beslissing RECHTBANK ZUTPHEN Sector Straf Meervoudige kamer Parketnummer: 06/060119-04 Raadsvrouw: W. Mijnders, advocaat te Amersfoort Op 19 mei 2011 is ter griffie van deze rechtbank ingediend een vordering gedateerd 19 mei 20 II van de officier van justitie in dit arrondissement, strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling van: [veroordeelde], geboren te [plaats, 1972], thans verblijvende in FPC De Rooyse Wissel te Oostrum, met een termijn van één jaar. De maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd bij vonnis van deze rechtbank van 26 november 2004, ingegaan op 6 juli 2005 en laatstelijk verlengd bij beslissing van deze rechtbank van 14 juli
- De vordering is op de openbare terechtzitting behandeld door de rechtbank op 22 juli 2011 en op 9 september
- Van deze beide behandelingen is proces-verbaal opgemaakt. De rechtbank heeft de stukken bezien, waaronder: • een verlengingsadvies van het Forensisch Psychiatrisch Centrum De Rooyse Wissel, gedateerd 7 mei 2011, opgemaakt door drs. A.G. Miedema, hoofd behandeling, dr. KJ. Simis, psychiater en drs. H.M. van Brussel, locatiedirecteur organisatie en plaatsvervangend hoofd van de inrichting; • een afschrift van de wettelijke aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van betrokkene; • een Pro Justitia rapportage gedateerd 14 mei 2011, opgemaakt door P.K. Kristensen, gezondheidspsycholoog; • een Pro Justitia rapportage gedateerd 3 mei 2011, opgemaakt door J.L.M. Dintjens, psychiater; • een reclasseringsadvies gedateerd 8 september
- opgemaakt door G. Wilbers, reclasseringswerker en mede ondertekend door I. Idserda, leidinggevende. Motivering De raadsman en betrokkene hebben zich bij de behandeling van de vordering aanvankelijk op het standpunt gesteld dat de maatregel ter beschikkingstelling dient te worden beëindigd. nu er sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling. Bij de behandeling ter terechtzitting van 22 juli 2011 is door betrokkene uiteindelijk verzocht de zaak voor drie maanden aan te houden teneinde de kliniek waar hij thans verblijft in de gelegenheid te stellen de mogelijkheden van begeleiding van hem te onderzoeken, bij het einde van de maatregel. Ter terechtzitting voornoemd is besloten zes
(6)weken na de behandeling ter zitting een tussentijdse terechtzitting te plannen zodat de ontwikkelingen tot dan toe betreffende een mogelijk begeleidingstraject van betrokkene bij einde van de maatregel, zouden kunnen worden besproken. Bij de behandeling ter terechtzitting van 9 september 2011 heeft betrokkene zich vervolgens op het standpunt gesteld dat hij niet langer aanhouding van de zaak wenst, maar een beslissing op de vordering wenst. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij gelet op de uitspraak van het gerechtshof Arnhem van 30 mei 2011, LJN BQ6616, niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vordering, dan wel dat de vordering dient te worden afgewezen. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. De vordering is binnen de in artikel 5090 van het Wetboek van Strafvordering vermelde termijn ingediend. De rechtbank acht de officier van justitie derhalve ontvankelijk in haar vordering en zal overgaan tot de beoordeling van de materiële toewijsbaarheid van de vordering. De rechtbank stelt vast dat de maatregel terbeschikkingstelling bij vonnis van deze rechtbank van 26 november 2004 conform de wettelijke voorschriften vermeld in artikel37a eerste lid van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd. Vast is komen te staan dat bij betrokkene ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Het door betrokkene begane feit, te weten bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, is een misdrijf omschreven in artikel 285, eerste lid. De rechtbank was voorts van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege vereiste. Artikel 38e, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht schrijft voor dat de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling een periode van vier jaar niet te boven gaat, tenzij de terbeschikkingstelling is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Nu er in casu sprake is geweest van een tweetal verbale bedreigingen, zonder dat deze voorafgegaan, vergezeld, of gevolgd zijn door niet-verbaal handelen dat naar zijn aard agressief was jegens de bedreigde, is naar het oordeel van de rechtbank aan betrokkene de maatregel ter beschikkingstelling niet opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 38e. eerste lid voornoemd. De rechtbank verwijst volledigheidshalve naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem van 30 mei 2011. UN BQ6616. Gelet hierop is ingevolge deze wettelijke bepaling de duur van de opgelegde maatregel beperkt tot vier jaar. Nu de maatregel is ingegaan op 6 juli 2005. is deze termijn van vier jaar inmiddels verstreken en staat de wet de gevorderde verlenging van de maatregel niet toe. Reden waarom de rechtbank niet in zal gaan op de bespreking van de uitgebrachte adviezen betreffende de vordering tot verlenging van de maatregel. De rechtbank zal gelet op het voorgaande de vordering van de officier van justitie afwijzen. Beslissing: De rechtbank wijst af de vordering van de officier van justitie. Deze beslissing is gegeven door mrs. Van Valderen, voorzitter, Ouweneel en Edelenbos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Banga, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 september 2011.