RECHTBANK ZUTPHEN Sector Straf parketnummer: 06/124203-10 vonnis van de meervoudige kamer van 20 november 2012 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren op [1957 te plaats], wonende te [plaats, adres]. Raadsvrouwe: mr. Van Spanje, advocaat te Amsterdam. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van de politierechter van 9 maart 2011 en, na verwijzing naar de meervoudige kamer, op de terechtzitting van 6 november 2012, op welke zittingen de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel [slachtoffer] heeft mishandeld; feit 2: [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd dan wel [slachtoffer] door geweld/een feitelijkheid/bedreiging met geweld/bedreiging met een feitelijkheid, gericht tegen [slachtoffer], wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen/niet te doen/te dulden. 3 Voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. 4 Ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging De raadsvrouwe heeft als preliminair verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de verdere vervolging. Volgens de raadsvrouwe had de verdere vervolging ingeleid moeten worden met een dagvaarding in plaats van een oproeping van verdachte. De rechtbank stelt vast dat ter terechtzitting van 11 oktober 2010 de politierechter, na het verlenen van verstek, de behandeling van de zaak heeft aangehouden om de dagvaarding ook nog op een ander bekend adres van verdachte aan te bieden. Op 9 maart 2011 heeft de politierechter de behandeling van de zaak vervolgens voor onbepaalde tijd aangehouden en verwezen naar de meervoudige kamer. Bij vonnis van de meervoudige kamer van 24 juli 2012 is de oproeping van verdachte nietig verklaard. Ingevolge artikel 377, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt de zaak bij een verwijzing door de politierechter op de bestaande tenlastelegging voor de meervoudige kamer aanhangig gemaakt door aanzegging of oproeping van de verdachte. Omdat tegen de verdachte verstek is verleend en omdat de politierechter de zaak heeft verwezen naar de meervoudige kamer, is de rechtbank van oordeel dat thans met de oproeping van de verdachte de juiste, wettelijk voorgeschreven, procedure is gevolgd. Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging, is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 5 De beoordeling van het bewijs 5.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 subsidiair en feit 2 primair heeft begaan. Met betrekking tot feit 2 primair stelt de officier van justitie het volgende. Aangever was rond 15:30 uur à 16:00 uur in de woning van verdachte. Rond 21:00 uur à 21:15 uur heeft hij de woning samen met verdachte verlaten en rond 23:30 uur is aangever bij zijn tante aangekomen. Aangever is van zijn vrijheid beroofd. Hij zat op de grond in de woning van verdachte en kon daar niet weg. Hoewel er twijfel is of de achterdeur op slot was, zat aangever wel vast en had hij angst. Voor wederrechtelijke vrijheidsberoving hoeft van opsluiting geen sprake te zijn. Verschillende getuigen hebben verklaard dat aangever een hele tijd op de grond heeft gezeten. Aangever was tegen zijn wil in de woning aanwezig. Vervolgens is hij in de auto gezet en door verdachte weggebracht. Hoewel verdachte dit ontkent, verklaren [naam] en aangever dat aangever en verdachte gezamenlijk de woning hebben verlaten. Volgens de officier van justitie kan feit 2 primair wettig en overtuigend bewezen worden. Volgens de officier van justitie dient verdachte van feit 1 primair te worden vrijgesproken, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte aangever met een stalen buis heeft geslagen. De enkele verklaring van aangever en de verklaring van een verbalisant over het bij verdachte geconstateerde letsel, zijn hiervoor volgens de officier van justitie onvoldoende. 5.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1 primair en feit 2 primair en subsidiair. Met de officier van justitie stelt de raadsvrouwe zich op het standpunt dat verdachte van feit 1 primair dient te worden vrijgesproken. Behalve de verklaring van aangever bevat het dossier geen enkel bewijs voor (het gebruik van) een slagwapen. Er zijn geen getuigen van de mishandeling en verdachte heeft stellig ontkend een wapen te hebben gebruikt. Bovendien is er geen slagwapen in beslag genomen. Uit de foto's in het dossier is volgens de raadsvrouwe van slechts beperkt letsel gebleken. Aangever heeft de nodige blauwe plekken en een sneetje onder zijn neus. Was aangever daadwerkelijk meermalen met een stalen buis geslagen, dan was het letsel zonder twijfel aanzienlijker geweest. Verdachte heeft eenmaal met de vuist geslagen. Deze handeling, tenlastegelegd onder 1 subsidiair, kan volgens de raadsvrouwe enkel worden gekwalificeerd als een eenvoudige mishandeling. Ook het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde kan volgens de raadsvrouwe niet wettig en overtuigend worden bewezen. Niemand ondersteunt de verklaring van aangever dat hij tegen zijn wil in de auto heeft gezeten, terwijl verdachte heeft ontkend. Meerdere personen zijn de huiskamer binnengekomen terwijl de deuren volgens aangever tijdens zijn aanwezigheid op slot zouden hebben gezeten. Dat deel van aangevers verklaring kan niet juist zijn. Volgens vaste jurisprudentie hoeft de ruimte niet afgesloten te zijn om van wederrechtelijke vrijheidsberoving te kunnen spreken; het voortdurend in iemands aanwezigheid verblijven zodat iemand wordt belemmerd het pand of bijvoorbeeld een auto te verlaten kan op zichzelf al voldoende zijn. In dat geval moet er echter wel sprake zijn van andere omstandigheden, zoals geweld of bedreigingen, die de conclusie van vrijheidsberoving ondersteunen (LJN: AP8396). Volgens de raadsvrouwe is hiervan in dit geval, mede gelet op de getuigenverklaringen, geen sprake. De door aangever gestelde autorit kan evenmin worden bewezen en ook voor de bedreigende woorden die verdachte zou hebben gebruikt, is geen bewijs voorhanden. Er is evenmin bewijs voor het op slot zitten van de door aangever bedoelde deur(en). Er zijn volgens de raadsvrouwe geen andere omstandigheden op grond waarvan geoordeeld kan worden dat aangever in de woonkamer is vastgehouden. Dat een getuige het gevoel had dat aangever er niet graag was, is in elk geval onvoldoende om verdachte te veroordelen voor wederrechtelijke vrijheidsberoving dan wel voor dwang, zodat verdachte van feit 2 dient te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouwe. 5.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak feit 1 primair Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van feit 1 primair. De aangifte van [slachtoffer] inhoudende dat hij met een stalen buis door verdachte op zijn hoofd is geslagen, wordt niet of in ieder geval onvoldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken. Vrijspraak feit 2 primair en feit 2 subsidiair De rechtbank zal verdachte eveneens vrijspreken van feit 2 primair en feit 2 subsidiair. De aangifte wordt, voor zover zij ziet op het ten laste gelegde onder 2 primair en subsidiair, onvoldoende ondersteund door andere zich bij de processtukken bevindende bewijsmiddelen. Er is niet of in elk geval onvoldoende komen vast te staan op welke manier aangever tegen zijn wil is gedwongen om in de woning aanwezig te zijn. Er is bovendien slechts één aanwijzing, de verklaring van [naam], dat aangever samen met verdachte met de auto zou zijn vertrokken. Dat aangever naar eigen zeggen tegen zijn wil op de grond heeft gezeten, is zonder meer niet voldoende om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen. Zo is er geen bewijs voorhanden dat tegen aangever is gezegd dat hij op de grond moest zitten en de woning niet mocht verlaten. De woorden 'als je aangifte gaat doen dan zal ik hetzelfde bij je ouders doen als bij jou is gebeurd', die aangever nadat hij bij verdachte uit de auto zou zijn gestapt zouden zijn toegevoegd, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet redengevend zijn voor een eventuele daaraan voorafgaande vermeende wederrechtelijke vrijheidsberoving. Gebruikte bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 subsidiair Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2012; en - de aangifte van [slachtoffer]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.