← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2013:11435

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/810760-12 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 augustus 2013 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats] wonende te [adres verdachte] raadsman mr. Thomas, advocaat te Breda 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 augustus 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Gimbrère, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: samen met een ander of anderen een hennepkwekerij heeft gehad met 2572 of 643 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten; Feit 2: een hoeveelheid stroom van Enexis heeft weggenomen; Feit 3: een traangasbusje in zijn bezit heeft gehad. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie Feit 1: De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen met zijn echtgenote, medeverdachte [medeverdachte] , hennep heeft geteeld. Zij gaat uit van in totaal 2572 hennepplanten, nu door de politie in de woning van verdachte 643 hennepplanten zijn aangetroffen en er drie eerdere oogsten (van telkens dezelfde hoeveelheid planten in de beide in gebruik zijnde kweekruimten) zijn geweest. De officier van justitie baseert zich daarbij op het mutatierapport aangaande een anonieme melding, het proces-verbaal van bevindingen ter zake van de warmtemeting bij de woning van verdachte, het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] betreffende de CODAM-meting, het proces-verbaal ter zake van het aantreffen van de hennepkwekerij in verdachtes woning, het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de uitgevoerde MMC cannabis test, alsmede de verklaringen van verdachte, met name die hij heeft afgelegd bij de politie. Feit 2: De officier van justitie is van mening dat de tenlastegelegde diefstal van elektriciteit wettig en overtuigend kan worden bewezen, gelet op de aangifte van [bedrijf] en de bekennende verklaring van verdachte. Feit 3: De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een traangasbusje voorhanden heeft gehad op grond van het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, het proces-verbaal van het Regionaal Bureau Wapens en Munitie betreffende het aangetroffen spuitbusje, alsmede de bekennende verklaring van verdachte. 4.2 Het standpunt van de verdediging Feit 1: De verdediging stelt dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van dit feit. Zij wijst daarbij evenwel op de omstandigheid dat verdachte twee kweekruimten heeft gehad en afwisselend in deze ruimtes heeft geteeld en geoogst. Dit betekent dan ook dat verdachte niet telkens een opbrengst van 643 hennepplanten heeft gehad. Tevens is er sprake geweest van een mislukte (eerste) oogst. Feit 2: Volgens de verdediging kan de diefstal van elektriciteit bewezen worden verklaard. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat verdachte de (illegale) aansluiting heeft laten aanleggen door een persoon die kennis heeft van elektrische installaties. Feit 3: De verdediging is van mening dat de rechtbank feit 3, het voorhanden hebben van een busje traangas, kan bewijzen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 1: De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 15 augustus 2013 en afgelegd bij de politie op 27 februari 2012; - de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] van 27 februari 2012; - het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het aantreffen van de hennepkwekerij in de woning van verdachte; - het proces-verbaal van bevindingen betreffende het onderzoek van de aangetroffen verdovende middelen. De rechtbank is daarbij met betrekking tot het aantal van 2572 hennepplanten zoals vermeld in de tenlastelegging van oordeel dat het dossier, bezien in het licht van het verweer van verdachte dat er verdeeld over de beide kweekruimtes drie voorafgaande kweekcycli hebben plaatsgevonden, onvoldoende aanknopingspunten bevat om vast te stellen dat er in totaal vier maal 643 planten, derhalve 2572 hennepplanten, in de beide kweekruimtes tezamen hebben gestaan in de tenlastegelegde periode. Daargelaten de vraag of er van uit kan worden gegaan dat er in beide ruimtes vier kweekcycli hebben plaatsgevonden, kan op grond van de nu beschikbare gegevens niet worden vastgesteld dat er zich per kweek exact 643 planten in de beide ruimtes bevonden. De rechtbank acht evenwel op basis van de door de politie beschreven aangetroffen situatie wel wettig en overtuigend bewezen dat een groot aantal hennepplanten op meerdere momenten is geteeld. De rechtbank heeft voorts in het bijzonder overwogen dat medeverdachte [medeverdachte] , de echtgenote van verdachte, als medepleger moet worden aangemerkt. [medeverdachte] is – volgens de verklaring van verdachte bij de politie – op de hoogte geweest van zowel de aanwezigheid van de kwekerij in de woning als van het feit dat haar man deze heeft geëxploiteerd. Zij vond het wel goed dat het gebeurde, aldus verdachte. Haar verklaring dat zij niet van de (exploitatie door haar man van) die hennepkwekerij op de hoogte zou zijn geweest acht de rechtbank ongeloofwaardig. De hennepkwekerij bevond zich immers in het huis waar verdachte en [medeverdachte] samen woonachtig zijn, de toegang van de hennepkwekerij bevond zich in een hal die toegankelijk was via de voordeur en de woonkamer en die toegang gaf tot een kamer met de wasmachine. Medeverdachte [medeverdachte] moet derhalve regelmatig in die hal zijn geweest. Bovendien was in die hal het geluid van de elektrische installatie van de hennepkwekerij hoorbaar. Aldus gaat de rechtbank uit van de verklaring van verdachte op dit punt. [medeverdachte] heeft deze situatie laten voortbestaan. Daarnaast blijkt uit de verklaring van [medeverdachte] dat zij het geld dat haar man met het klussen in de ruimte waarin zich de toegang naar de hennepkwekerij bevond, telkens heeft geteld. Daarbij heeft zij de bankbiljetten in stapeltjes van 1.000 euro gesorteerd en heeft zij een gedeelte van dit geld besteed aan de dagelijkse uitgaven, zoals aan tankbeurten. Nu [medeverdachte] zich op generlei wijze van de bovenomschreven situatie heeft gedistantieerd, en zij daar kennelijk mee heeft ingestemd, is de rechtbank van oordeel dat de handelwijze van [medeverdachte] – minst genomen in de zin van voorwaardelijk opzet gericht is geweest op het telen van hennep. Feit 2: De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 15 augustus 2013 en afgelegd bij de politie op 27 februari 2012; - de aangifte van [aangever] namens [bedrijf] .. Feit 3: De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 15 augustus 2013 en afgelegd bij de politie op 27 februari 2012; - het proces-verbaal aanvraag van doorzoeking ter inbeslagneming van 24 februari 2012; - het proces-verbaal van het Regionaal Bureau Wapens en Munitie betreffende het aangetroffen spuitbusje van 28 februari

  1. 4.4 De bewezenverklaring De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Feit 1: hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2011 tot en met 27 februari 2012 te Waspik, gemeente Waalwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (in de uitoefening van een beroep op bedrijf) (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 2572 hennepplanten (uitgaande van 3 eerdere oogsten), althans ongeveer 643 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; Feit 2: hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2011 tot en met 27 februari 2012 te Waspik, gemeente Waalwijk, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een meterkast/aansluitkast heeft weggenomen een of meerdere hoeveelheid/hoeveelheden electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking; Feit 3: hij in de periode van 01 augustus 2011 tot en met 27 februari 2012 te Waspik, gemeente Waalwijk, een traangasbusje, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, alsmede een taakstraf van 150 uur. Zij heeft daarbij in het bijzonder rekening gehouden met de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en de richtlijnen die het openbaar ministerie ter zake van soortgelijke feiten hanteert. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging kan zich verenigen met de door de officier van justitie gevorderde straf, in zoverre - gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte - dat de taakstraf wordt beperkt. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft tezamen met zijn echtgenote meermalen hennep geteeld in de kruipruimte van hun woning. Naar zijn eigen zeggen om een leuke aanvulling op zijn salaris te verdienen. Daarnaast heeft verdachte op illegale wijze stroom afgetapt ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening van de kwekerij. Voorts heeft verdachte een busje traangas in zijn bezit gehad. De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan. Zo heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de (inter)nationale drugshandel. De samenleving ondervindt schade door velerlei vormen van criminaliteit die worden teweeggebracht door zowel de gebruikers van drugs als de georganiseerde misdaad die achter de hennepteelt en drugsverkoop schuilgaat. Daarnaast leveren softdrugs voor de gebruikers gezondheidsrisico’s op. Door de manipulatie van de elektrische installatie, zoals het verzwaren van de zekeringen, heeft geen correcte registratie van de daadwerkelijk verbruikte hoeveelheid stroom op de elektriciteitsmeter plaatsgevonden. De energiemaatschappij heeft daarom door toedoen van verdachte schade geleden. Bovendien kan door het onbevoegd uitvoeren van werkzaamheden in de aansluitkast kortsluiting optreden ten gevolge waarvan brand kan ontstaan. Verdachte heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de voornoemde negatieve effecten voor anderen en heeft uitsluitend zijn eigen financieel gewin voor ogen gehad. De rechtbank heeft meegewogen dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen ter zake van soortgelijke misdrijven. De rechtbank houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte voor zover deze uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een forse taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf een passende strafrechtelijke reactie is. Met de voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet op de straffen die in vergelijkbare situaties worden opgelegd, wordt de door de officier van justitie gevorderde straf alleszins redelijk geacht. De rechtbank zal verdachte dan ook conform de eis veroordelen tot een taakstraf van 150 uur, alsmede tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk. 7De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 91, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3, 11, 13 en 14 van de Opiumwet en de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 8De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: Feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod; Feit 2: diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking; Feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar; - bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast: * omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit; - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 uren; - beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. Van de Wetering, voorzitter, mr. Bakx en mr. De Weert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Roebroeks, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 augustus
  2. Mr. Bakx is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE I: De tenlastelegging Feit 1: hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2011 tot en met 27 februari 2012 te Waspik, gemeente Waalwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (in de uitoefening van een beroep op bedrijf) (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 2572 hennepplanten (uitgaande van 3 eerdere oogsten), althans ongeveer 643 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; art 3 ahf/ond B Opiumwet art 3 ahf/ond C Opiumwet art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht Feit 2: hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2011 tot en met 27 februari 2012 te Waspik, gemeente Waalwijk, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een meterkast/aansluitkast heeft weggenomen een of meerdere hoeveelheid/hoeveelheden electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht Feit 3: hij in of omstreeks 01 augustus 2011 tot en met 27 februari 2012 te Waspik, gemeente Waalwijk, een traangasbusje, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad. art 26 lid 1 Wet wapens en munitie Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer PL203M 2012032038 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met
  3. De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 15 augustus
  4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 37 tot en met
  5. Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] , pagina 47 en
  6. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 30 en
  7. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina
  8. De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 15 augustus
  9. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina
  10. Het geschrift, te weten de aangifte van [aangever] namens [bedrijf] , pagina 56 en
  11. De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 15 augustus
  12. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina
  13. Het proces-verbaal aanvraag van doorzoeking ter inbeslagneming, pagina 12 en
  14. Het proces-verbaal van Regionaal Bureau Wapens en Munitie betreffende het aangetroffen spuitbusje, pagina 91 en 92.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.