RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/700202-10 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 juni 2013 in de strafzaak tegen verdachte, geboren op datum en plaats en land, wonende te adres, ter terechtzitting verschenen, raadsman mr. Drenth, advocaat te Breda, ter terechtzitting aanwezig. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 juni 2013 waarbij de officier van justitie mr. Breeman, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, door met te hoge snelheid twee voor hem rijdende auto’s in te halen, mede waardoor hij in aanrijding is gekomen met een fiets waarvan de bestuurder, Slachtoffer, als gevolg van die aanrijding zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, dan wel dat hij met zijn rijgedrag gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 De vaststaande feiten Op 28 mei 2010 te 18.12 uur ontving de regiopolitie midden en west Brabant een melding dat er een verkeersongeval had plaatsgevonden op de Lage Kant, welke straat is gelegen binnen de bebouwde kom van Breda, op het weggedeelte gelegen voor de kruising met de Marterring, welke wegen van gelijke orde waren. Ter plaatse gold een maximum toegestane snelheid van 30 kilometer per uur. Bij dit ongeval was betrokken Verdachte (verder: Verdachte) als bestuurder van een personenauto van het merk Seat, type Ibiza. Tevens was als bestuurder van een fiets bij dit ongeval betrokken Slachtoffer (verder: Slachtoffer). Verder was bij dit ongeval betrokken Mededader (verder: Mededader) als bestuurder van een personenauto van het merk Volkswagen, type Golf. Als gevolg van het ongeval heeft Slachtoffer zeer ernstig hersenletsel opgelopen waardoor zij (tijdelijk) in vegetatieve toestand is komen te verkeren. Daarnaast heeft zij meerdere nekwervels, een borstwervel, het rechteronderbeen, het linkerdijbeen en een ellepijp gebroken. Ten gevolge van voornoemd letsel was operatief ingrijpen noodzakelijk. 4.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde. Zij baseert zich daarbij op de verklaringen van Getuige 1, Getuige 2, Getuige 3, Getuige 4, Getuige 5 en beide verdachten. Hieruit komt naar voren dat verdachte met een veel te hoge snelheid over de Lage Kant reed waar een maximum toegestane snelheid van 30 kilometer per uur gold. Zelf verklaart verdachte hierover dat hij met 50 tot 60 kilometer per uur reed. Zijn bijrijder heeft het zelfs over 70 kilometer per uur. Verdachte verklaart verder dat hij niet wist dat ter plaatse een maximum snelheid van 30 kilometer per uur gold. Volgens de officier van justitie had hij dit echter kunnen en moeten weten. Dit vanwege de bebording, de inrichting van de wijk met speelplaatjes en snackbars, de hoeveelheid publiek op straat en vooral ook omdat hij hier regelmatig kwam en ter plaatse bekend was. Vervolgens wilde verdachte de twee voor hem rijdende auto’s in gaan halen en schakelde hiervoor terug om snelheid te vermeerderen. Dat er afgeremd zou zijn door (één van) de twee voor hem rijdende auto’s volgt niet uit de verklaringen van de bestuurders Mededader respectievelijk Getuige 1. Op dat moment zette de auto voor hem echter ook een inhaalmanoeuvre in. Verdachte heeft hierop niet afgeremd maar is naar links uitgeweken, waardoor hij in aanrijding is gekomen met de op de fiets tegemoetkomende Slachtoffer. Verdachte had de fietser niet eerder gezien en zag haar pas op het moment dat zij op zijn voorruit terechtkwam. Naar het oordeel van de officier van justitie valt dit weggedrag van verdachte als roekeloos aan te merken. Als gevolg van dit ongeval heeft Slachtoffer ernstig hersenletsel opgelopen alsmede diverse wervel- en botbreuken. Gelet op het feit dat er ten aanzien van het letsel operatief ingrijpen noodzakelijk was en het letsel zodanig is dat Slachtoffer volledig afhankelijk is en zal blijven van zorgverlening, kan er naar het oordeel van de officier van justitie gesproken worden van zeer zwaar lichamelijk letsel. 4.3 Het standpunt van de verdediging Hoewel het overgrote deel van het ten laste gelegde bewezen kan worden, bestaan er op een aantal cruciale punten vraagtekens waardoor er volgens de verdediging integrale vrijspraak dient te volgen. Daartoe wordt het volgende aangevoerd. In de eerste plaats dient nuancering plaats te vinden ten aanzien van het verwijt dat verdachte gemaakt wordt met betrekking tot het feit dat hij ter plaatse te hard heeft gereden. Verdachte heeft verklaard dat hij met 50 tot 60 kilometer per uur over de Lage Kant heeft gereden. Hij wist echter niet dat hier een maximum toegestane snelheid gold van 30 kilometer per uur en verkeerde in de veronderstelling dat men hier 50 kilometer per uur mocht. De vraag is in hoeverre dit aan verdachte verweten kan worden, nu blijkens diverse processen-verbaal in het dossier de politie ook in deze veronderstelling verkeerde, daaronder begrepen de verbalisanten die het technisch onderzoek hebben verricht. Pas na berichten in de media werd duidelijk dat de Lage Kant zich in een 30 kilometer zone bevindt, waarna hierover een aanvullend proces-verbaal is opgemaakt. Daarnaast betwist de verdediging de culpa van verdachte. Verdachte is zijn inhaal-manoeuvre van de twee vóór hem rijdende auto’s op een normale wijze aangevangen. Hij heeft duidelijk verklaard geen fietser te hebben gezien. Wanneer hij echter halverwege deze inhaalmanoeuvre is, zet Mededader, die vóór verdachte reed, ook plotseling een inhaal-manoeuvre in van de dáárvoor rijdende auto. Voor verdachte was niet waarneembaar dat Mededader eveneens aanstaande was om een inhaalmanoeuvre te gaan verrichten. Gebleken is ook dat Mededader niet over zijn schouder heeft gekeken om zich ervan te verzekeren dat hij veilig aan zijn inhaalmanoeuvre kon beginnen. Teneinde een aanrijding met het voertuig van Mededader te voorkomen, is verdachte in een reflex uitgeweken naar links. Voor zover er geen sprake was van een reflexreactie, verkeerde verdachte op dat moment in een conflict van plichten en heeft dan ook gehandeld uit overmacht, te weten een noodtoestand. Op grond hiervan ontbreekt de culpa en dient volgens de verdediging vrijspraak te volgen. Tevens is volgens de verdediging de exacte plaats van de aanrijding onduidelijk. De vraag is of de fietser in tegemoetkomende richting op de linkerrijbaan reed. De getuigenverklaringen in het dossier verschillen op dit punt en ook het technisch onderzoek geeft hierover geen uitsluitsel. Wanneer de fietser op de linkerrijbaan zou hebben gereden, zou dit betekenen dat zij 30 meter is meegevoerd tot het eindpunt. Ook de fiets is in deze situatie op een merkwaardige wijze op zijn eindpunt terechtgekomen. Nu omtrent de positie van de fietser op het moment van de aanrijding teveel onduidelijkheid bestaat, kan het tegemoet fietsen door de fietser – dat een essentieel deel van de tenlastelegging vormt – niet bewezen worden en dient er volgens de verdediging integrale vrijspraak te volgen. Subsidiair betoogt de verdediging dat met het feitelijke gedrag van verdachte niet voldaan is aan de strenge eisen die de Hoge Raad in de huidige jurisprudentie aan roekeloosheid heeft gesteld. 4.4 Het oordeel van de rechtbank Scenario Gelet op het feit dat zich in het dossier meerdere verklaringen bevinden die op belangrijke punten verschillen, moet de rechtbank eerst vaststellen wat de feitelijke gang van zaken is geweest. Hierbij gaat zij uit van de verklaringen van Getuige 1, Getuige 3, Getuige 2, Getuige 6, Verdachte en Mededader. Uit deze verklaringen komt het volgende naar voren: Getuige Getuige 1 heeft op 28 mei 2010 bij de politie verklaard dat zij die dag over de Lage Kant te Breda in de richting van de Marterring reed en niemand zag op de weg. Op het moment dat zij in haar achteruitkijkspiegel keek, zag zij ineens twee auto’s snel naderen. Een zwarte auto reed aan de buitenzijde en een zilveren aan de binnenzijde. Zij probeerde hierop zoveel mogelijk naar rechts te gaan omdat zij het idee had dat de zilveren auto haar zou gaan schampen. Zij had het gevoel dat de zilveren auto de zwarte auto wegduwde. De zilveren auto haalde haar uiteindelijk in Op dat moment hoorde en zag zij dat de zwarte auto aan de linkerzijde van de weg van alles raakte en omver reed. De zilveren auto was er als het ware tussen geperst. Op 29 oktober 2010 heeft Getuige 1 bij de politie daar nog aan toegevoegd dat zij één keer in haar achteruitkijkspiegel heeft gekeken waarbij zij beide voertuigen naast elkaar zag rijden. Zij wist niet meer exact ter hoogte waarvan dat was. De afstand tussen haar en de beide andere voertuigen op het moment dat zij in haar achteruitkijkspiegel keek, schatte zij tussen de 40 en 60 meter. De zilveren auto reed rechts en de zwarte auto links op de manier waarop een ieder zou inhalen. Bij de rechter-commissaris heeft Getuige 1 op 23 augustus 2013 daar nog aan toegevoegd dat zij 30 kilometer per uur reed omdat zij weet dat daar vaak gecontroleerd wordt. Zij had nog op haar kilometerteller gekeken of zij wel 30 kilometer per uur reed. De witte (de rechtbank begrijpt de zilverkleurige) auto zat schuin achter haar en de zwarte auto zat er nog links naast. De zwarte reed al een stukje voor de witte. Op de vraag wat zij bedoelde met het gevoel dat zij had dat de witte auto de zwarte wegduwde, heeft zij geantwoord dat de zwarte auto niet meer naar rechts kon en het leek of de witte auto zich ertussen duwde. Getuige Getuige 3 heeft op 31 mei 2010 bij de politie verklaard dat hij op 28 mei 2010 bij Verdachte als bijrijder in de auto zat. Dit betrof een zwarte Seat Ibiza. Rond 18.00 uur reden zij vanuit de wijk Heusdenhout in de richting van de cafetaria Woody Woodpecker. Voor hen reed een beige of grijze Golf 5. Hij zag dat Mededader als bestuurder in deze auto reed. Hij zag dat voor de auto van Mededader nog een andere auto reed. Hij keek in de achteruitkijkspiegel van de auto voor hem en zag dat de bestuurder ook in de spiegel keek. Hij zag en voelde dat de auto naar links ging en dat ze de auto voor hen gingen inhalen. Hij zag dat Verdachte terugschakelde en snelheid vermeerderde om de auto in te halen. Hij zag dat de auto voor hen ook naar links kwam. Op dat moment reden ze halverwege de auto voor hen. Door deze manoeuvre werden ze gedwongen naar links uit te wijken om een aanrijding te voorkomen. Vervolgens hoorde hij een knal en glasgerinkel en voelde overal glas. Hij zag dat de voorruit kapot ging. Ze reden nog een stukje door en toen zag en voelde hij dat de auto stilstond. Op 2 april 2013 heeft Getuige 3 daar bij de rechter-commissaris nog aan toegevoegd dat hij zag dat Mededader 1 (de rechtbank begrijpt dat hiermee Mededader bedoeld wordt) ineens zijn Golf naar links gooide. Hier bedoelde hij mee dat je een auto rustig naar links kan sturen, maar dat Mededader 1 dit niet deed. Vanuit het niets stuurde hij ineens zijn auto naar links. Hij zag en voelde dat Verdachte de auto naar links stuurde. Hij had zijn knipperlicht aanstaan. Hij maakte daarop uit dat hij de Golf in wilde halen. Hij schatte in dat Verdachte op dat moment maximaal 70 kilometer per uur reed. Hij verklaarde dat Verdachte de straat goed kende. Verdachte was al aan het inhalen toen de Golf ineens naar links ging. Getuige Getuige 2 heeft op 28 mei 2010 bij de politie verklaard dat hij op de Lage Kant twee auto’s zag rijden. Hij zag dat de zwarte auto opzij werd geduwd door een grijze auto. Hij zag een fietser ter hoogte van de bushalte. Hij zag dat de zwarte auto tegen de fietser aan reed. De grijze auto is hierna doorgereden. Op 3 december 2012 heeft Getuige 2 daar bij de rechter-commissaris nog aan toegevoegd dat er naar schatting ongeveer 50 meter afstand zat tussen het speelpleintje en de botsing. Hij zag daar een auto hard aan komen rijden die een andere auto ging inhalen. Getuige Getuige 6 heeft op 28 mei 2010 bij de politie verklaard dat hij die dag als passagier op de bijrijderstoel in de Golf zat. De Golf werd bestuurd door Mededader 1. Ze reden over de Lage Kant in de richting van de Marterring. Ze werden links ingehaald door een zwarte Seat. Zelf reden ze rechts van de weg. Op 4 juni 2010 heeft Getuige 6 daar bij de politie aan toegevoegd dat hij pas toen Naam iets zei, over zijn linkerschouder keek en de zwarte Seat door de achterruit zag. Dat was voor de bushalte op de Lage kant. Verdachte heeft tijdens het verhoor van de inverzekeringstelling op 28 mei 2010 bij de politie verklaard dat hij die middag in zijn auto reed en er een zilveren Golf voor hem reed. Omdat de auto voor hem remde, moest hij uitwijken naar links. Op het moment dat hij uitweek naar links, ging de Golf plotseling ook naar links waardoor hij nog verder naar links moest uitwijken. Hij zag toen plotseling een vrouw op een fiets maar kon niet meer uitwijken en reed tegen haar aan. Op 29 mei 2010 heeft hij verder bij de politie verklaard dat hij naar aanleiding van het remmen van de Golf een beetje uitgeweken was naar links omdat hij bang was dat hij anders niet op tijd kon remmen. Hij reed ongeveer 50, maximaal 60 kilometer per uur. Hij heeft niet op de teller gekeken maar hij schat dit. Hij kwam steeds dichter bij de twee auto’s voor hem waaruit hij opmaakte dat zij dus minder hard reden. Op het moment dat hij de linkerbaan op reed en schuin achter de Golf zat, keek hij naar rechts om de situatie in te schatten. Hij wist niet wat de twee auto’s gingen doen, hij dacht misschien inparkeren of zo. Op dat moment zag hij dat de Golf ineens uitweek naar links, naar zijn kant. Hij schrok hiervan en is ook weer verder naar links uitgeweken. Doordat hij zo plotseling moest uitwijken is hij op de stoep terecht gekomen tegen de groene paaltjes aan die daar staan. Mededader heeft op 29 mei 2010 bij de politie verklaard dat hij op 28 mei 2010 als bestuurder van de Golf over de rechterrijbaan van de Lage Kant in de richting van de Karbouwstraat reed met een geschatte snelheid van ongeveer 30 of 40 kilometer per uur. Er reed een auto voor en achter hem. De vrouw in de auto voor hem wilde volgens hem rechts inparkeren. Hij wilde er omheen rijden en maakte dus een beweging naar links. Hij hoorde opeens een harde knal en dacht dat hij geraakt was. De auto achter hem was zwart maar was nog wel een stukje bij hem vandaan. Hij verklaarde dat deze auto hem blijkbaar op enig moment heeft ingehaald, dus zijn snelheid moest groter zijn geweest dan die van hem. Hij reed op 10 tot 15 meter afstand achter de auto voor hem. Hij heeft de zwarte auto op het moment dat hij uitweek naar links niet gezien. Hij heeft wel even in de linker autospiegel gekeken maar niet over zijn schouder omdat hij maar een heel klein beetje naar links hoefde uit te wijken. De auto voor hem stond namelijk al ver naar rechts. Hij is misschien net over de helft van de weg gegaan. Op grond van deze verklaringen stelt de rechtbank vast dat Verdachte de twee voor hem rijdende voertuigen is gaan inhalen en dat Mededader tijdens deze inhaalmanoeuvre, toen de auto van Verdachte links naast hem reed, ook een dergelijke manoeuvre inzette van de auto die voor hem reed. Deze handeling van Mededader heeft Verdachte verrast waardoor hij verder is uitgeweken naar links. Plaats fietser Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden waar Slachtoffer zich met haar fiets bevond op het moment dat de zwarte Seat van Verdachte met haar in aanrijding kwam. Daarbij baseert de rechtbank zich allereerst op het technisch onderzoek dat heeft plaatsgevonden. In het rapport Verkeersongevalsanalyse wordt omschreven dat ter hoogte van de bushalte een bandspoor is aangetroffen. Dit spoor loopt van 1A op de betonband van de bushalte tot 1B, 12,15 meter van het 0-meetpunt en 0,55 meter van de linkerrijbaan. Voorts worden op 16,70 meter (1D), 20,20 meter (1E en 1F), 34,60 meter (1G) en 44,60 meter (1H) bandensporen aangetroffen. Deze sporen eindigen op de plaats waar de zwarte Seat van Verdachte tot stilstand is gekomen. Gelet op de rijrichting van de personenauto en de samenhang met overige sporen wordt door de Unit FTO geconcludeerd dat spoor 1A-1B, wat zich ter hoogte van de bushalte bevindt, is veroorzaakt door de linkervoorband van de auto van Verdachte. Door de Unit FTO zijn voorts schade-inpassingen verricht teneinde na te gaan op welke plaats de auto van Verdachte en de fiets van mevrouw Slachtoffer elkaar hebben geraakt. Uit dit onderzoek volgt dat de auto met de voorzijde in botsing is gekomen met de voorzijde van de fiets. Ten slotte wordt in het rapport Ver-keersongevalsanalyse omschreven dat de fiets van Slachtoffer oorspronkelijk was voorzien van een kinderzitje op de bagagedrager en een plastic tas met boodschappen. Deze twee voorwerpen zijn als gevolg van de aanrijding losgeraakt van de fiets en op de eerste hoek van de kruising met de Marterring terechtgekomen, 2.30 meter respectievelijk 1.20 meter rechts van de linker rijbaanzijde van de Lage Kant. Voorts baseert de rechtbank zich op de eerder aangehaalde getuigenverklaringen. Getuige 2 heeft verklaard dat hij de fietser zag rijden ter hoogte van de bushalte. Getuige Getuige 3 heeft verklaard dat hij een knal en glasgerinkel hoorde nadat zij uitweken voor de auto aan hun rechterzijde. Hij zag dat de voorruit kapot ging. Ze reden nog een stukje door en toen zag en voelde hij dat de auto stilstond. Deze verklaringen passen in de aangetroffen situatie, de sporen en de eindpositie van de voertuigen. Op grond van het vorenoverwogene stelt de rechtbank vast dat Slachtoffer op het moment van de aanrijding op haar fiets ter hoogte van de bushalte heeft gereden op het voor haar bestemde weggedeelte van de Lage Kant in tegenovergestelde rijrichting van de voertuigen van Verdachte en Mededader. Verkeersgedrag Verdachte t.a.v. gereden snelheid In dit kader dient te worden bezien met welke snelheid Verdachte over de Lage Kant heeft gereden. Zelf heeft hij hierover verklaard dat hij schatte dat hij daar 50 tot 60 kilometer per uur reed. Ter terechtzitting heeft hij hieraan toegevoegd dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hier een maximum toegestane snelheid gold van 50 kilometer per uur. De rechtbank is echter van oordeel dat Verdachte had kunnen en ook had moeten weten dat er op de Lage Kant een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur van kracht was nu alle toegangswegen tot de betreffende wijk waarin de Lage Kant was gelegen ten tijde van het ongeval waren voorzien van borden waarop een 30 kilometerzone was aangegeven. Dit met uitzondering van de Robijnstraat maar in deze straat geldt eenrichtingsverkeer. Bovendien is uit de verklaringen van Verdachte en Getuige 3 gebleken dat Verdachte hier regelmatig kwam en ter plaatse bekend was. Ondersteunende bewijsmiddelen dat Verdachte met hoge snelheid heeft gereden over de Lage Kant worden gevonden in de verklaringen van Getuige 3 en Getuige 2 en het technisch onderzoek waaruit is gebleken dat de auto van Verdachte op het punt waar hij tot stilstand is gekomen in de derde versnelling stond, terwijl Getuige 3 bovendien heeft verklaard dat Verdachte vlak voor de inhaalmanoeuvre juist had teruggeschakeld en snelheid vermeerderde om de auto in te halen. Verdachte heeft dus vanuit de vierde versnelling teruggeschakeld naar de derde en vermeerderde snelheid om de auto in te halen. Naar het oordeel van de rechtbank betekent het voorgaande dat Verdachte minimaal 60 kilometer per uur heeft gereden. Schuldgradatie Van een ervaren bestuurder mogen de juiste handelingen worden verwacht, hetgeen in dit geval zou inhouden dat Verdachte maximaal de toegestane snelheid van 30 km per uur had gereden, dat hij voorafgaand aan- en tijdens een inhaalmanoeuvre had gelet op de mogelijke aanwezigheid van andere verkeersdeelnemers en dat hij had geremd in reactie op de onvoorziene omstandigheid en/of verkeersfout van Mededader die voor hem reed en ook een inhaalmanoeuvre inzette. Uit het voorgaande is gebleken dat verdachte met ten minste tweemaal de ter plaatse toegestane maximumsnelheid over de Lage Kant heeft gereden. Met deze zeer hoge snelheid is hij vervolgens overgegaan tot het uitvoeren van een bijzondere manoeuvre door twee personenauto’s die voor hem reden te gaan inhalen. Nu Verdachte heeft verklaard dat hij de fietser in het geheel niet heeft gezien, heeft hij kennelijk ook niet gecontroleerd of de weg vrij was en het mogelijk was in te halen. Vervolgens ontnam de zeer hoge snelheid hem de mogelijkheid van een adequate reactie op de onvoorziene omstandigheid en/of verkeersfout van Mededader. Daarbij komt dat de rechtbank in dit geval zelfs niet is gebleken van een poging tot remmen. Gelet op deze omstandigheden heeft Verdachte de op hem rustende zorgplicht om gevaarzettende situaties te voorkomen terwijl hij met zijn personenauto aan het verkeer deelnam, in ernstige mate geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit verkeersgedrag van Verdachte aan te merken als roekeloos. Overmacht, noodtoestand De verdediging heeft een beroep gedaan op overmacht, te weten een noodtoestand. De rechtbank verwerpt dit beroep en overweegt daartoe dat Verdachte, door met zeer hoge snelheid een tweetal auto’s in te gaan halen, zichzelf in een positie heeft gebracht waarin hij niet meer in staat was om adequaat te reageren op onvoorziene verkeerssituaties en/of verkeersfouten van medeweggebruikers. Onder deze omstandigheden, waarin sprake is van een eigen toedoen van Verdachte, kan van een noodtoestand geen sprake zijn. Letsel Slachtoffer heeft als gevolg van het ongeval zeer ernstig hersenletsel opgelopen waarbij operatief ingrijpen door een deel van de schedel aan de rechterzijde te verwijderen noodzakelijk was om de hersenen de ruimte te geven. Als gevolg van dit hersenletsel is een zodanige stoornis van het bewustzijn ontstaan, dat zij gedurende vijf maanden in een vegetatieve toestand heeft verkeerd. Daarnaast heeft zij meerdere nekwervels, een borstwervel, het onderbeen, het dijbeen en de ellepijp gebroken waarbij ten aanzien van enkele breuken eveneens operatief ingrijpen noodzakelijk is geweest teneinde deze te fixeren. Gebleken is dat Slachtoffer niet zelfstandig kan eten en niet kan spreken en lopen. In haar toestand wordt geen verandering verwacht waardoor zij voor de rest van haar leven volledig afhankelijk zal zijn van zorgverlening. De rechtbank is van oordeel dat het door Slachtoffer als gevolg van het ongeval opgelopen letsel te kwalificeren is als zeer zwaar lichamelijk letsel. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en zij acht verdachte derhalve daaraan schuldig. 4.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hij op of omstreeks 28 mei 2010 te Breda als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Seat), daarmede rijdende over de weg, de Lage Kant, =welke weg was gelegen in een als zodanig (door borden volgens model A1 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 met daarop het getal 30 en daarboven het woord ZONE) aangeduide zogenaamde 30 kilometer per uur-zone, alwaar derhalve de maximumsnelheid ter plaatse 30 kilometer per uur bedroeg=, zich zodanig heeft gedragen dat een mede aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of ondeskundig bij nadering van de kruising of splitsing van die Lage Kant met de weg, de Marterring, welke wegen van gelijke orde waren, -twee vóór hem over die Lage Kant achterelkaar in dezelfde richting als hij, verdachte, rijdende motorrijtuigen (personenauto'
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.