RECHTBANK ZUTPHEN Sector Straf Meervoudige kamer Parketnummer 06/940140-10 Uitspraak 29 december 2010 Tegenspraak – dip / oip VONNIS in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats, geboortedatum], wonende te [postcode, plaats, adres], thans gedetineerd in het huis van bewaring te Zutphen. Raadsman: mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting 15 december 2010. De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 09 april 2010 in de gemeente Zutphen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum]) van het leven te beroven, met dat opzet - voornoemde [slachtoffer] met een knuppel, althans met een steel van een bijl, in elk geval met een hard (houten) voorwerp, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het (overige) lichaam heeft geslagen en/of - (zodoende) die [slachtoffer] naar de grond heeft geslagen en/of gewerkt en/of - (vervolgens) die [slachtoffer] (terwijl hij op de grond lag) een of meermalen met (voornoemde) knuppel, althans met voornoemde steel van een bijl, in elk geval met een hard (houten) voorwerp, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het (overige) lichaam heeft geslagen en/of - die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of het (overige) lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; art 287 Wetboek van Strafrecht art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ALTHANS, dat hij op of omstreeks 09 april 2010 in de gemeente Zutphen tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon, (te weten [slachtoffer], geboren op [geboortedatum]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (ernstig hersenletsel), heeft toegebracht, door deze opzettelijk - met een knuppel, althans met een steel van een bijl, in elk geval met een hard (houten) voorwerp, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het (overige) lichaam te slaan en/of - (zodoende) die [slachtoffer] naar de grond te slaan en/of te werken en/of - (vervolgens) die [slachtoffer] (terwijl hij op de grond lag) een of meermalen met (voornoemde) knuppel, althans met voornoemde steel van een bijl, in elk geval met een hard (houten) voorwerp, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het (overige) lichaam heeft geslagen en/of - die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of het (overige) lichaam te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of te schoppen; art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht 2. hij op of omstreeks 09 april 2010 te Zutphen opzettelijk en wederrechtelijk de (voor)ruit van een woning gelegen aan de [adre[nummer], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Woningstichting/Woonbedrijf ieder1, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt; art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht. Taal- en/of schrijffouten Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [eindnoot 1] A. Vaststaande feiten / aanleiding tot het onderzoek. Aanleiding voor het onderzoek waren meerdere meldingen [eindnoot 2] bij de regionale meldkamer op 9 april 2010 omstreeks 22.15 uur over een burenconflict dat gaande was in de [straat] te Zutphen nabij perceel nummer [nummer]. Diverse politie-eenheden begaven zich ter plaatse, waar meerdere schreeuwende personen op straat werden aangetroffen en enkele vrouwen elkaar in de haren vlogen. Partijen waren moeilijk uit elkaar te halen. Een ruit van de voordeur en woonkamer van perceel [nummer] waren vernield. Twee ter plaatse aanwezige mannen, naar later bleek verdachte en [medeverdac[medeverdachte], verklaarden dat zij met messen waren gestoken en toonden snijwonden op armen en handen. In de voortuin van perceel [nummer] werd een man liggend - op zijn rug [eindnoot 3] - op de grond aangetroffen met veel bloed bij zijn hoofd. Later bleek het hier te gaan om [voornaam] [slachtoffer]. In de tuin werd een mes met zwart handvat aangetroffen en in beslag genomen (keukenmes met zwart heft, circa 25 cm lang, aangetroffen in de voortuin van perceel [adre[nummer] [eindnoot 4] ). Bij de voordeur van perceel nummer [nummer] werd een geel/bruine houten steel van ongeveer 80 centimeter aangetroffen met een rood geverfd uiteinde, mogelijk van een voorhamer of bijl. Door een van de verbalisanten werd mogelijk bloed op deze steel waargenomen en de steel is vervolgens inbeslaggenomen. B. Standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie is daarbij uitgegaan van het door haar meest aannemelijk geachte scenario, aangezien dit scenario wordt ondersteund door de meeste verklaringen in onderling verband bezien. Zij heeft zich daarbij naast de verklaring die verdachte zelf heeft afgelegd onder meer gebaseerd op de verklaringen van [medeverdachte], [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 3], [naam 5], [naam 6], [vriendin slachtoffer], [naam 8] en [naam 9]. De officier acht aannemelijk dat [voornaam slachtoffer] [slachtoffer] die bewuste dag met een mes uit zijn woning is gekomen en daarmee zwaaiende bewegingen heeft gemaakt. [slachtoffer] is vervolgens in zijn tuin of net daarbuiten op het trottoir medeverdachte [medeverdachte] tegengekomen, waarop [medeverdachte] is teruggedeinsd en tussen twee aldaar geparkeerde auto’s is komen te vallen. Vervolgens is [slachtoffer] geconfronteerd met verdachte, die met een opgeheven stok tegenover hem stond. Dat is aanleiding geweest voor [slachtoffer] om te vluchten, waarbij hij op straat achterna wordt gezeten door verdachte met de stok, gevolgd door [medeverdachte]. [slachtoffer] is op een gegeven moment teruggerend naar zijn woning, achtervolgd door verdachte via het trottoir en door [medeverdachte] via de straat. [medeverdachte] staakt de achtervolging nabij de woning van [slachtoffer], wanneer hij door [naam 5] aangesproken wordt. Verdachte heeft [slachtoffer] ter hoogte van de tuinpoort van de woning van [slachtoffer] van achteren met de stok geslagen en [slachtoffer] is hierop komen te vallen. Vervolgens heeft verdachte [slachtoffer] een aantal keren met kracht op het gezicht, hoofd en lichaam geslagen terwijl hij weerloos op de grond lag. [naam 5] is vervolgens ter plaatse gekomen en heeft verdachte een aantal malen gewaarschuwd dat hij op moest houden omdat hij [slachtoffer] anders dood zou slaan. [naam 5] heeft vervolgens de stok vastgepakt, waarna verdachte is gestopt. De officier van justitie is verder de mening toegedaan dat aannemelijk is dat [slachtoffer] op een gegeven moment met een mes voor verdachte heeft gestaan en dat dit door hem als bedreigend is ervaren voor zichzelf, zijn partner en zijn kind. In de hectische situatie van dat moment kan onder de gegeven omstandigheden dat als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding worden aangemerkt, waar verdachte zich in principe ook tegen mocht verdedigen, los van het feit dat verdachte en andere betrokkenen [slachtoffer] hadden geprovoceerd en de confrontatie hadden gezocht en een verbaal agressieve reactie zoals dat vrijwel dagelijks tussen betrokkenen gebeurde in principe meer voor de hand lag. Aangenomen kan worden dat verdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat [slachtoffer] onder invloed was van middelen en mogelijk een vuurwapen bij zich zou hebben acht de officier speculatief. De wijze van afweer die verdachte heeft gehanteerd is in de visie van de officier van justitie niet proportioneel geweest en wel vanaf het moment dat [slachtoffer] op de vlucht sloeg. Het gevaar was daarmee immers geweken. Voor zover de rechtbank die mening niet mocht zijn toegedaan, was er in ieder geval geen noodzaak tot verdediging meer nadat [slachtoffer] de eerste klap had gekregen. Daarmee heeft verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. De officier van justitie is verder van mening dat het hier niet gaat om een verontschuldigbare overschrijding, omdat niet aannemelijk is dat het gedrag van verdachte het onmiddellijk gevolg is geweest van angst en boosheid zoals door verdachte aangegeven. Angst voor een dreigende aanranding en boosheid omdat hij zich door [slachtoffer] uitgedaagd voelde voortvloeiende vanuit een al lang lopend burenconflict. Het slaan met een stok op het gezicht cq hoofd en lichaam terwijl [slachtoffer] weerloos op de grond lag afgewogen tegen de aard en ernst van de gestelde dreigende aanranding en de sfeer waarbinnen een en ander zich heeft afgespeeld is een zodanig disproportionele reactie dat deze verdachte niet kan disculperen. De onder 2 ten laste gelegde vernieling wordt door de officier eveneens bewezen geacht op basis van onder meer de bekennende verklaring van verdachte. C. Standpunt van de verdachte / de verdediging Door de raadsman is met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde een beroep gedaan op noodweerexces, voortvloeiende uit de hevige gemoedsbeweging die bij verdachte was ontstaan ten gevolge van de wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer]. Verdachte heeft de stok gepakt in de veronderstelling dat hij, [medeverdachte] en zijn partner [vriendin verdachte] en zijn zoontje werden aangevallen met een mes. Bij het gebruik van het middel is hij doorgeschoten, hij was bang en in paniek. Door de raadman is daarbij verwezen naar verschillende verklaringen van verdachte, in samenhang met opmerkingen van verbalisanten, de verklaring van de ambulanceverpleegkundige en de verklaring van [voornaam naam 5] [naam 5]. In dat verband dienen ook meegewogen te worden de eerdere bedreigingen en ruzies die hebben plaatsgevonden en de overlast die in de buurt was ontstaan sedert de komst van [voornaam slachtoffer] [slachtoffer] een jaar daarvoor. Verdachte dient daarom volgens de verdediging te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte heeft aangevoerd dat [slachtoffer] helemaal onder de drugs zat en tot alles in staat was. Bovendien was hem bekend dat [slachtoffer] regelmatig bewapend was en vuurwapens had. Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde vernieling heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. D. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank gaat bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden. In het dossier bevinden zich verschillende stukken, waaronder verklaringen van diverse personen en bescheiden, zoals hierna zakelijk en verhalenderwijs weergegeven: Verdachte heeft verklaard dat hij op 9 april 2010 met zijn vuist de ruit van de woning van [voornaam slachtoffer] [slachtoffer] kapot heeft geslagen [eindnoot 5] . Naast deze bekennende verklaring voor de hem onder feit 2 verweten vernieling is voor het bewijs daarvan voorhanden de aangifte [eindnoot 6] namens woonbedrijf Ieder1. Dat feit, voorafgaande aan het onder 1 tenlastegelegde, acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft verdachte ter terechtzitting [eindnoot 7] het feitelijk handelen in grote lijnen toegegeven. Hij heeft onder meer verklaard dat hij [slachtoffer] naar buiten zag komen met een mes en dat [slachtoffer] stekende bewegingen maakte met het mes. Hij is daarop naar zijn woning gelopen en heeft de stok, een steel van een bijl, gepakt en is vervolgens teruggelopen. Hij heeft niet gezien dat [medeverdachte] was gevallen en bedreigd door [slachtoffer]. Hij had enkel oog voor het mes dat hem door [slachtoffer] vlak voor zijn neus was gehouden en hij had het idee dat [slachtoffer] helemaal onder de drugs zat en tot alles in staat was. Hij is [slachtoffer] achterna gerend en heeft hem tijdens het rennen een klap op zijn lichaam gegeven. [slachtoffer] is gestruikeld en op de grond gevallen en hij heeft hem toen een paar keer geslagen met de stok. Hij was zo in paniek dat hij niet weet waar hij [slachtoffer] heeft geraakt, maar blijkbaar heeft hij hem op het hoofd geraakt. Op een gegeven moment was er iemand die tegen hem zei: “waar ben je mee bezig” en “dat hij moest stoppen”. Dat was [voornaam naam 5] [naam 5]. Hij kwam toen tot besef en zag wat hij had aangericht. Hij is toen gelijk gestopt en heeft de stok weggezet. Door de vriendin van [voornaam slachtoffer] [slachtoffer] is aangifte [eindnoot 8] gedaan van zware mishandeling van danwel poging tot doodslag van haar vriend [voornaam slachtoffer], geboren op [geboortedatum]. [eindnoot 9] Zij heeft - in aanvulling op een eerdere verklaring op 10 april 2010 in het Radboudziekenhuis in Nijmegen - bij de politie verklaard dat op 9 april 2010 rond 21.30 uur de buren van nummer [nummer], [vriendin verdachte] en [voornaam verdachte], samen met [medeverdachte] (zij had die naam op het politiebureau opgevangen) en zijn vriendin, bij hen voor de deur stonden te schreeuwen en dreigende taal uitten, zoals: “Kom maar naar buiten, kom maar naar beneden”. Zij was samen met [voornaam slachtoffer] boven in de woning in de voorslaapkamer. Zij hebben niet gereageerd op het geschreeuw. Zij hoorde een moment later dat er met stenen naar de ramen van de voorslaapkamer werd gegooid. [voornaam slachtoffer] heeft toen even bij het geopende slaapkamerraam naar buiten gekeken. Zij heeft niet gehoord of hij wat geroepen heeft, zij hoorde enkel het geblèr van [voornaam verdachte], [vriendin verdachte], [medeverdachte] en zijn vriendin. Zij is toen naar beneden gegaan omdat zij de politie wilde bellen, omdat zij zich bedreigd voelde. De telefoon lag dicht bij het voorraam. Toen zij beneden stond hoorde zij een grote klap en glasgerinkel. Zij heeft de politie gebeld en gemeld dat de ruiten van haar woning werden ingegooid. (Uit de uitgewerkte meldkamergesprekken [eindnoot 10] blijkt dat er op 9 april 2010 om 22.15 een melding is gedaan door [vriendin slachtoffer] bij de meldkamer dat de buren met stenen aan het gooien waren naar de woning en dat de melder behoorlijk in paniek was.) Er werd vervolgens nog een keer iets tegen het voorraam gegooid. Vervolgens hoorde zij nog een derde klap; later bleek het bovenste ruitje van de voordeur kapot te zijn. Zij is naar boven gegaan om bij de kinderen te kijken en toen zij vervolgens weer naar beneden liep zag zij dat [voornaam slachtoffer] naar de voordeur liep. Hij was woedend. Zij heeft geprobeerd hem tegen te houden toen hij bij de voordeur stond, maar hij rukte zich los en is naar buiten gelopen. Hij liep naar de groep die bij het tuinhek stond. Zij zag vanuit de deuropening dat [voornaam slachtoffer] en [voornaam verdachte] met elkaar in gevecht raakten en dat er over en weer rake klappen vielen. Op een gegeven moment zag zij dat [voornaam verdachte] een stok of knuppel in zijn hand hield en dat [voornaam slachtoffer] wegrende en [voornaam verdachte] en [medeverdachte] achter hem aan renden richting de Berkel. Zij durfde niet naar buiten te gaan omdat zij bang was. Zij had geen zicht meer op [voornaam slachtoffer] en de achter hem aanrennende mannen. Op een gegeven moment zag zij dat [voornaam slachtoffer] terug kwam rennen en bij hen in de voortuin in elkaar zakte. Zij zag dat [voornaam verdachte] er aan kwam lopen en [voornaam slachtoffer] met een knuppel van ongeveer 60 a 70 centimeter klappen gaf op zijn hoofd, armen en borst. Hij gaf [voornaam slachtoffer] een paar harde klappen op de rechterzijkant van het hoofd. [voornaam slachtoffer] trachtte zich af te weren door zijn armen omhoog te houden, maar hij had kennelijk de kracht niet meer. (onderaan pag. 286 een beschrijving van het letsel dat het slachtoffer zou hebben opgelopen: scheurtje schedel, bloedingen onder de schedel, operatief ingrijpen om druk op de hersenen te kunnen reduceren, kneuzingen en breuken in het hele gezicht, rechterarm op meerdere plaatsen gebroken, beschadiging rechter oog, gebit vernield, klaplong, rechteroor zwaar gewond). Verdachte heeft bij de politie verklaard [eindnoot 11] dat hij op de avond van 9 april 2010 samen met zijn vriendin [vriendin verdachte] [naam vriendin], [voornaam medeverdachte] en zijn vrouw [vrouw me[vrouw medeverdachte]dachte] [buurman]uurman] (wonende op nr. [nummer]) naar hun woning op nummer [nummer] liep. Hij was wat aangeschoten (4 of 5 pilsjes) en hij had van [vriendin verdachte] gehoord dat [voornaam slachtoffer] weer van die kut-muziek op had staan. Hij had daaruit begrepen dat [voornaam slachtoffer] de muziek weer te hard aan had staan en hij had [vriendin verdachte] gezegd dat hij er wel wat van zou zeggen. Hij liep met het groepje de voortuin van de woning van [vriendin verdachte] in. Het groepje was wat aan het ouwehoeren en er werd hard gepraat. Hij hoorde geen harde muziek uit de woning van de buren, [voornaam slachtoffer] en [voornaam vrouw slachto[vrouw slachtoffer]] komen. Hij was echter boos/kwaad en riep met opgezette stem dat het uit moest zijn met die rot muziek en hij anders maar naar buiten moest komen (hij bedoelde daarmee dat hij een goed gesprek met hem wilde hebben). Hij hoorde vervolgens iemand lachen en herkende daarop de stem van [voornaam slachtoffer] toen deze zei “dat is goed”. Hij zag dat [voornaam slachtoffer] daarna voor het raam van de woonkamer stond en hem stond uit te lachen. Daar werd hij kwaad om en als hij kwaad wordt kan hij verschillend reageren. Hij is toen de tuin van [voornaam slachtoffer] en [vrouw slachtoffer] ingelopen en heeft met zijn rechtervuist de voorruit ingeslagen. Hij hoorde vervolgens de voordeur opengaan en zag dat [voornaam slachtoffer] met een mes in de hand in de deuropening verscheen. Hij schrok daarvan en hoorde [voornaam slachtoffer] zeggen: Nu steek ik je”. Hij dacht dat hij hem of zijn vrouw [vriendin verdachte] of zijn zoon, die ook buiten stonden, zou steken. Hij is daarop in paniek naar zijn woning gelopen en heeft uit de gang een stok, dat wil zeggen een steel van een kloofbijl, gepakt. [voornaam slachtoffer] kwam hem achterna. Hij is vervolgens met de stok naar [voornaam slachtoffer] toegelopen, de stok met beide handen ter hoogte van zijn buik vasthoudend. Hij heeft [voornaam slachtoffer] vervolgens met een slaande beweging geslagen, hoe precies weet hij niet meer. [voornaam slachtoffer] stond op dat moment (toen hij hem voor de eerste keer sloeg >> pag. 595) op de scheiding van de stoep en zijn voortuin. Nadat hij [voornaam slachtoffer] had geraakt zag hij dat [voornaam slachtoffer] het mes nog in zijn hand hield. Hij zag dat [voornaam slachtoffer] zich in de richting van zijn huis bewoog. Hij vond dat hij [voornaam slachtoffer] moest achtervolgen omdat hij nog steeds het mes in zijn hand hield. Hij zag dat [voornaam slachtoffer] in zijn voortuin omviel en dat hij bloedde. [voornaam slachtoffer] lag op het pad met zijn hoofd richting de voordeur van zijn woning. Hij – verdachte – dacht op dat moment niets. Hij hoorde vervolgens de stem van [voornaam naam 5] [naam 5] die zei dat hij op moest houden en heeft hierop de stok weggelegd. Hij heeft [voornaam slachtoffer] geslagen uit zelfverdediging. [voornaam naam 5] riep tegen hem: “Het is genoeg jongen” en op dat moment schrok hij van al het bloed. Hij had [voornaam slachtoffer] toen een paar keer geslagen . [eindnoot 12] Op 11 april 2010 heeft verdachte tegenover de politie verklaard [eindnoot 13] dat [voornaam slachtoffer] hem vermoedelijk met het mes op zijn rug heeft geraakt (verbalisanten zien een wondje met een korstje aan de linkerzijde van de rug ter hoogte van het midden met een doorsnee van ongeveer 4 mm). Hij had het eerder niet bemerkt. Verdachte heeft ook een sneetje geconstateerd in de middelvinger van zijn rechterhand, waarvan hij denkt dat het door het mes is ontstaan. (verbalisant [naam] zag dat het om een oppervlakkige snee van ongeveer 1 cm op het topje van de middelvinger van de rechterhand ging). Verdachte heeft verder nog verklaard [eindnoot 14] dat hij – aan het begin – een schop tegen de (voor)deur heeft gegeven. [medeverdachte] heeft verklaard [eindnoot 15] dat hij die dag samen met zijn vriendin [vrouw medeverdachte], [voornaam verdachte] [achternaam verdachte] en zijn vriendin [vriendin verdachte] en [buurman] in de richting van de woning van [voornaam verdachte] liep. Onderweg zag hij dat de buurjongen van [voornaam verdachte] boven uit het raam van zijn woning wat schreeuwde, hij weet niet wat en tegen wie dit was gericht. [voornaam verdachte] en [vriendin verdachte] reageerden daarop door terug te schreeuwen. [voornaam verdachte] riep iets in de trant van: “Dan moet je er uit komen als je zo’n grote bek hebt” en er werd gescholden door [naam vrouw medeverdachte], [voornaam verdachte] en [vriendin verdachte], “dan moet je er uit komen kankerlijder, kankerhoer” en andere ziektes. [voornaam verdachte] reageerde aardig opgefokt. [medeverdachte] heeft vervolgens verklaard dat er ruzie en een scheldpartij ontstond tussen [vrouw medeverdachte] en [vriendin verdachte] en de buurvrouw van nr. [nummer], [naam 3], zodanig dat [naam 3] met een groot mes naar buiten kwam. De buurjongen zat de ruzie tussen de vrouwen op te ruien. Wat hij precies zei weet hij overigens niet. Hij zag dat [voornaam verdachte] zich behoorlijk opwond over de buurjongen. [voornaam verdachte] liep naar de voordeur van de woning van de buurjongen en hij hoorde dat [voornaam verdachte] zei: “Kom maar eens naar buiten toe”. Hij zag dat [voornaam verdachte] tegen de ruit van de deur schopte en dat de ruit kapot ging. Ook zag hij dat [voornaam verdachte] (met zijn vuist >> pag. 578) op de voorruit van de woning sloeg en dat de voorruit kapot ging. Hij – [medeverdachte] – zei dat ze beter naar binnen konden gaan, want er kwamen al meerdere mensen in de buurt naar buiten op het lawaai af. [voornaam verdachte] maakte daarop aanstalten om naar zijn woning te gaan en getuige liep in de richting van [vriendin verdachte] en [vrouw medeverdachte]. Toen hij ter hoogte was van het tuinpad van de buurjongen ging daar de voordeur open en kwam de buurjongen met een mes in de hand op hem afgestormd en maakte een stekende beweging in zijn richting. Hij is daarop achteruit gestapt en daarbij komen te vallen tussen twee daar geparkeerde auto’s. De buurjongen maakte meerdere stekende bewegingen in zijn richting, maar hij kon hem van zich af houden door met zijn benen te trappen. De buurjongen ging ineens rechtop staan en rende weg. Hij zag dat [voornaam verdachte] achter hem aanrende en dat [voornaam verdachte] iets in zijn hand had, hij dacht een knuppel. Hij merkte dat [vriendin verdachte] en [vrouw medeverdachte] weer in de richting van de woning van [vriendin verdachte] waren gelopen. Hij hoorde [vrouw medeverdachte] roepen dat hij op moest staan en de kinderen mee moest nemen naar de woning van [vriendin verdachte]. Hij heeft toen de kinderen bij de hand genomen en is de woning binnen gegaan. [voornaam medeverdachte] [medeverdachte] heeft bij de rechter-commissaris verklaard [eindnoot 16] dat hij samen met [voornaam verdachte] in de woning van overbuurman [buurman] was geweest. De buurjongen [voornaam slachtoffer] kwam vervolgens met één of twee messen naar buiten gelopen. Hij stond op de stoep en de buurjongen kwam op hem afgerend. Hij is daarop naar achteren gelopen en is toen tussen de auto’s op de grond gevallen. [voornaam slachtoffer] had hem toen al geraakt, want hij had een wond op zijn hand. Terwijl hij op de grond lag wilde [voornaam slachtoffer] hem nog verder steken, maar toen kwam [voornaam verdachte] achter hem (getuige) vandaan en is achter [voornaam slachtoffer] aangerend. Hij heeft niet gezien wat [voornaam verdachte] heeft gedaan. Hij (getuige) was in shock; zijn vriendin schreeuwde dat hij was gestoken en dat de kinderen van straat moesten. Bedoelde overbuurman [buurman] [naam] heeft verklaard [eindnoot 17]– over het drankgebruik – dat hij samen met [voornaam verdachte], [vriendin verdachte], [voornaam medeverdachte] en diens vriendin 18 halve liters flessen Heineken en een kratje Jupiler heeft opgedronken; [vriendin verdachte] drinkt hooguit één biertje mee. Hij heeft naar zijn zeggen van het gebeuren weinig meegekregen. Hij heeft wel gezien dat [vriendin verdachte] en [voornaam medeverdachte]s vriendin ruzie hadden met de jongen die voor het raam stond bij nummer [nummer]. Ze scholden op elkaar en de vrouw van nummer [nummer] ([voornaam naam 3]) kwam ook naar buiten. [voornaam verdachte] en [voornaam medeverdachte] renden van zijn woning – getuige woont op nummer [nummer] – naar de overkant. Op het moment dat hij zelf naar de woning nummer [nummer] liep, hoorde hij glasgerinkel. Toen hij het tuinpad opliep bij nummer [nummer], zei [voornaam verdachte] tegen hem dat hij naar binnen moest gaan. [voornaam verdachte] stuurde hem naar binnen en toen zag hij ineens die gozer op het tuinpad van nummer [nummer] liggen. [voornaam naam 3] [naam 3] heeft verklaard [eindnoot 18] dat zij die dag rond 21.45 uur een hoop geschreeuw hoorde. Dat geschreeuw kwam bij [vriendin verdachte] en [voornaam verdachte] vandaan, zij stonden samen met [voornaam medeverdachte] en [vrouw medeverdachte] in de voortuin van hun woning. Korte tijd daarna hoorde zij glasgerinkel. Zij wilde weten wat er aan de hand was en heeft de voordeur opengedaan van haar woning op nummer [nummer]. Zij zag [voornaam medeverdachte] bij de heg in de voortuin van [vriendin verdachte] en [voornaam verdachte] stond en hij gaf aan waar zij zich mee bemoeide. Zij zag dat haar zoontje naar beneden kwam lopen. Haar op bezoek zijnde vriendin [voornaam naam 6] [naam 6] had gezien dat [voornaam slachtoffer] klappen had gekregen en zij heeft haar zoontje toen opgepakt en is met hem naar boven gegaan. Toen zij ook naar boven wilde gaan hoorde zij [vrouw slachtoffer] hysterisch naar haar gillen. Zij is daarop naar buiten gegaan en zag [voornaam slachtoffer] om haar voor haar deur geparkeerde auto heen rennen achtervolgd door [vriendin verdachte], [voornaam verdachte], [voornaam medeverdachte] en [vrouw medeverdachte]. [voornaam verdachte] had een honkbalknuppel in zijn handen in een slaghouding. Bij het hekje van zijn voortuin kreeg [voornaam slachtoffer] van [voornaam verdachte] een knal met de knuppel op zijn achterhoofd. [voornaam slachtoffer] viel gelijk in elkaar op het pad in zijn voortuin (hoofd richting voordeur en voeten richting trottoir. Zij zag vervolgens dat [voornaam verdachte] een aantal malen op het hoofd van [voornaam slachtoffer] insloeg, het bloed spoot uit zijn oren. Zij heeft daarop in paniek een broodmes gepakt en is daarmee naar buiten gevlogen en is bij [voornaam slachtoffer] gaan staan, tussen [voornaam slachtoffer] en de anderen – [voornaam verdachte], [voornaam medeverdachte], [vriendin verdachte] en [vrouw medeverdachte] – in. [vrouw slachtoffer] zat in shock bij [voornaam slachtoffer], onder het bloed. Pas toen de ambulancebroeders kwamen, kwam [voornaam slachtoffer] een beetje bij. Zij zag [voornaam verdachte] weglopen met de knuppel in zijn hand. [voornaam verdachte] is de enige die [voornaam slachtoffer] heeft geslagen. [voornaam medeverdachte] heeft [voornaam slachtoffer] niet aangeraakt. De bewoonster van perceel [nummer] heeft verklaard [eindnoot 19 ] dat zij zag dat [voornaam verdachte], zijn vrouw en een haar onbekende man en vrouw de voortuin van nummer [nummer] in renden. De onbekende vrouw gaf een karatetrap tegen de voordeur en trapte de bovenste ruit er uit en [voornaam verdachte] sloeg met zijn vuist het raam van de voorkamer in. De bewoner van nummer [nummer] kwam boos naar buiten met een mes in zijn hand. De vier personen waren al iets achteruit gelopen. Plotseling ontstond er een vechtpartij, naar haar idee tussen die bewoner en [voornaam verdachte]. [voornaam naam 6] [naam 6] heeft verklaard [eindnoot 20] dat zij die avond op bezoek was bij [voornaam naam 3]. Zij hoorde glasgerinkel en hoorde kort daarop een hoop geschreeuw op straat. Zij heeft met [voornaam naam 3] vanuit de deuropening staan kijken. Zij zag dat [voornaam verdachte], [voornaam medeverdachte] [medeverdachte], [vriendin verdachte] en haar zoon en de vrouw van [voornaam medeverdachte] bij de heg stonden in [voornaam verdachte]s tuin. Zij zag dat ze naar boven keken. Toen [voornaam naam 3] vroeg of het wat zachter kon, kreeg zij van [voornaam medeverdachte] [medeverdachte] te horen “dat zij haar kankerbek moest dichthouden” en “Pas op anders pak ik jou ook even”. Zij is daarop naar binnen gegaan en toen zij weer naar buiten ging, zag zij dat [voornaam verdachte] het woonkamerraam bij [voornaam slachtoffer] en [vrouw slachtoffer] ingooide. Zij is daarop weer de woning binnengegaan en toen zij vervolgens weer naar buiten kwam zag zij [voornaam slachtoffer] in zijn eigen tuin op de stoep liggen. Zij zag bloed bij zijn hoofd en is er gelijk heengelopen. Zij heeft zich over [voornaam slachtoffer] gebogen. Zij hoorde dat hij kreunde, maar meer ook niet, zij kreeg geen reactie. Zij zag dat zijn hoofd aan de rechterkant helemaal onder het bloed zat. [vrouw slachtoffer] zat eveneens geknield bij [voornaam slachtoffer]. Er spoot bloed uit het gezicht van [voornaam slachtoffer], vooral uit zijn oor. Vanuit haar ooghoek zag zij [voornaam verdachte] aankomen met een (honkbal)knuppel in zijn hand. Zij probeerde [voornaam slachtoffer] af te schermen en riep [voornaam verdachte] toe dat hij moest kappen. [voornaam verdachte] stoof gewoon door en zij is toen bang aan de kant gesprongen. Zij zag dat [voornaam verdachte] de knuppel eerst in de ene hand hield en toen hij haar voorbij was omhoog haalde en toen met grote kracht tegen het gezicht van [voornaam slachtoffer] sloeg en op zijn achterhoofd raakte. Zij zag dat [voornaam verdachte] na die slag met zijn rechtervoet tegen het bovenlichaam van [voornaam slachtoffer] schopte. Zij zag dat hij daarna de knuppel met twee handen beetpakte en [voornaam slachtoffer] een aantal malen vol in het gezicht sloeg. Een dikke jongen kwam ter plekke en riep dat iedereen kalm aan moest doen. Hij was ineens verdwenen. [voornaam naam 6] [naam 6] (zij was die avond op bezoek bij [voornaam naam 3] op nummer [nummer]) heeft bij de rechter-commissaris verklaard [eindnoot 21] dat zij [voornaam slachtoffer] zag op het moment dat [voornaam slachtoffer] zijn voortuin (nummer [nummer]) in liep en daar in elkaar zakte. Zij is er toen heen gegaan. [vrouw slachtoffer] zat gehurkt bij [voornaam slachtoffer] en schreeuwde heel hard. [voornaam slachtoffer] haalde heel raar adem. Vanuit haar ooghoek zag zij [voornaam verdachte] aankomen met een knuppel in zijn handen. Zij is toen voor [voornaam slachtoffer] gaan staan om [voornaam verdachte] de doorgang te belemmeren. [medeverdachte] was op dat moment met [voornaam naam 3] aan het bakkeleien. Zij (getuige) werd weggeduwd door ‘Dikke [voornaam naam 5]” ([naam 5]*), zodat zij geen klap van [achternaam verdachte] zou krijgen. [voornaam naam 5] ving de eerste klap op en is vervolgens via het huis van [voornaam slachtoffer] en [vrouw slachtoffer] weggegaan. Zij was geschrokken van de duw die zij had gekregen. Toen zo vervolgens opkeek, zag zij [voornaam naam 3] met een mes haar huis uitkomen. Op dat moment was [voornaam verdachte] [voornaam slachtoffer] aan het slaan met de knuppel. [voornaam naam 3] heeft met het mes staan zwaaien in de nabijheid van [voornaam verdachte]. [voornaam naam 3] [naam 3] heeft bij de rechter-commissaris verklaard [eindnoot 22] dat zij [vrouw slachtoffer] in paniek haar naam hoorde schreeuwen. Zij is toen naar buiten gegaan en zag [voornaam slachtoffer] om haar auto heen rennen de stoep op. [voornaam verdachte] en [voornaam medeverdachte] renden achter hem aan. Toen gaf [voornaam verdachte] hem een klap op zijn nek en [voornaam slachtoffer] viel tussen haar tuinpad en dat van hemzelf. Na die eerste klap was [voornaam slachtoffer] meteen weg d.w.z. hij viel voorover en bleef liggen. [voornaam verdachte] ging toen goed staan en sloeg [voornaam slachtoffer] een aantal keren op zijn hoofd. Zij heeft toen van angst in haar broek geplast, is haar woning binnen gerend en heeft het grootste mes gepakt dat zij kon vinden en is daarmee naar buiten gegaan. Zij kwam toen [voornaam medeverdachte] op haar pad tegen en zij heeft het mes naar voren gehouden en geschreeuwd: “weg hier”. Zij heeft [voornaam medeverdachte] niet geraakt met het mes, hij sprong weg. Daarna is zij over het hekje (van de tuin van [voornaam slachtoffer]) gesprongen en is vlak voor [voornaam verdachte] gaan staan. Toen hij het mes zag is [voornaam verdachte] opzij gesprongen. Op het moment dat zij naar buiten kwam was hij ook nog steeds aan het slaan op [voornaam slachtoffer]. [voornaam naam 5] [naam 5] heeft verklaard [eindnoot 23] dat hij die avond rond 22.00 uur ter hoogte van de [straatnaam] vrouwen in paniek hoorde gillen. Hij herkende de stemmen van [voornaam naam 3] [naam 3] en [voornaam vrouw slachto[vrouw slachtoffer]] de vrouw van [voornaam slachtoffer]. Hij was aan het begin van de straat en zag dat [voornaam slachtoffer] achterna werd gezeten door [voornaam verdachte] en [voornaam medeverdachte]. [voornaam verdachte] had een dikke stok/balk in zijn handen. Hij schreeuwde dat ze [voornaam slachtoffer] met rust moesten laten. [voornaam medeverdachte] riep hem iets toe in de trant dat [voornaam slachtoffer] op hem (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.