ECLI:NL:RBZUT:2010:BP7432
vonnis RECHTBANK ZUTPHEN Sector Civiel – Afdeling Handel zaaknummer / rolnummer: 109265 / HA ZA 09-1582 Vonnis van 22 december 2010 in de zaak van [eiseres], wonende te [plaats], eiseres, advocaat mr. M.J. Meijer te Haarlem, tegen [gedaagde], wonende te [plaats], gedaagde, advocaat mr. M. van Kan te Zutphen.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2.2. In artikel 4:190 BW is bepaald dat een erfgenaam een nalatenschap kan aanvaarden of verwerpen. Een aanvaarding kan zuiver geschieden of onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Een eenmaal gedane keuze is (op een hier niet aan de orde zijnde uitzondering na) onherroepelijk.
In artikel 4:191 BW is voorgeschreven dat de in artikel 4: 190 BW bedoelde keuze wordt gedaan door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring ter griffie van de rechtbank van het sterfhuis.
2.3. De verklaringen van de kleinkinderen betreffende de nalatenschap van [moeder], zoals door [eiseres] in het geding gebracht, zijn, - anders dan de door haar overgelegde verklaring van deze (klein)kinderen betreffende de nalatenschap van [moeder] -, niet ter griffie van de rechtbank afgelegd. De eigen verklaringen zijn, naar mag worden aangenomen, dan ook niet ingeschreven in het boedelregister, zoals in artikel 4:191 BW is bepaald. De eigen verklaringen leiden er niet toe dat de kleinkinderen de nalatenschap van (groot)[moeder] beneficiair hebben aanvaard.
2.4. Gesteld noch gebleken is, dat [gedaagde] een verklaring als bedoeld in artikel 4:191 BW heeft afgelegd, noch een verklaring tot zuivere aanvaarding, noch een verklaring tot aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving, danwel tot verwerping. In artikel 4:192 BW is bepaald dat een erfgenaam de nalatenschap zuiver aanvaardt indien de hij zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbend erfgenaam gedraagt. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de erfgenaam beheersdaden verricht of aan schuldeisers doet blijken dat hij de schulden der nalatenschap voor zijn rekening neemt. Beheersdaden, verricht in de eerste drie maaden na het overlijden van de erflater, worden niet aangemerkt als daden waaruit een zuivere aanvaarding blijkt (artikel 4:185 BW) 2.5. Nu [eiseres] de vordering instelt tegen [gedaagde], dient zij te stellen, te onderbouwen en, zo nodig, te bewijzen dat in elk geval [gedaagde] de nalatenschap heeft aanvaard. Deze onderbouwing ontbreekt. [gedaagde] erkent de uitvaartkosten voldaan te hebben, deels uit eigen middelen omdat het saldo van de bankrekening van [moeder] daartoe ontoereikend was. Zij betwist handelingen verricht te hebben die zouden leiden tot het aanvaarden van de nalatenschap. Aangenomen mag worden dat het voldoen van de uitvaartkosten valt onder de beheersdaden in de eerste drie maanden na het overlijden, zodat daaruit niet geconcludeerd kan worden dat [gedaagde] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard.
2.6. [eiseres] heeft op geen enkele wijze geconcretiseerd dat [gedaagde], zoals [eiseres] stelt, ‘zich van erflaatster goederen, (waaronder banksaldi) heeft toegeëigend en de nalatenschap naar eigen goeddunken met schuldeisers, fiscus en zichzelf heeft afgewikkeld’. Gelet op de betwisting door [gedaagde] is de enkele, herhaalde, stelling van [eiseres] dat [gedaagde] zich heeft gedragen als een zuiver aanvaard hebbend erfgenaam onvoldoende.
Nu in deze procedure niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] de nalatenschap heeft aanvaard, kan de vordering van [eiseres] niet worden toegewezen.
2.7. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2010.