar Reesink in haar conclusie na comparitie heeft verwezen, geven op voormelde vragen geen dan wel onvoldoende onderbouwd antwoord. 5.
- Bij deze stand van zaken komt dit onderdeel van de vordering niet voor toewijzing in aanmerking. Post 8: A. Kosten Houthoff Buruma (€ 336.228,40) Standpunt Reesink (conclusie van repliek, bladzijden 14 tot en met 21) 5.
- In de onderhavige zaak gaat het om vergoeding van schade als gevolg van een levering van grond die ten onrechte later plaatsvond dan op grond van de overeenkomst diende te geschieden. Reesink heeft op diverse wijze -vaak met succes- getracht via een aantal andere procedures te zorgen dat de levering van de grond eerder (of in ieder geval niet nog later) plaats zou vinden, zodat de schade die zij zou lijden zou worden beperkt. De kosten van juridische bijstand in die procedures vormen redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder a BW. Standpunt Gemeente (conclusie van dupliek (bladzijden 17 tot en met 19) De aan Houthoff Buruma betaalde declaraties hebben betrekking op verrichtingen die vallen onder de reikwijdte van artikel 241 Rv en 8:75 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor deze verrichtingen is dan al een vergoeding toegekend in de vorm van de aan Reesink toegekende proceskosten. De regelingen van de proceskosten zijn immers exclusief. Voor de kosten, gemoeid met deze verrichtingen, kan Reesink in de schadestaatprocedure niet nog een vergoeding vorderen. Dit geldt ongeacht het feit dat een partij bij een proceskostenveroordeling zeker niet alle kosten van juridische bijstand vergoed zal hebben gekregen en ongeacht het doel en de strekking van de procedure, waarin de vergoeding van de proceskosten exclusief is geregeld. Niet van belang is of de procedure wordt ingesteld om schade te beperken of om vergoeding van schade te vorderen. De verrichtingen van de door Reesink ingeschakelde advocaten in de procedures bedoeld in de punten 23 tot en met 28 van de conclusie van repliek komen derhalve niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking. De met de voorlopige plaatsopneming gemoeide kosten bedoeld in punt 29 van de conclusie van repliek dienen te worden meegenomen bij de proceskostenveroordeling. Het oordeel van de rechtbank 5.
- Reesink heeft dit onderdeel van haar vordering nader uitgewerkt in de punten 23 tot en met 29 van de conclusie van repliek. Artikel 6: 96 lid 2 aanhef en onder a BW, waarop Reesink dit onderdeel van haar vordering baseert, luidt als volgt: “Als vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking: a. redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht”. 5.
- Voor zover Reesink vergoeding vordert van advocatenkosten die zijn gemaakt in het kader van civiele procedures, worden die kosten geacht te zijn vergoed bij de proceskostenveroordeling. In die procedures hebben zowel de (voorzieningenrechter in deze) rechtbank als het gerechtshof Arnhem het liquidatietarief toegepast, hetgeen tot gevolg heeft dat de winnende partij in de regel de kosten van de door haar ingeschakelde advocaat niet volledig krijgt vergoed. Op zichzelf is het juist dat de door Reesink gezette juridische stappen er toe hebben bijgedragen dat Reesink met de bouw kon beginnen en dat dat moment niet nog langer heeft geduurd. Zou het standpunt van Reesink worden gevolgd dat de door haar gemaakte advocaatkosten om die reden op grond van artikel 6:96 aanhef en sub a BW voor integrale vergoeding in aanmerking komen, dan zou dat er toe leiden dat Reesink -in afwijking van voormelde praktijk- de kosten van de door haar ingeschakelde advocaat volledig vergoed zou krijgen. Voor een dergelijke uitzondering bestaat in het onderhavige geval geen goede grond, al was het maar omdat van de meeste civiele procedures immers gezegd kan worden dat daardoor de schade (enigermate) kan worden beperkt. In de parlementaire geschiedenis zijn geen aanknopingspunten te vinden die steun bieden voor het door Reesink verdedigde standpunt. Opgemerkt wordt nog dat de Hoge Raad in zijn arrest van 3 juni 2005 (NJ 2005,324) in een zaak waarin vergoeding van kosten van rechtsbijstand in een tuchtrechtelijke procedure werd gevorderd heeft overwogen dat “ook ingeval kan worden gezegd dat een tuchtprocedure nut heeft gehad voor het voorkomen of beperken van schade onderscheidenlijk voor het vaststellen van schade en aansprakelijkheid, dit niet zonder meer meebrengt dat de daarmee gemoeide kosten kunnen worden aangemerkt als redelijke kosten zoals bedoeld in het hiervoor vermelde arrest. In dit arrest [Hoge Raad 10 januari 2003, NJ 2003, 537] heeft de Hoge Raad een algemeen, voor alle tuchtprocedures geldend uitgangspunt vooropgesteld en weliswaar aanvaard dat daarvan kan worden afgeweken, maar slechts indien een beroep is gedaan op bijzondere omstandigheden die in het gegeven geval daartoe nopen. Generieke afwijkingen passen hierbij niet ”. Nu de kosten van rechtsbijstand in een tuchtrechtelijke procedure al in de regel niet voor vergoeding in aanmerking komen, valt niet goed in te zien waarom Reesink jegens de Gemeente aanspraak zou kunnen maken op integrale vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bedoelde civiele procedures. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zijn gesteld noch gebleken. 5.
- De grondslag van de vordering van Reesink in de bodemprocedure, die een vervolg heeft gekregen in de onderhavige schadestaatprocedure, is dat de Gemeente is tekortgeschoten in haar verplichting om grond aan Reesink te leveren. In de bodemprocedure heeft Reesink vergoeding van schade gevorderd -op te maken bij staat- die zij heeft geleden doordat zij de nieuwe locatie later kon gaan gebruiken dan het geval zou zijn geweest indien de Gemeente niet tekort zou zijn geschoten. De door Reesink gevoerde administratiefrechtelijke procedures zijn door Reesink gevoerd om te bewerkstelligen dat zij de door haar beoogde bouwplannen kon realiseren. Zowel de gemaakte kosten van rechtsbijstand om de Gemeente ervan te overtuigen dat het bestemmingsplan dat de Gemeente ter inzage had gelegd in strijd was met de intentieovereenkomst, als de kosten van juridische bijstand in het kader van door Reesink gevoerde administratieve procedures, staan daarmee in een te ver verwijderd verband met het aan de Gemeente gemaakte verwijt dat zij tekortgeschoten is in haar leveringsverplichting, om die schade als gevolg van het tekortschieten van de Gemeente aan de Gemeente te kunnen toerekenen. Om die reden al komen de in dit verband gemaakte kosten van juridische bijstand niet voor toewijzing in aanmerking. Overigens staat voormeld arrest van de Hoge Raad van 3 juni 2005 eveneens in de weg aan toewijzing van de hier bedoelde kosten van juridische bijstand. In deze is niet van belang of Reesink in het kader van de door haar gevoerde administratiefrechtelijke procedures aanspraak had kunnen maken op vergoeding van de kosten van juridische bijstand. Indien -met Reesink- zou moeten worden aangenomen dat voor haar die mogelijkheid niet openstond (op grond van het overgangsrecht dat deel uit maakt van de wet van 24 januari 2002 tot wijziging van de Algemene Wet Bestuursrecht met betrekking tot de kosten van bezwaar en administratief beroep), kan dat Reesink niet baten. Immers, indien Reesink destijds geen aanspraak had op vergoeding van kosten van juridische bijstand in het kader van de door haar gevoerde administratieve procedures, dan valt niet in te zien dat Reesink diezelfde kosten in een civiele procedure wel vergoed zou kunnen krijgen. 5.
- De kosten van indiening en behandeling van het verzoek tot het houden van een descente en het uitbrengen van een voorlopig deskundigenbericht en de kosten van het bijwonen van twee descentes, zullen worden meegenomen in het kader van de beslissing over de proceskosten. Op integrale vergoeding van deze kosten heeft Reesink geen aanspraak. 5.
- Het vorenstaande brengt met zich dat dit onderdeel van de gevorderde schade zal worden afgewezen. B. Kosten van de door de rechtbank benoemde deskundige (€ 24.229,--) 5.
- De deskundige P.J. Schimmel heeft zijn werkzaamheden opgeschort. De rechtbank heeft de door de deskundige bij brief van 30 november 2006 (productie 29 bij conclusie van repliek) in rekening gebrachte kosten, € 24.229,-- vermeerderd met BTW, aan de deskundige betaald uit het door Reesink gestorte voorschot. 5.
- De Gemeente heeft aangevoerd dat het voorlopig deskundigenonderzoek op verzoek van Reesink is aangehouden tot 15 november 2007 en dat, zolang er geen voorlopig deskundigenbericht tot stand is gekomen, de kosten van de deskundige voor rekening van Reesink dienen te blijven. Indien de werkzaamheden van Schimmel uitmonden in een deskundigenbericht, kan een vergoeding van de daarmee gemoeide kosten worden meegenomen bij de proceskostenveroordeling, aldus de Gemeente. 5.
- De rechtbank volgt de Gemeente niet in haar standpunt. Uit de hiervoor onder 2.9 weergegeven inhoud van de beschikking van deze rechtbank van 9 januari 2003 (productie 31 bij conclusie van dupliek) blijkt dat het onderzoek door de deskundige er toe strekte om bewijs te vergaren ter onderbouwing van de vordering van Reesink in de schadestaatprocedure. Vast staat inmiddels dat de huisvestingskosten in Zutphen in vergelijking tot Apeldoorn aanzienlijk hoger zijn en dat Reesink als gevolg van het feit dat zij door de vertraagde verhuizing langer in de oude huisvesting in Zutphen moest blijven zitten voor vergoeding vatbare schade heeft geleden. De deskundige heeft de gebouwen in Zutphen bezichtigd. De Gemeente heeft niet betwist dat de deskundige in het kader van zijn opdracht tot het door hem gedeclareerde bedrag werkzaamheden heeft verricht. De kosten van de deskundige komen ten laste van de partij die in de bodemprocedure in het ongelijk wordt gesteld. Ten aanzien van de hier aan de orde zijnde schade is dat de Gemeente. Dat de deskundige, op verzoek van Reesink, geen voorlopig deskundigenbericht heeft uitgebracht, staat er onder deze omstandigheden niet aan in de weg om de Gemeente te veroordelen om de door Reesink voorgeschoten kosten van de deskundige aan Reesink te vergoeden. Daar Reesink het voorschot waaruit de deskundige is betaald onweersproken op 1 februari 2003 ter griffie heeft gedeponeerd, zal de Gemeente tevens worden veroordeeld om de wettelijke rente over het aan de deskundige uitbetaalde bedrag te vergoeden met ingang van 1 februari
- Reesink heeft immers geen vergoeding van wettelijke rente gevorderd over het door haar gedeponeerde bedrag dat meer bedroeg dan de hoogte van de declaratie van de deskundige. Post 9: Kosten Van Andel (€ 54.100,--) Standpunt Reesink (conclusie van repliek, bladzijde 22) 5.
- Van Andel, oud advocaat, is een zeer ervaren adviseur op commercieel en juridisch gebied. Hij is door Reesink ingeschakeld bij besprekingen en onderhandelingen met de Gemeente over afdoening van de schade die in deze procedure aan de orde is. Er is daarover gedurende meerdere jaren met de Gemeente gesproken en onderhandeld, hetgeen uiteindelijk tot niets heeft geleid omdat de Gemeente die besprekingen heeft laten doodbloeden. Het bedrag waarop Reesink aanspraak maakt is een gematigd bedrag. Nu de Gemeente steeds met (onder meer) Van Andel heeft gesproken, is het aan de Gemeente om aan te geven waarom voormeld bedrag niet redelijk zou zijn. Standpunt Gemeente (conclusie van dupliek, bladzijde 20) 5.
- Zij herhaalt het in haar conclusie van antwoord verwoorde standpunt dat vergoeding van (een gedeelte van) de gevorderde kosten eerst aan de orde kan komen wanneer Reesink heeft gespecificeerd om welke werkzaamheden het gaat en heeft aangetoond dat het inroepen van juridische bijstand op deze punten redelijk was, de omvang van de door Van Andel voor deze werkzaamheden in rekening gebrachte kosten redelijk was en het niet gaat om werkzaamheden die worden geacht te vallen onder de reikwijdte van de artikelen 237 tot en met 245 Rv/artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. Het oordeel van de rechtbank 5.
- Het enkele feit dat de Gemeente bekend was met het optreden van Van Andel als adviseur bij de onderhandelingen over de schadevergoeding, impliceert niet dat op de Gemeente de last rust om te bewijzen dat de kosten van Van Andel niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets. De stelplicht en bewijslast dat de kosten van Van Andel voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets rust op Reesink. Reesink heeft -ondanks dat zij daartoe door de Gemeente bij conclusie van antwoord was uitgenodigd- bij conclusie van repliek de door de Gemeente verzochte informatie niet verstrekt. Nadat de Gemeente bij conclusie van dupliek haar verweer had gehandhaafd, heeft Reesink bij gelegenheid van de comparitie van partijen niet verzocht om dit onderdeel van haar vordering alsnog nader toe te lichten. Namens Reesink is op dit punt weliswaar bewijs aangeboden, maar voor een bewijsopdracht is geen plaats nu Reesink niet voldoende onderbouwd heeft gesteld dat deze kosten aan de dubbele redelijkheidstoets voldoen. Bij deze stand van zaken dient dit onderdeel van de vordering als onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen. Post 10 Kosten Prins (€ 6.856,52), kosten Van de Langeberg (€ 46.725,--) en kosten Joling (€ 100.000,--, stelpost). Standpunt Gemeente (conclusie van antwoord, bladzijden 29 en 30) 5.
- De Gemeente acht het redelijk dat Reesink voor het opstellen van de schadestaat expertise heeft ingehuurd. Reesink heeft er zelf voor gekozen om de schadestaat, die zij ten grondslag heeft gelegd aan haar dagvaarding, te laten opstellen door Joling en De Vries, in plaats van door Van de Langeberg. Reesink zal aannemelijk moeten maken dat het feit dat Joling en De Vries de schadestaat hebben opgesteld, niet heeft geleid tot meer kosten, dan het geval zou zijn geweest indien Van de Langeberg de schadestaat zou hebben opgesteld. De met de wisseling van deskundige gemoeide kosten behoren voor rekening van Reesink te blijven. Op dit punt dient Reesink de kosten nog nader te onderbouwen. Reesink heeft voor wat betreft het opstellen van de schadestaat gekozen voor de diensten van Joling en De Vries en niet voor die van Prins, zodat de kosten van Prins dan ook niet voor vergoeding in aanmerking komen. Indien in de onderhavige procedure geen schadevergoeding of een bedrag dat veel lager is dan thans gevorderd wordt toegewezen, komen de kosten van Van de Langeberg en Joling en De Vries niet voor toewijzing in aanmerking omdat die kosten in dat geval niet kunnen worden geacht in redelijkheid te zijn gemaakt. Standpunt Reesink (conclusie van repliek, bladzijden 22 en 23) 5.
- Prins heeft adviezen gegeven ter zake van de algemene opzet van de schadeberekening. Van de Langeberg heeft uitvoerig onderzoek gedaan, stukken bijeengebracht en gerangschikt en een eerste concept voor een schaderapport gemaakt. Joling en De Vries hebben voortgebouwd op en gebruik gemaakt van het werk van Van de Langeberg. Zij hebben (tenminste) het aan Van de Langeberg toegerekende bedrag bespaard ten gevolge van het werk van Van de Langeberg. Hun factuur zou meer dan € 46.725,-- hoger zijn indien zij het rapport en materiaal van Van de Langeberg niet zouden hebben gehad. Joling en De Vries hebben dat nader gerangschikt, definitief gemaakt en met nadere gegevens en berekeningen tot een totaalrapport verwerkt. Ook de kosten van Joling en De Vries die hier zijn opgevoerd (en de nog nader in te dienen kosten) vormen redelijke kosten ter vaststelling van de schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 aanhef en sub b. BW. Standpunt Gemeente (conclusie van dupliek, bladzijde 20) 5.
- Ten aanzien van de kosten van Van de Langeberg en Joling en De Vries handhaaft de Gemeente hetgeen zij bij conclusie van antwoord heeft gesteld. Nergens uit blijkt dat de werkzaamheden van Prins de basis hebben gevormd voor het werk van Joling en De Vries. Het is niet redelijk om, daar waar Reesink heeft gekozen voor Joling en De Vries, ook een vergoeding te vragen van de kosten van de in eerste instantie ingeschakelde Prins. Het oordeel van de rechtbank 5.
- De kosten van het inschakelen van Prins en Van de Langeberg zijn buiten rechte gemaakt ter vaststelling van de schade en vallen daarmee onder het bereik van artikel 6:96 lid 2 sub b BW. 5.
- Met betrekking tot de kosten van Prins heeft de Gemeente met recht aangevoerd dat nergens uit blijkt dat de werkzaamheden van Prins de basis hebben gevormd voor het werk van Joling en De Vries. Om die reden kan niet worden geoordeeld dat het redelijk was om Prins in te schakelen. De kosten van Prins komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. 5.
- Met betrekking tot de kosten van Van de Langeberg ligt dit anders. Immers, uit het rapport van Joling en De Vries d.d. 19 april 2006 ( bladzijde 4) blijkt dat Van de Langeberg op 18 augustus 2003 een overzicht heeft opgesteld van de schade die als gevolg van de vertraging van de oplevering van de nieuwbouw van het distributiecentrum te Apeldoorn was ontstaan. Reesink heeft aan Joling en De Vries opdracht gegeven om de schadeopstelling van Van de Langeberg te verifiëren en een geactualiseerde en totale berekening op te stellen van de omvang van de schade. Op bladzijde 5 geven Joling en De Vries aan dat zij op basis van de gegevens van het schaderapport van Van de Langeberg, aanvullende informatie en eigen onderzoek tot een zelfstandige schadeopstelling zijn gekomen. Joling en De Vries hebben de schadeberekeningen van Van de Langeberg geanalyseerd (bladzijde 6). Hieruit volgt dat de schadeberekeningen van Van de Langeberg weliswaar de basis hebben gevormd voor het eerste rapport van Joling en De Vries, maar dat niet gezegd kan worden dat Joling en De Vries verder zijn gegaan, daar waar Van de Langeberg is opgehouden. De stelling van Reesink dat de factuur van Joling en De Vries meer dan € 46.725,-- hoger zou zijn indien zij het rapport en materiaal van Van de Langeberg niet zouden hebben gehad, wordt dan ook verworpen. Aannemelijk is dat voor een gedeelte een overlap heeft plaatsgevonden tussen de werkzaamheden van Van de Langeberg en die van Joling en De Vries. Onder deze omstandigheden komen de kosten van Van de Langeberg in redelijkheid voor de helft voor vergoeding in aanmerking. Dit komt neer op een bedrag van € 23.362,50, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 augustus 2004 als gevorderd. 5.
- Met betrekking tot de kosten van Joling en De Vries wordt het volgende overwogen. De Gemeente heeft met recht opgemerkt dat toewijsbaarheid van dit onderdeel van de vordering nauw samenhangt met de vraag of en, zo ja, in welke omvang de vordering van Reesink voor toewijzing vatbaar is. Uit hetgeen hiervoor is overwogen en nog zal worden overwogen, blijkt dat de vordering van Reesink slechts voor een deel van het gevorderde toewijsbaar is. Voor zover de posten die voor toewijzing vatbaar zijn gebleken reeds in het rapport van Van de Langeberg zijn opgenomen, is er geen goede reden om de werkzaamheden die Joling en De Vries aan dezelfde posten hebben besteed nogmaals voor vergoeding in aanmerking te laten komen. De betreffende werkzaamheden moeten worden geacht te zijn vergoed door toekenning van het hiervoor in rechtsoverweging 5.92 vermelde bedrag. Voor zover Joling en De Vries posten hebben opgevoerd die niet in het rapport Van de Langeberg zijn opgenomen, komen de daarmee gemoeide werkzaamheden niet voor toewijzing in aanmerking voor zover die extra posten tevergeefs zijn opgevoerd. De door Joling en De Vries opgevoerde posten onder 10, 12 en 13 komen voor een bedrag van in totaal € 489.078,50 voor vergoeding in aanmerking. Dit is afgerond 1,2% van de totale vordering van bijna € 41.000.000,--. De kosten van Joling en De Vries bedragen, voor zover bekend, € 100.000,--. Op grond van het vorenstaande komen de door Reesink gemaakte kosten voor deskundige bijstand door Joling en De Vries voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van € 1.200,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart
- Post 11: Gemiste marge en groei A. Gemiste marge door een lagere servicegraad ( € 138.683,--) Standpunt Reesink (rapport Joling en De Vries bij dagvaarding, bladzijden 14 en 15) 5.
- In het nieuwe distributiecentrum in Apeldoorn worden alle goederen bij inslag en uitslag op meerdere punten op transportbanden en expeditie elektronisch geverifieerd en geregistreerd. Het gehele logistieke proces is zodanig ingericht dat de foutenkans tot vrijwel nihil wordt gereduceerd. Aangezien het logistieke proces in Zutphen grotendeels handmatig plaatsvond en de controles slechts steekproefsgewijs kunnen worden uitgevoerd, ligt een afname van de foutenkans bij uitlevering voor de hand. De servicegraad staat voor de mate waarin ontvangen (en administratief op voorraad zijnde) orders ook daadwerkelijk worden uitgeleverd (inclusief back-orders). Het verschil tussen 100% en de servicegraad geeft de gemiste omzet weer als gevolg van niet-levering. De servicegraad wordt berekend aan de hand van de waarde van de gemiste orders. Reesink heeft in Apeldoorn in 2005 en in 2006 een servicegraad gerealiseerd van 97,8 %. Zonder verzuim van de Gemeente had Reesink het distributiecentrum begin november 2000 in gebruik kunnen nemen en had de onderneming eerder een servicegraad van 97,8% kunnen halen. De hal is eerst in maart 2003 in gebruik genomen. Het verschil tussen de servicegraad die in de periode november 2000-maart 2003 werkelijk is behaald en die welke in de desbetreffende periode had kunnen worden behaald, is schade die door de Gemeente dient te worden vergoed. De schade wordt gerelateerd aan de brutomarge omdat Reesink binnen de capaciteit bij een servicegraad van 97,8% zonder extra kosten een hogere omzet had kunnen behalen. De werkelijke brutomarge bedroeg in de betreffende periode € 29,36 miljoen, terwijl een brutomarge van € 29,50 miljoen behaald had kunnen worden. Standpunt Gemeente (conclusie van antwoord bladzijden 11 en 12 en rapport Beckman en Peters d.d. 16 oktober 2006, productie 1 Gemeente, bladzijden 60 en 61) 5.
- De gerealiseerde servicegraad in de periode november 2000 tot en met december 2000, 2001, 2002 en januari 2003 tot en met maart 2003 is respectievelijk 97,07%, 97,22%, 97,46% en 97,40%. Gelet op de in 2004 gerealiseerde servicegraad en de sterke fluctuaties in de verschillende jaren voor en na de verhuizing, is niet aannemelijk gemaakt dat de servicegraad in de periode november 2000 tot en met maart 2003 aantoonbaar lager was dan in de periode na verhuizing. Reesink gaat ervan uit dat zij -zonder verzuim van de Gemeente- een constant marktaandeel van 2% zou hebben gehad. Bij dit marktaandeel behoort een bepaalde omzet en daarmee ook (impliciet) een bepaalde servicegraad. Het afzonderlijk vorderen van gemiste marge door lagere servicegraad naast het vorderen van gemiste marge door omzetderving leidt tot een dubbeltelling, aangezien dit impliciet resulteert in een hogere omzet dan verondersteld bij een 2% marktaandeel. De reactie daarop van Reesink bij conclusie van repliek (rapport Joling en De Vries d.d. 11 december 2006, productie 9 bij repliek, bladzijden 27 en 28) 5.
- Als gevolg van de lage servicegraad in Zutphen liep Reesink orders mis en kon zij slechts een marktaandeel van 2% bereiken. Op de locatie in Apeldoorn kan een hogere servicegraad worden behaald, hetgeen direct leidt tot een hogere omzet en een marktaandeel dat groter is dan 2%. De gemiste marge door beperking van de groei in de periode maart 1999-maart 2003 is berekend door het verschil tussen de omzet die gehaald had kunnen worden indien de Gemeente niet was tekortgeschoten, uitgaande van het marktaandeel van Reesink, die werd behaald op de oude locatie (2% bij een laag servicegraadniveau) en de werkelijk behaalde omzet (de werkelijke omzet bij het oude servicegraadniveau). De gemiste marge door een lagere servicegraad is dus niet meegenomen in de schade ter zake van gemiste marge door beperking van de groei. Van een dubbeltelling is geen sprake. Het oordeel van de rechtbank 5.
- De Gemeente heeft in haar conclusie van dupliek niet meer gereageerd op het betoog van Reesink dat van dubbeltelling geen sprake is. In het bij die conclusie als productie 38 overgelegde rapport van Beckman en Peters van 5 maart 2007 wordt weliswaar (op bladzijde 64) het standpunt dat van dubbeltelling sprake is gehandhaafd, maar wordt niet betwist dat Reesink in het kader van de gemiste marge door een lagere servicegraad niet heeft meegenomen de schade ter zake van gemiste marge door beperking van de groei. Opgemerkt wordt nog dat Reesink in haar redenering bij een hogere servicegraad een hoger marktaandeel dan 2% zou kunnen bereiken, maar nu Reesink in het kader van de schade ter zake van gemiste marge door beperking van de groei blijft uitgaan van een marktaandeel van 2% behoeft de rechtbank in het kader van deze schadepost niet te beoordelen of voor Reesink een groter marktaandeel dan 2% haalbaar zou zijn geweest, indien zij geen vertraging bij de verhuizing naar Apeldoorn zou hebben opgelopen. Niet uit het oog mag worden verloren dat Reesink de servicegraad heeft gedefinieerd als de mate waarin ontvangen (en administratief op voorraad zijnde) orders ook daadwerkelijk worden uitgeleverd. Tegen deze definitie heeft de Gemeente geen bezwaar gemaakt. Dit betekent dat het bij deze schadepost gaat om werkelijk geplaatste orders, die bij uitlevering tot omzet hadden geleid, welke omzet is misgelopen doordat de betreffende zaken op de locatie te Zutphen kwijt zijn geraakt. Bij de post gemiste marge en groei gaat het om het verschil tussen de werkelijke omzetontwikkeling van Reesink en de omzetgroei die Reesink had kunnen verwezenlijken indien het bedrijf met de markt had kunnen meegroeien. Van een dubbeltelling is dan ook geen sprake. 5.
- Wat er ook zij van de maandelijkse fluctuaties in de door Reesink gerealiseerde servicegraden, nu de Gemeente de juistheid van de door Reesink in dit verband gepresenteerde cijfers (kenbaar uit bijlage 3.1 bij het rapport van Joling en De Vries d.d. 19 april 2006) niet heeft bestreden en de Gemeente ook niet heeft betwist dat een servicegraad van 97,8% op de locatie Apeldoorn haalbaar is, heeft Reesink aantoonbare omzetschade geleden doordat zij eerst in maart 2003 in Apeldoorn over een operationeel distributiecentrum kon beschikken. De Gemeente heeft de hoogte van de door Reesink in dit verband geleden -en eveneens in voormelde bijlage onderbouwde- schade niet betwist, zodat dit onderdeel van de vordering voor een bedrag van € 138.683,--toewijsbaar is. Opmerking verdient nog dat Beckman en Peters in hun rapport van 5 maart 2007 (op bladzijde 64) weliswaar hebben aangevoerd dat de gemiddelde servicegraad over het hele jaar 2004 op de nieuwe locatie 96,4% heeft bedragen, maar nu in voormelde bijlage 3.1 is vermeld dat de servicegraad in 2004 negatief beïnvloed is door een storing op 17 augustus 2004 komt aan voormeld lagere cijfer in deze geen betekenis toe voor de lengte van de periode (29 maanden) waarover Reesink dit onderdeel van de schade heeft begroot. 5.
- Dit onderdeel van de vordering is dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 138.683,--. Reesink heeft ten aanzien van deze post geen aanspraak op wettelijke rente gemaakt. 5.
- Na afloop van de comparitie van partijen hebben de door partijen ingeschakelde deskundigen in hun rapporten nog opmerkingen over dit onderdeel van de schade gemaakt, maar deze opmerkingen, een herhaling van zetten, leiden niet tot een andere beoordeling. B. Gemiste marge door beperking groei tot maart 2003 (€ 7.192.998,--) Standpunt Reesink (rapport Joling en De Vries bij dagvaarding, bladzijden 16, 17 en 18) 5.
- Reesink Retail opereert op de markt voor doe-het-zelfartikelen. De markt groeide (zo blijkt uit rapporten van marktonderzoeksbureau Intomart GfK) in de jaren 1998 tot en met 2003 ten opzichte van het voorafgaande jaar met 6,0 %, 4,0 %, 3,8 %, 5,1 %, 3,3% en 0,9%; een gemiddelde stijging van 3,9% per jaar. De door Reesink gerealiseerde omzetten daalden in deze periode, wat resulteerde in een dalend marktaandeel van 2,13% in 1997 tot 1,38 % in
- Op 8 maart 1999 was het voor Reesink duidelijk dat de initiële bouw- en verhuisdata niet zouden kunnen worden gehaald. Vanaf die dag is Reesink beperkt in haar groei, wat resulteerde in een dalende omzet. De schade die zij heeft geleden doordat het bedrijf niet kon meegroeien met de markt is dan ook op 8 maart 1999 ingetreden en duurt feitelijk voort totdat het verloren marktaandeel geheel zal zijn teruggewonnen. Tijdelijke alternatieven om het probleem van de beperkte ruimte op te vangen, zoals het huren van extra ruimte, zouden naar verwachting de inefficiency van de logistieke processen nog verder vergroten. Indien zij tijdig met haar bedrijf naar Apeldoorn had kunnen verhuizen, dan had de onderneming het marktaandeel van vóór 1999 kunnen behouden. In 1997 bedroeg haar marktaandeel 2,13 % en in 1998 1,99%. De terugloop van het marktaandeel als gevolg van de groeibeperkingen in Zutphen laat zich duidelijk hieruit verklaren. Er zijn geen andere factoren gebleken die een verklaring zouden kunnen geven voor de omzetdaling in de verzuimperiode. Dat Reesink in normale omstandigheden is staat is met de markt mee te groeien en zelfs beter presteert, blijkt uit de marktontwikkeling in
- De algehele marktgroei nam in dat jaar af met 1,9%, terwijl de groei van Reesink in dat jaar met 0,8% daalde. Per saldo herwon Reesink in 2005 op de nieuwe locatie marktaandeel. Reesink stelt het marktaandeel dat zij minimaal in de verzuimperiode had kunnen behouden op 2%. Het verschil tussen de werkelijke omzetontwikkeling van Reesink en de omzetgroei die Reesink had kunnen verwezenlijken indien het bedrijf met de markt had kunnen meegroeien (met een marktaandeel van 2%), bedraagt in de periode maart 1999 tot maart 2003 in totaal € 38,9 miljoen. De schade die hieruit volgt kan berekend worden door over deze gemiste omzet de brutowinstmarge te berekenen en deze te verminderen met de besparingen die Reesink heeft gehad, doordat de onderneming deze groei in werkelijkheid niet heeft kunnen doormaken. De brutomarge is gesteld op 23,5%. Dit is de marge (verschil tussen de omzet en de inkoopwaarde/kostprijs van de omzet) die Reesink in 2005 behaalde na correctie van betaalde bonussen en verleende kortingen. De gemiste marge over de periode maart 1999 tot maart 2003 bedraagt € 9,15 miljoen. Daarop in mindering komen de besparingen (personeels- en distributiekosten) ad € 1,96 miljoen. De schade over voormelde periode komt daarmee uit op € 7.192.998,--. Het standpunt van de Gemeente (conclusie van antwoord bladzijden 12 t/m 17 en rapport Beckman en Peters d.d. 16 oktober 2006, productie 1 Gemeente, bladzijden 23 t/m/ 59) 5.
- Zonder tekortkomingen van de Gemeente zou Reesink het distributiecentrum eerst in oktober 2000 in gebruik hebben kunnen nemen. Voor zover er sprake is van omzetderving over de periode maart 1999 tot en met oktober 2000, kan die schade niet aan de Gemeente worden toegerekend. De aanname van Reesink dat zij een aandeel van 2% in de markt voor doe-het-zelfartikelen had kunnen behouden, indien de verhuizing naar Apeldoorn niet was vertraagd, is voor een deel gestoeld op in 1997 en in 1998 gerealiseerde omzetten in cv- en sanitairactiviteiten. Reesink heeft die activiteiten op 1 juli 2000 afgestoten. De resultaten van de handelsgroep installatietechniek (waaronder bedoelde activiteiten ressorteerden) waren in de jaren 1995, 1997 en 1998 teleurstellend. Het afstoten van de cv- en sanitairactiviteiten is niet een gevolg van de vertraging van de verhuizing, zodat ten aanzien daarvan geen sprake is van schade die in redelijkheid aan de Gemeente kan worden toegerekend. Op basis van de in 1997 en 1998 gerealiseerde omzetten ter zake van cv- en sanitairactiviteiten heeft 0,3% van het veronderstelde marktaandeel van 2% betrekking op die activiteiten en heeft 1,7% betrekking op de overige activiteiten van Reesink. Reesink heeft onvoldoende onderbouwd dat zij zonder vertraging in de verhuizing een aandeel had gehad en behouden van 1,7% van de markt van doe-het-zelfartikelen. Het veronderstelde aandeel van 1,7% moet worden afgezet tegen de marktsegmenten waarop Reesink Retail actief is en was (breedpakketzaken, bouwmarkten en ijzerwarenwinkels) en de verhouding waarin Reesink Retail op deze marktsegmenten actief was en is. Het is niet juist om -zoals Reesink doet- voor de berekening van de gederfde omzet uit te gaan van de totale doe-het-zelfmarkt. In vergelijking tot de totale doe-het-zelfmarkt is de omzet van Reesink Retail voor een significant kleiner deel gerelateerd aan bouwmarkten, die in omvang zijn gegroeid ten koste van de rest van de markt. In de jaren 1993 tot en met 1998 was er sprake van een dalende trend in het marktaandeel van Reesink Retail(van 2,17% in 1993 naar 1,58% in 1998, exclusief cv- en sanitairactiviteiten). Het is niet onaannemelijk dat deze dalende trend (deels) veroorzaakt is door de steeds groter wordende dominantie van de grote bouwmarktketens als Praxis en Gamma en toetreders als Hornbach op de Nederlandse doe-het-zelfmarkt. Daarnaast waren er problemen tussen Reesink en de Fixet franchisenemers (rapport Beckman en Peters d.d. 16 oktober 2006, bladzijde 5 en 6). In 2001 realiseerde Reesink Retail een omzet van € 54.424.000,--, dat was € 1.230.000,-- meer dan in 2000 (rapport Beckman en Peters d.d. 16 oktober 2006, bladzijde 41). Op de oude locatie in Zutphen had Reesink voldoende capaciteit om ook nog in de andere jaren voor de verhuizing het veronderstelde aandeel van 1,7% in de voor Reesink Retail relevante markt te kunnen behalen. Dat Reesink daarin in de jaren 2002 en de jaren daarna niet geslaagd is, is dan ook niet het gevolg van het capaciteitstekort op de oude locatie. Van gederfde omzet die is toe te rekenen aan de tekortkomingen van de Gemeente is geen sprake. Gelet op de hoogte van de gestelde geleden schade en gelet op de beweerdelijk verstrekkende gevolgen van het gestelde capaciteitstekort, had van Reesink in redelijkheid mogen worden verwacht dat zij: a. kosten had gemaakt om extra capaciteit in Zutphen te realiseren (bijvoorbeeld door de als gevolg van het afstoten van de CV- en sanitairactiviteiten verkregen capaciteit te benutten of door elders capaciteit bij te huren); b. kosten had gemaakt om, na verhuizing naar Apeldoorn, het verloren marktaandeel weer terug te winnen door advertenties, reclame, kortingen, etc. In het rapport van Joling en De Vries wordt ten onrechte uitgegaan van een winstmarge van 18,5% op de gesteld gederfde omzet. Deze gehanteerde winstmarge is significant hoger dan de door Reesink Retail zelf en in de branche gehanteerde marges. Een winstmarge van ongeveer 5% is meer aannemelijk. De reactie van Reesink (conclusie van repliek bladzijden 12 en 13; rapport Joling en De Vries d.d. 11 december 2006, productie 9 bij conclusie van repliek, bladzijden 18 t/m 28) 5.
- Het is gerechtvaardigd om 8 maart 1999 als ingangsdatum voor de schade te nemen omdat de groei mede werd beperkt door het feit dat Reesink op dat moment het uitzicht op de (tijdige) verhuizing werd ontnomen. Dit heeft geleid tot een beperking van de groei als gevolg van:
- hoger ziekteverzuim van personeelsleden. Met name de psychische uitwerking van de uitgestelde verhuizing en het vervlogen uitzicht op betere arbeidstechnische omstandigheden hebben het ziekteverzuim extra doen stijgen, hetgeen heeft geleid tot hogere kosten.
- gedwongen down-sizing en/of sluiting van bedrijfsonderdelen omdat niet duidelijk was of en, zo ja, op welk moment- er verhuisd zou worden. Een voorbeeld hiervan is het afstoten van de cv- en sanitairactiviteiten. De locatie in Zutphen was qua inrichting, logistiek en opslag verre van ideaal voor de cv- en sanitairactiviteiten van Reesink. Door het zicht op de verhuizing heeft Reesink afstoting van dit onderdeel niet overwogen. Vanaf de verhuizing had deze activiteit tot verdere groei kunnen komen. Toen er geen zicht meer was op tijdige verhuizing was afstoting van dit onderdeel voor Reesink de enige optie. Alsnog investeren in verbetering van de locatie was immers niet reëel vanwege de onevenredig hoge kosten. Dat de cv- en sanitairactiviteiten verliesgevend waren en dat zij geen positieve bijdrage meer konden leveren aan het totaalresultaat, was evenwel het gevolg van de wanprestatie van de Gemeente. Dat Reesink een vingerwijzing in de richting van de Gemeente niet in haar persberichten verwerkt, wil niet zeggen dat daarmee enig causaal verband ontbreekt. 5.
- Ten onrechte hebben Beckman en Peters aan de hand van de (niet door hen geverifieerde) informatie over de omzet van Reesink in 1999, de conclusie getrokken dat de ontwikkeling in de omzet van Reesink Retail nagenoeg overeenkomt met de ontwikkeling van de omzet van het marktsegment breedpakketzaken (de MIX). Het jaar 1999 mag niet gezien worden als representatief voor de omzetverdeling van Reesink, omdat dat jaar het jaar is waarin de gevolgen van de wanprestatie van de Gemeente voor het eerst in volle omvang tot uitdrukking kwamen. Het definitief verloren gaan van uitzicht op spoedige verhuizing, met onder andere het gevolg dat afnemers ook geen uitzicht hadden op een verbeterde servicegraad, leidde tot verder verlies van afnemers in de kleinhandel en derhalve tot een geheel ander omzetsamenstelling dan Reesink had kunnen realiseren wanneer zij zich binnen afzienbare tijd op de locatie te Apeldoorn had kunnen vestigen. Reesink had juist van de omzetgroei in het bouwmarktaandeel willen profiteren. De Gemeente heeft het voor haar onmogelijk gemaakt hiervoor (tijdig) de benodigde omstandigheden te creëren. Dat er bedrijven in de markt aandeel hebben gewonnen en dat ruimte was voor nieuwe toetreders in de markt, kan dan ook worden toegeschreven aan de ruimte die anderen, zoals Reesink, voor hen hebben gelaten. 5.
- Betwist wordt dat de in 2001 behaalde omzet een ondergrens is voor de beschikbare capaciteit. De beschikbare capaciteit in Zutphen nam alleen maar af vanwege de verslechtering van het gebouw, het hoge ziekteverzuim en de lage servicegraad. De franchiseformule werd geen succes omdat Reesink met alle problemen op de locatie in Zutphen niet kon voldoen aan de door de franchisenemers gewenste belevering. Ten onrechte zijn Beckman en Peters uitgegaan van de beschikbare capaciteit op de locatie in Zutphen in
- De locatie te Apeldoorn is in 2001 maatgevend omdat Reesink op die locatie zonder nalatigheid van de Gemeente al in 2001 had kunnen opereren. Het oppervlak van de locatie Zutphen in weliswaar groter dan dat van de locatie te Apeldoorn, maar dat is niet maatgevend voor de beschikbare capaciteit. In Apeldoorn kan met moderne ICT- en logistieke toepassingen en ander gebruik van de ruimten -bij een kleiner vloeroppervlak- veel efficiënter worden gewerkt en biedt de locatie de facto een veel hogere verwerkings- en opslagcapaciteit. Eventueel gebruik van de door de verkoop van de cv- en sanitairactiviteiten vrijgekomen ruimte was niet realistisch gezien de algehele staat van de gebouwen in Zutphen. Bovendien stellen de activiteiten van Reesink Retail geheel andere eisen aan een ruimte dan de activiteiten van de cv- en sanitairhandel. 5.
- Klanten die voor een andere formule of een andere technische groothandel hebben gekozen, zullen niet eenvoudig terugkeren. Hetzelfde geldt voor bestaande klanten bij wie concurrenten een “voet tussen de deur” hebben gekregen, omdat Reesink noodgedwongen haar assortiment beperkt moest houden. Er is sprake van een permanent marktaandeelverlies. Beckman en Peters hebben niet aangegeven waarom de veronderstelling dat eenmaal verloren marktaandeel niet of moeilijk terug kan worden gewonnen hier geen opgeld doet. Grote bouwmarktketens als Praxis en Gamma verworven in de jaren tot 2003 een steeds dominantere marktpositie. Toetreders als Hornbach kregen in die jaren voet aan de grond. Deze dominante posities werden mede verworven dankzij de marktruimte die Reesink noodgedwongen aan de concurrenten moest laten. Vanuit de ondergeschikte marktpositie waarin Reesink na 1999 terechtkwam was het haast onmogelijk om het over een periode van ruim 3,5 jaar verloren marktaandeel direct na de verhuizing weer terug te winnen. Een marktaandeel dat voorgoed verloren is gegaan is dat van de cv- en sanitairactiviteiten. Verloren marktaandeel door een afgestoten activiteit is niet terug te winnen door extra reclame-uitingen indien de daarvoor benodigde capaciteit ontbreekt. Met de in de jaarverslagen van Reesink genoemde problemen die niet in causaal verband staan met de problemen met de Gemeente, is bij de berekening van de schade rekening gehouden door uit te gaan van een minimaal marktaandeelverlies. (Rapport Joling- De Vries d.d. 11 december 2006, bladzijden 25 en 26). Betwist wordt dat er sprake is geweest van relevante problemen met de franchisenemers. Beckman en Peters hebben ten onrechte de netto-marge op gederfde omzet vergeleken met de netto-marge op de werkelijke omzet. De reactie van de Gemeente (conclusie van dupliek bladzijden 14 en 15; rapport Beckman en Peters d.d. 5 maart 2007, productie 38 bij conclusie van dupliek, bladzijden 31 t/m 62) 5.
- De stelling dat er een eenduidige causale relatie is tussen de uitgestelde verhuizing en het ziekteverzuim is niet nader onderbouwd. Wat het verzuim vóór 1999 was, is niet aangegeven. Ook na het bekend worden van de verhuizing was het verzuim nog op het niveau van
- Bovendien heeft het ziekteverzuim naar de eigen stelling van Reesink geleid tot hogere kosten. Hieruit blijkt geen causaal verband tussen het verloop van het ziekteverzuim en de gestelde geleden schade uit hoofde van gemiste marge en groei door beperking van de groeimogelijkheden. De gestelde beperking van groeimogelijkheden zou in ieder geval hebben voortgeduurd tot het moment waarop volgens de oorspronkelijke verwachtingen de nieuwbouw zou zijn opgeleverd. De schadeberekening dient te beginnen in oktober
- Dit wordt niet anders door de reden die door Reesink is opgegeven om de cv- en sanitairactiviteiten af te stoten. Aannemelijk is dat door de vertraagde verhuizing extra investeringen zijn gedaan om gedurende een langere periode operationeel te blijven in Zutphen, daarmee is niet gezegd dat de periode van schadeberekening in verband met gemiste marge en groei op een eerder moment dient te beginnen. De verkochte cv- en sanitairactiviteiten waren verliesgevend. Reesink was -zoals door haar zelf is gecommuniceerd- een kleine speler in een marktsegment met lage marges. Het afstoten van deze activiteiten staat los van de vertraagde verhuizing. De stelling dat een gevolg van de wanprestatie van de Gemeente was dat de cv- en sanitairactiviteiten verliesgevend waren en dat zij geen positieve bijdrage meer konden leveren aan het totaalresultaat is niet onderbouwd. In de schadeberekening dient derhalve geen rekening te worden gehouden met de gestelde gederfde omzet uit hoofde van deze activiteiten. Afnemers in de kleinhandel zijn binnen de totale doe-het-zelfmarkt het best te vergelijken met het marktsegment breedpakketzaken. In dat marktsegment is de omzetontwikkeling gedurende de gestelde schadeperiode negatief geweest, zodat een relatief groter aandeel in dit marktsegment derhalve niet positief zou hebben bijgedragen aan de potentiële omzetontwikkeling van Reesink Retail zonder de gestelde beperking van groeimogelijkheden gedurende de schadeperiode. Reesink was en is ondervertegenwoordigd in het bouwmarktsegment, dat gegroeid is ten koste van de andere marktsegmenten, een markttrend die al begin jaren negentig is ingezet. Reesink heeft niet onderbouwd dat zij haar aandeel van haar omzet in het bouwmarktsegment had kunnen vergroten indien de Reesink Retail tijdig naar Apeldoorn zou zijn verhuisd. Aangezien Reesink Retail in verhouding tot de totale doe-het-zelfmarkt sterk is ondervertegenwoordigd in het bouwmarktsegment, dient in het kader van de schadeberekening de omzet van Reesink Retail vergeleken te worden met de voor Reesink Retail relevante marktsegmenten (de MIX lijn) in plaats van met de totale doe-het-zelfmarkt. Bij gebrek aan een gedetailleerde omzetsplitsing van de zijde van Joling en De Vries hebben Beckman en Peters op een aantal punten in de bepaling van de MIX-lijn aannames moeten maken. De stelling in het rapport van Joling en De Vries van 11 december 2006 dat Reesink op de locatie Apeldoorn een geheel andere omzetverdeling -namelijk die vergelijkbaar is met die van de doe-het-zelfmarkt- nastreefde en dat dit blijkt uit recente ontwikkelingen, waarbij Reesink in gesprek is over samenwerking met inkooporganisaties die het volledige assortiment van de doe-het-zelfmarkt leveren, doet niet ter zake. Niet concrete stellingen over mogelijke samenwerkingsvormen jaren na de verzuimperiode zijn niet relevant voor een analyse van de jaren 2000 tot en met
- Sinds begin jaren negentig zijn de bouwmarktketens steeds dominanter geworden ten koste van de kleinere formules waaraan Reesink Retail met name levert. Deze algemene markttrend staat volledig los van de vertraagde verhuizing van Reesink. Er was al jaren voor de verzuimperiode (en in ieder geval vanaf 1993) sprake van een dalende trend in het marktaandeel van Reesink Retail. In de periode 1993 tot en met 1998 hebben de bouwmarkten, waarin Reesink is ondervertegenwoordigd, sterk marktaandeel gewonnen ten opzichte van de kleinere formules waaraan met name Reesink Retail levert (uit de grafiek op bladzijde 47 van het rapport van Beckman en Peters d.d. 16 oktober 2006 blijkt dat in 1999 65% van de omzet van de totale doe-het-zelfmarkt werd gerealiseerd via bouwmarkten, terwijl het aandeel van dit marktsegment in de omzet van Reesink Retail maximaal 22% bedraagt). Dit is een trend die zich in de jaren daarna alleen maar heeft voortgezet. Joling en De Vries zijn hieraan ten onrechte voorbijgegaan. Dat Reesink zonder tekortschieten door de Gemeente een marktaandeel van 2% had kunnen behouden is dus allesbehalve een conservatieve of voorzichtige aanname. Daarnaast is voor Reesink nadelig dat de rol van de groothandel als toeleverancier aan bouwmarkten is afgenomen ten gunste van producenten. Nu Joling en De Vries hebben gesteld dat Reesink Retail schade heeft geleden omdat Reesink Retail op de locatie te Zutphen niet kon meegroeien met de markt, dient de locatie te Zutphen (en niet de locatie te Apeldoorn) maatgevend te zijn voor het bepalen van de omvang van de schade. De mededeling van Joling en De Vries dat op de locatie te Zutphen minder efficiënt gewerkt kan worden dan op de locatie te Apeldoorn maakt het niet zo zeer aannemelijk dat sprake is van schade uit hoofde van gemiste marge en groei door beperking van groeimogelijkheden, dan wel dat wellicht sprake is van schade uit hoofde van gemiste efficiencyvoordelen (in de vorm van lagere kosten). In de jaren 1999 tot en met 2001 is de omzet van Reesink Retail