RECHTBANK ZUTPHEN Sector Bestuursrecht Voorzieningenrechter Reg.nr.: 09/1249 BBZ Proces-verbaal van mondelinge uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen: [verzoekster] te Zutphen, verzoekster, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen verweerder.
- Overwegingen Ingevolge artikel 8:8 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft verweerder aan verzoekster een bedrijfskrediet krachtens het Besluit bijstandsverlening 2004 (Bbz 2004) toegekend onder de voorwaarde dat de schuldsanering van verzoekster door Zuidweg en partners te Hilversum (hierna: Zuidweg) wordt uitgevoerd. Bij brief van 1 juli 2009 heeft BPJ Interim Consultancy (hierna: BPJ) namens verzoekster aan verweerder verzocht toe te staan dat het saneringstraject door BPJ van Zuidweg wordt overgenomen en afgerond. Bij brief van 7 juli 2009 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Namens verzoekster heeft mr. D.I.J. Snijders, advocaat te Tilburg, daartegen bezwaar gemaakt. Namens verzoekster is tevens verzocht om een voorlopige voorziening. Het verzoek is behandeld ter zitting van 18 augustus 2009, waar verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Snijders. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door B. Buiting. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Aan de gestelde voorwaarden in het besluit van 28 oktober 2008 heeft verweerder artikel 38, eerste lid, van het Bbz 2004 ten grondslag gelegd, waarin is bepaald dat het college bij de bijstandsverlening verplichtingen oplegt die het college nodig acht voor een doelmatige bedrijfs- of beroepsuitoefening. Nu de gestelde voorwaarde om Zuidweg de schuldsanering uit te laten voeren een onderdeel vormt van het besluit van 28 oktober 2008 en zijn grondslag vindt in het Bbz, dient de brief van 1 juli 2009, waarin feitelijk een verzoek is gedaan om wijziging van de gestelde voorwaarden in het besluit van 28 oktober 2008, opgevat te worden als een verzoek van verzoekster om een nieuw besluit te nemen in de zin van artikel 1 :3, derde lid, van de Awb. De afwijzing van dit verzoek door verweerder, zoals vervat in de brief van 7 juli 2009, moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1 :3, eerste en tweede lid, van de Awb. De voorzieningenrechter stelt vast, en zo is ter zitting bevestigd door de gemachtigde van verzoekster, dat verzoekster met de brief van 4 augustus 2009 heeft beoogd bezwaar te maken tegen het besluit van 7 juli
- Verweerder dient genoemde brief als zijnde een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 7 juli 2009 in behandeling te nemen en daarover een beslissing te nemen. Blijkens de stukken heeft Zuidweg de gegeven opdracht inmiddels teruggegeven en de schuldbemiddeling voor verzoekster beëindigd. Gelet op het spoedeisend belang, gelegen onder meer in het feit dat op 13 juli 2009 door de belastingdeunvaarder executoriaal beslag is gelegd op de inboedel van de horecaonderneming van verzoekster, met een geplande verkoop op 4 september 2009, ziet de voorzieningenrechter aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Verweerder zal worden opgedragen om binnen een week na dagtekening van deze uitspraak met verzoekster en Zuidweg te bespreken of alsnog uitvoering kan worden gegeven aan het besluit van 28 oktober 2008 en tevens om binnen 2 weken na dagtekening van deze uitspraak een beslissing te nemen op haar bezwaar. Nu het verzoek wordt toegewezen is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met haar beroep heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden 2 punten toegekend met wegingsfactor
- Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek toe; - draagt verweerder op binnen een week na dagtekening van deze uitspraak een gesprek tussen verweerder, Zuidweg en verzoekster te organiseren; - draagt verweerder op binnen twee weken na dagtekening van deze uitspraak een beslissing op het bezwaarschrift van verzoekster te nemen met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 41,00 aan verzoekster vergoedt; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 644,00 ter zake van verleende rechtsbijstand. Deze uitspraak is gedaan door mr. Tj. Gerbranda. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2009.