vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Handelsrecht Breda zaaknummer / rolnummer: C/02/255700 / HA ZA 12-717 Vonnis van 18 december 2013 in de zaak van 1 [eiser sub 1], wonende te [woonplaats], 2. [eiser sub 2], wonende te [woonplaats], eisers, advocaat mr. R.S. Namjesky, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BRAND BIERBROUWERIJ BV, gevestigd te Wijlre, gedaagde, advocaat mr. Ch.Y.M. Moons. Partijen zullen hierna [eiser] (mannelijk enkelvoud) en Brand genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 24 april 2013 en alle daarin reeds genoemde stukken; het proces-verbaal van comparitie van 26 augustus 2013; de akte zijdens [eiser]; de antwoordakte van Brand. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Het geschil 2.1. [eiser] vordert samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Brand te veroordelen tot betaling van: een bedrag van € 37.500,- uit hoofde van borgtocht, te vermeerderen met wettelijke (handels)rente; een bedrag van € 1.122,16 aan vergoeding ex artikel 7:856 lid 2 BW, te vermeerderen met wettelijke rente; een bedrag van € 1.788,- aan buitengerechtelijke (incasso)kosten, te vermeerderen met wettelijke rente; de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 2.2. Brand voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3De beoordeling 3.1. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties, wordt uitgegaan van de volgende feiten. Met ingang van 1 december 2009 heeft [eiser] aan Santé Group BV (hierna Santé) verhuurd de bedrijfsruimte gelegen aan de D. Batenburg 76 te (4837 BR) Breda. [eiser], Santé en Brand hebben een overeenkomst van borgtocht gesloten, ondertekend op 9 februari 2010, waarin - voor zover thans van belang - staat vermeld: “1.1. De brouwerij [Brand, toevoeging Rb] verklaart zich tegenover de verhuurder [[eiser], toevoeging Rb] en ten behoeve van de huurder [Santé, toevoeging, Rb] tot borg te stellen voor de richtige betaling van de door de huurder uit hoofde van de huurovereenkomst aan de verhuurder verschuldigde huurtermijnen, een en ander voor een periode van 5 (vijf) jaar, ingaande 1 september 2009 (tweeduizend negen) en tot een maximumbedrag, ongeacht eventueel regres, van € 37.500,00 (zevenendertigduizend vijfhonderd euro). 1.2. Ingeval de brouwerij wordt aangesproken tot gehele of gedeeltelijke uitbetaling van het bedrag van de borgstelling, verplicht de huurder zich het door de brouwerij aan de verhuurder betaalde bedrag op eerste verzoek aan de brouwerij te voldoen. 1.3. De verhuurder verbindt zich, indien de huurder in gebreke is gebleven met de betaling van 2 (twee) huurtermijnen, de brouwerij daarvan binnen 1 (een) maand na de vervaldatum van de laatste betreffende termijn schriftelijk in kennis te stellen en alsdan op eerste schriftelijk verzoek van de brouwerij alle door haar gewenste (rechts)maatregelen tegen de huurder te nemen. Bij gebreke van een zodanige kennisgeving zal de borgstelling voor die betreffende termijn zijn vervallen. 1.4. Onverminderd het in artikel 1.3. bepaalde machtigt de verhuurder hierdoor de brouwerij onherroepelijk om, in geval de brouwerij uit hoofde van de borgstelling tot betaling is aangesproken en de brouwerij dit mocht wensen, namens de verhuurder en op diens kosten alle in het vorige artikel bedoelde maatregelen te nemen.” In de overeenkomst van borgtocht staat onder het kopje “Pandrecht” vermeld: “2.1. De verhuurder verklaart zich er mee bekend dat door de huurder aan de brouwerij een pandrecht op de bedrijfsgoederen is verleend. Ingeval de huurovereenkomst om welke reden ook eindigt of het gehuurde moet worden ontruimd, dient de brouwerij daarvan in kennis te worden gesteld. Zolang de brouwerij geen afstand heeft gegaan van de bedrijfsgoederen, mogen deze niet uit het gehuurde worden verwijderd. Het is partijen bekend dat een derde reeds pandrecht heeft op de bedrijfsinventaris.” Bij verstekvonnis van 7 september 2011 van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda, is Santé veroordeeld - voor zover thans van belang - tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van een bedrag van € 46.282,75 inclusief BTW aan [eiser]. Bij brief van 26 september 2011 heeft [eiser] Brand ingelicht over voornoemd verstekvonnis en haar verzocht uit hoofde van de borgstelling over te gaan tot betaling van een bedrag van € 37.500,-, te vermeerderen met wettelijke handelsrente ten bedrage van € 1.167,12 berekend over de periode van 19 mei 2011 tot en met 4 oktober 2011. Bij email van 4 oktober 2011 heeft Brand - voor zover thans relevant - aan [eiser] geschreven: “(…) het spreekt voor zich dat wij onze verplichtingen uit hoofde van de borgtocht zullen nakomen.” Voorts verzoekt Brand om een kopie van het verstekvonnis van 7 september 2011 alsmede om een kopie van de onderliggende dagvaarding. Een kopie van voornoemd verstekvonnis en de onderliggende dagvaarding heeft [eiser] in een bijlage bij zijn email van 4 oktober 2011 aan Brand verzonden. Santé is bij dagvaarding van 16 september 2011 tegen dit vonnis in verzet gekomen. Santé heeft [eiser] bij dagvaarding van 21 september 2011 in kort geding betrokken. Bij vonnis van 28 september 2011 heeft de voorzieningenrechter onder meer [eiser] verboden tot ontruiming van het door Santé gehuurde over te gaan. [eiser] heeft op 10 oktober 2011 een faillissementsrekest ingediend, waarbij hij heeft verzocht Santé in staat van faillissement te verklaren. Santé heeft [eiser] bij dagvaarding van 7 november 2011 wederom in kort geding betrokken. Santé en [eiser] hebben in deze procedure een minnelijke schikking bereikt, die is neergelegd in een vaststellingsovereenkomst die onderdeel uitmaakt van het proces-verbaal van de zitting d.d. 14 november 2011. In voornoemde vaststellingsovereenkomst is - voor zover thans van belang - onder punt 2 bepaald: “Santé Group is aan [eiser] een bedrag van € 70.000,00 (zegge: zeventigduizend euro) verschuldigd. (…). Het verschuldigde is of zal op de volgende wijze door Santé Group aan [eiser] worden voldaan: a. Het bedrag van € 47.787,60 (incl. BTW) dient uiterlijk op 30 november 2011 te zijn voldaan (…). b. Het restantbedrag ad € 22.212,40 zal in acht maandelijkse termijnen worden voldaan (…).” Tevens is in deze vaststellingsovereenkomst een voorwaardelijke huurbeëindiging met wederzijds goedvinden overeengekomen. [eiser] heeft vervolgens Santé in kort geding betrokken. In het vonnis in kort geding van 30 december 2011 staat - voor zover thans relevant - onder punt 3.1. vermeld dat Santé de volgende betalingen aan [eiser] heeft verricht: € 15.369,30 op 10 november 2011; € 16.761, 40 op 1 december 2011 met de omschrijving “restant volgens vaststellingsovereenkomst te betalen voor 1 dec. Santé Group”; € 2.776,50 op 1 december 2011 met de omschrijving “maandelijkse aflossing volgens vaststellingsovereenkomst”; € 15.369,30 op 1 december 2011 met de omschrijving “Huur Mirabelle dec”. In r.o. 3.11. en 3.12. van dit kort geding vonnis overweegt de kantonrechter, samengevat, dat Santé uiterlijk op 30 november 2011 een bedrag van € 47.787,60 aan [eiser] diende te hebben voldaan, maar dat zij per saldo een bedrag van € 287,60 te weinig heeft voldaan. Het rechtsgevolg van deze tekortkoming is door partijen in de vaststellingsovereenkomst vast gelegd, te weten beëindiging van de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden met onmiddellijke ingang. In r.o. 3.14. wordt overwogen - samengevat - dat de geringe overschrijding van de betalingstermijn en het relatief lage bedrag dat per abuis onbetaald is gelaten, in samenhang met de overige omstandigheden van het geval, er toe leiden dat de redelijkheid en de billijkheid in de weg staan aan het intreden van het rechtsgevolg van de tekortkoming zijdens Santé, zodat de huurovereenkomst niet is geëindigd op 1 december 2011. [eiser] heeft Santé wederom in kort geding betrokken. In het vonnis in kort geding van 11 mei 2012 is onder punt 3.1. overwogen dat Santé van het in de vaststellingovereenkomst genoemde bedrag van € 47.787,60 een bedrag van € 287,60 onbetaald heeft gelaten en van het in de vaststellingsovereenkomst genoemde bedrag van € 22.212,40 (te voldoen in 8 maandelijkse termijnen van € 2.776,55 vanaf 1 december 2011) eenmaal een bedrag van € 2.776,50 en eenmaal een bedrag van € 2.766,55 heeft voldaan. Daarnaast is overwogen dat Santé na het vonnis van 30 december 2011 de huur voor de maanden januari, maart en april 2012 (3 x € 15.369,30 = € 46.107,90) in het geheel niet heeft voldaan en dat Santé van de maand februari 2012 een bedrag van € 345,55 niet heeft voldaan. In tegenstelling tot het vonnis in kort geding van 30 december 2011, is in het vonnis in kort geding van 11 mei 2012 onder meer geoordeeld, dat de huurovereenkomst tussen [eiser] en Santé met ingang van 1 december 2011 is geëindigd. Tevens is geoordeeld dat Santé een bedrag van € 46.453,45 aan [eiser] verschuldigd is, niet als huurpenningen maar als achterstallige gebruiksvergoeding over de periode van januari 2012 tot en met april 2012, alsmede dat Santé gehouden is tot voldoening van een gebruiksvergoeding van € 15.369,30 per maand vanaf 1 mei 2012 tot aan de dag dat de bedrijfsruimte is ontruimd. Naast betaling van onder meer voornoemde bedragen, is Santé tevens veroordeeld tot ontruiming van de bedrijfsruimte. Bij brief van 15 mei 2012 heeft [eiser] Brand in kennis gesteld van het vonnis in kort geding van 11 mei 2012 en geschreven dat Santé gehouden is tot voldoening van een bedrag van € 46.453,45 alsmede tot voldoening van een bedrag van € 17.707,07. [eiser] verzoekt Brand in deze brief om krachtens de borgstelling over te gaan tot betaling van een bedrag van € 37.500,- alsmede tot een bedrag van € 3.087,81 aan wettelijke handelsrente over de periode van 19 mei 2011 tot en met 22 mei 2012. Santé heeft de gehuurde bedrijfsruimte verlaten en ontruimd. Op 5 juni 2012 is Santé in staat van faillissement verklaard. Bij brief van 8 juni 2012 heeft Brand aan [eiser] verzocht om haar een kopie te verstrekken van het vonnis in kort geding van 11 mei 2012 alsmede van de vaststellingsovereenkomst. Bij brief van 7 augustus 2012 heeft [eiser] de verzochte kopieën aan Brand verstrekt. Bij brief van 29 augustus 2012 heeft Brand aan [eiser] te kennen gegeven dat zij zich niet gehouden acht tot betaling van een bedrag van € 37.500,- op basis van de borgstelling. 3.2. [eiser] grondt zijn vordering op de tussen partijen gesloten overeenkomst van borgtocht. Hij stelt dat Santé aan hem een bedrag is verschuldigd van € 46.453,45 dat ziet op achterstallige huurpenningen en niet op een gebruiksvergoeding. Volgens [eiser] is bij vonnis in kort geding van 30 december 2011 immers geoordeeld dat de huurovereenkomst niet met ingang van 1 december 2011 is geëindigd, waardoor Santé ook nadien huurpenningen verschuldigd was. Dat in het vonnis in kort geding van 11 mei 2012 - in afwijking van het vonnis van 30 december 2011 - is overwogen dat de huurovereenkomst wel op 1 december 2011 is geëindigd, doet in de visie van [eiser] hieraan niet af. Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat ook als de betalingsverplichting van Santé over de periode vanaf 1 december 2011 tot aan de ontruiming als een gebruiksvergoeding moet worden beschouwd, deze betalingsverplichting valt onder de borgstelling, nu het betalen van deze gebruiksvergoeding gelijk gesteld moet worden met een verplichting tot betaling van huur. Meer subsidiair acht [eiser] het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar indien Brand zich er succesvol op zou kunnen beroepen dat de door Santé verschuldigde gebruiksvergoeding niet valt onder de borgstelling. Daarnaast meent [eiser] dat Santé tevens een bedrag van € 17.707,07 onbetaald heeft gelaten, dat ziet op de periode van vóór 1 december 2011 en derhalve valt onder de borgstelling. [eiser] geeft voorts aan dat hij bij brieven van 29 maart, 9 mei, 1 juli en 26 september 2011 Brand in kennis heeft gesteld van de betalingsachterstanden van Santé. [eiser] wijst er op dat Brand bij email van 4 oktober 2011 heeft toegezegd dat zij haar verplichting uit hoofde van de borgtocht zou nakomen en zulks heeft bevestigd in de brieven van 5 april 2011 en 8 juni 2012. In de visie van [eiser] komt Brand derhalve geen beroep toe op het bepaalde in artikel 1.3. van de akte van borgtocht. Mocht Brand zich daarop wel rechtsgeldig kunnen beroepen, dan geeft [eiser] aan dat hij aanspraak maakt op het verschuldigde over de maanden maart en april 2012 ad € 15.369,30 per maand, welk bedrag in combinatie met het verschuldigde bedrag van € 17.707,07 van vóór 1 december 2011, de maximale borgstelling tot een bedrag van € 37.500,- overschrijdt. Naast voldoening van een bedrag van € 37.500,- door Brand, maakt [eiser] tevens ex artikel 7:856 lid 1 BW aanspraak op vergoeding van de wettelijke (handels)rente vanaf 19 mei 2011, alsmede ex artikel 7:856 lid 2 BW op kosten gemoeid met rechtsvervolging van Santé ten bedrage van € 1.122,16, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding. Ten slotte vordert [eiser] vergoeding van de door hem gemaakte buitengerechtelijke (incasso)kosten ad € 1.788,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding. 3.3. Brand voert aan dat de huurachterstand van Santé over de maanden september 2010 en januari, februari en mei 2011 vóór september 2011 zijn voldaan, althans dat Santé en [eiser] blijkens de vaststellingsovereenkomst d.d. 14 november 2011 ter zake de openstaande huurtermijnen een minnelijke regeling hebben getroffen. Volgens Brand volgt uit het vonnis in kort geding van 30 december 2011 dat die regeling geheel is nagekomen op een bedrag van € 287,60 na. Brand meent dan ook dat [eiser] niets van Santé en derhalve evenmin van Brand te vorderen heeft uit hoofde van die huurtermijnen. Om die reden is Brand evenmin wettelijke (handels)rente of kosten van rechtsvervolging verschuldigd. Waar [eiser] aan zijn beroep op de borgtocht zijn aanspraken krachtens het vonnis van 11 mei 2012 ten grondslag legt, meent Brand dat deze aanspraken niet vallen onder de dekking van de borgtocht. Brand geeft aan dat zij krachtens de borgtocht zich enkel tot borg stelt voor hetgeen Santé aan huurpenningen verschuldigd is uit hoofde van de door haar met [eiser] gesloten huurovereenkomst. De hoofdvordering die [eiser] krachtens het vonnis van 11 mei 2012 op Santé heeft betreft echter geen openstaande huurtermijnen maar schadevergoeding in de vorm van een gebruiksvergoeding voor de periode dat Santé het gehuurde onrechtmatig onder zich heeft gehouden nadat de huurovereenkomst per 1 december 2011 was geëindigd. Deze aanspraak van [eiser] op Santé is ontstaan omdat hij op 14 november 2011 met Santé een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten met een voorwaardelijke beëindiging van de huurovereenkomst, welke voorwaarden vervolgens in vervulling zijn gegaan waardoor de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 december 2011 is geëindigd. Volgens Brand is zij niet over het aangaan van de vaststellingsovereenkomst geïnformeerd, noch over de vorderingen die [eiser] uit dien hoofde in rechte heeft ingesteld jegens Santé. Brand meent dat een gebruiksvergoeding niet op één lijn kan worden gesteld met de verplichting tot betaling van huurpenningen. De door Brand eerder gedane betalingstoezeggingen hadden volgens haar ook geen betrekking op de voor haar destijds nog onbekende gebruiksvergoeding. Met betrekking tot het bedrag van € 17.707,07 voert Brand aan dat dit bedrag ziet op de periode van vóór 1 december 2011 en daarom niet meer voor vergoeding in aanmerking kan komen. Brand wijst er voorts op dat blijkens de vaststellingovereenkomst Santé een bedrag schuldig erkent te zijn van € 70.000,-, waarvan een bedrag van € 22.212,40 in acht maandelijkse termijnen van € 2.776,55 moet worden voldaan. Blijkens het vonnis van 11 mei 2012 heeft Santé hierop in totaal een bedrag van € 5.553,05 in mindering voldaan, zodat een bedrag van € 16.659,35 resteert. Brand meent dat onduidelijk is waaruit dit bedrag van € 22.212,40 is opgebouwd en welke posten daaronder zijn begrepen en dat derhalve niet kan worden vastgesteld in hoeverre het bedrag van € 16.659,35 door de borgstelling wordt bestreken. Subsidiair voert Brand aan dat [eiser] niet aan de voorwaarden heeft voldaan als genoemd onder punt 1.3 van de akte van borgtocht waaronder hij aanspraak kan maken op de borgstelling. Brand stelt daartoe dat de kennisgevingen bij de brieven in de periode van maart 2011 tot en met september 2011 betrekking hebben op een huurachterstand die geheel door Santé is voldaan, althans waarvoor [eiser] met Santé een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten, waarbij onduidelijk is in hoeverre in het bedrag van € 70.000,- nog enige achterstallige huurpenningen zijn begrepen. Bovendien heeft Santé op 2 december 2011 nagenoeg alles voldaan (op een bedrag van € 287,60
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.